Skip to main content

Full text of "Het Auteursrecht In Het Nederlandsche En Internationale Recht"

See other formats


HET AUTEURSRECHT] 

IN HET NEDERLANDSCHE EN y 
: INTERNATIONALE RECHT : 



PROEFSCHRIFT 

TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN DOCTOR 
IN DE RECHTSWETENSCHAP AAN DE RUKS-UNI- 
VERSITEIT TE UTRECHT NA MACHTIGING VAN 
DEN RECTOR MAGNIFICUS Dr. H. ZWAARDEMAKER 
HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER GENEES- 
KUNDE VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER 
UNIVERSITEIT TEGEN DE BEDENKINGEN VAN DE 
FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID TE VER- 
DEDIGEN OP VRUDAG 17 DECEMBER 1909 DES 
NAMIDDAGS TE 4 UUR DOOR 

HENRI LOUIS DE BEAUFORT 

GEBOREN TE LEUSDEN 




P. DEN 'BOER SENATUS VETERANORUM TYPO- 
GRAPHUS ET LIBRORUM EDITOR UTRECHT 1909 




V 



Aan mijne Ouders 



j 

i 

i 



Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten voorbijgaan, die mij hier 
is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen aan U, Hooggeachte 
Professor de Louter, voor dc groote bereidwilligheid waarmede U, tijd 
noch moeüe ontziende, mij bij hel schrijven van dit proefschrift terzijde 
hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke belangstelling, die ü mij 
daarbij steeds hebt willen betootien. 

Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het voorrecht 
heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne erkente- 
lijkheid voor de welwülendheid en belangstelling, die ik van hen mocht 
ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan de verplichtingen, 
die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb tegenover Prof. Hamaker 
en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters van dit gezelschap in de jaren, 
dat ik aan de werkzaamheden deelnam. 

Ten slotte wü ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten, 
het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen 
uiè mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven, Het is 
'mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en zijne 
Academie bestaat. 



■4 



INHOUD 



p. 

BRONNEN EN LITERATUUR mi 

HOOFDSTUK I 

HISTORISCHE INLEIDING 

§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot 

aan het einde der achttiende eeuw 1 

§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde 

der achttiende eeuw tot dezen tijd 39 

§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal 

auteursrecht 52 

HOOFDSTUK II 

GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER 

§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën. . . 70 

§ 2 Recht of doelmatigheid? 78 

§ 3 Economische theorieën 95 

§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed 108 

HOOFDSTUK III 
DE OBJECTEN 

§ 1 Algemeen overzicht en groepeering 126 

§ 2 Geschriften 

a Kenmerkende eigenschappen. . ... . . .137 

b Vorm en inhoud 143 

c Practische toepassingen van het voorgaande. 169 

I Vereischten waaraan een geschrift moet 
voldoen om object van auteursrecht te zijn 170 

II Het recht van den vertaler 176 

III Het uitsluitend vertalingsrecht . . . .180 

IV Het recht van den bewerker en het 
uitsluitend bewerkingsrecht 186 



X 



p. 

§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten 195 

§ 4 Werken der toonkunst 202 

§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en panto- 
mimes 211 

§ 6 Werken van beeldende kunst 219 

§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst . . .228 

HOOFDSTUK IV 

OMVANG EN DUUR 

§ 1 Omvang 234 

I Het door den druk gemeen maken van ge- 
schriften en muziekwerken . 236 

II Het maken van afschriften 238 

Hl Vervaardiging en verspreiding van mechani- 
sche muziek-instrumenten en phonografen . 240 
IV Reproductie door den kinematograaf . . .244 
V Op- en uitvoering 246 

VI Voordracht 251 

VII Reproductie van werken van beeldende kunst 252 
§ 2 Duur 254 

HOOFDSTUK V 

VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN 261 

HOOFDSTUK VI 

EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND 
/STAANDE RECHTEN 275 

' I Recht op brieven 278 

II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag 

op auteursrecht 281 

III Het recht van den auteur dat zijn werk in 
ongeschonden staat wordt publiek gemaakt . 288 

IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam 291 
V Recht van den afgebeelden persoon. . . .299 

HOOFDSTUK VII 

INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT 

§ 1 Algemeene opmerkingen 305 



XI 

p. 

§ 2 De Berner Conventie 319 

a Algemeene regelen betreffende het inter- 
nationale auteursrecht in het Verbond 

I Doel en strekking van het Verbond . . 321 

II De werken waarop de Conventie van 
toepassing is 322 

Hl Aard en omvang der bescherming. . . 343 
IV Duur der bescherming 366 

b Bijzondere regelen omtrent sommige onder- 
deelen 

I Het uitsluitend vertalingsrecht . . . -370 

II Dagbladen en tijdschriften 383 

III Bloemlezingen 395 

IV Op- en uitvoeringsrecht • -398 

V Bewerkingsrecht 4:03 

VI Mechanische muziek-instrumenten. . . 406 

VII Kinematograaf 4:13 

c Rechtsmiddelen tot handhaving van het 

auteursrecht 
I Legitimatie voor den rechter .... 417 
II Beslag op nadruk 420 

d Uitvoerings- en overgangsbepalingen 

I Maatregelen der Verbondsstaten tegen 
verspreiding of uitstalling van geschriften 

en kunstwerken 423 

II Overgangsbepalingen 424 

Hl De wetten en afzonderlijke tractaten in 

verband met de Conventie 434 

IV Huishoudehjke inrichting van het Verbond 436 

V Toetreding van nieuwe staten en hunne 
koloniën 436 

VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en op- 
zegging 439 

BIJLAGEN 

I Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n°. 124) tot regeling 
van het auteursrecht 443 



XII 

p. 

II Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteurs- 
recht op werken van beeldende kunst 452 

III A Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concer- 

nant la création d'une Union internationale pour 
la protection des oeuvres littéraires et artistiques 459 

Article additionnel 464 

Protocole de clöture. 465 

B Acte additionnel du 4 Mai 1896 467 

Déclaration du 4 Mai 1896 469 

C Convention de Berne revisée pour la protection 
des oeuvres littéraires et artistiques du 13 No- 
vembre 1908 471 

IV Association littéraire et artistique internationale Projet 

de Loi-Type 481 

STELLINGEN . . . 487 



BRONNEN EN LITERATUUR 



Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, waarvan voor 
dit proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier voorafgaan. 

Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande 
recht van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de offlcieele 
en oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen, 
geraadpleegd. 

Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land 
van de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn 
voornaamste bron in de Besolutiën van de Staten van Holland en de 
Resolutiën van de Staten-Generaal, beide (de eerste gedrukt, de laatste 
in handschrift) berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage. Ik 
achtte het echter niet noodig alle jaargangen uit het ruim twee- 
honderdjarig tijdperk te doorzoeken; hier en daar deed ik een greep, 
daarbh' zorg dragende, dat nergens eene periode van eenigen omvang 
geheel ondoorzocht bleef. 

Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad 
aan het Archief voor Tcerkelvjke en wereldsche geschiedenissen, inzon- 
derheid van Utrecht, uitgegeven door J. J. Dodt van Flensburg; 
van de „Resolutiën der Generale Staten uit de XVHde eeuw meer 
onmiddelijk betreffende de geschiedenis der beschaving", die in de 
deelen IV, V, VI en VII van dit werk zijn opgenomen, bleken er 
een groot aantal op mijn onderwerp betrekking te hebben. 

Van verscheidenene privilegiën heb ik ook kennis kunnen nemen, 
doordat zij in het geprivilegieerde boek zelf stonden afgedrukt. 

Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te worden 



XIV 



genoemd Bodel Nyenhuis (De wetgeving op drukpers en boekhandel 
in de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw). Na dit boek, 
waarvan de eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt 
een zelfstandig onderzoek van eenigen omvang door niemand meer 
te zijn ingesteld; zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden 
uit het genoemde werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden. 

Voor de kennis van het Nederlandsche recht na 1796 behoefde 
uit den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis 
niet te worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog verge- 
makkelijkt door eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak 
enz., uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen 
des Boekhandels. (Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten, 
tractaten, regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in Nederland 
en Nederlandsch-Indië, 's-Gravenhage 1865; id. Tweede Gedeelte, 

's Gravenhage 1867). 

Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste 
en voornaamste plaats gebruik gemaakt van de offlcieele handelingen 
der Conferenties. 

Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht 
in de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking 
der verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, 
zijn het niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Confe- 
rentie, die aan de handelingen hunne waarde verleenen. 

Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties 
(van Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en 
helderheid zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen 
rapporteur, Prof. Louis Renault, terecht algemeen lof is gebracht. 

Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de 
eerste plaats het standaard-werk van -Prof. Ernst Röthlisberger, 
Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Lüeratur und 
Kunst und die Zusatzabkommen. (Bern 1906). Deze voortreffelijke en 
zeer volledige commentaar is echter reeds eenigermate verouderd, 
daar hij geschreven is vóór de herziening van Berlijn. 

Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de 
Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het 
maandblad Le Droü d' Auteur, officieel orgaan van het Lnternationale 
Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten de twee 
en twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk geredigeerde 



xv 



tijdschrift zijn verschenen, een schat van gegevens over wetgeving en 
jurisprudentie op het auteursrecht van bijna alle landen der wereld. 

Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft, 
nog het volgende: 

De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, 
is wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk 
geval meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van 
eenigen omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagblad- 
artikelen en korte stukken in tijdschriften, alsmede die werken, 
waarin het auteursrecht slechts terloops wordt besproken. 

Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog 
steeds toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot 
mijne beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik 
natuurlijk niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitge- 
vallen. 

Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet ongerust: 
ik bedoel Kohler, wiens werken ongetwijfeld tot het belangrijkste 
behooren van hetgeen over het auteursrecht is geschreven. Uit de 
volgende bladzijden zal men herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik 
aan dezen schrijver verschuldigd ben. 

Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche 
werken, alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs. 

J. Aikes van Kregten, Het contract tusschen schrijver en uitgever, 
Proefschr. Groningen 1889. 

Mr. G. Belinpante, Het recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq. 

J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in 
de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw. (Vertaling van : 
De juribus typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, 
Lugd. Bat. 1819). Met de latere bijvoegsels en verbeteringen van 
den schrijver. 

J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd, Leiden 1885. 

Mr. Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van schrijvers 
en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit het oogpunt 
van het internationale regt, Utrecht 1853. 

Mr. J. Heemskerk Azn., Voordragten over den eigendom van voort- 
brengselen van den geest, Haarlem 1856. 



XVI 



Prof. Mr. K. vas der Hoeves, Een verongelukt artikel, Tijdschrift 

voor Strafrecht V pp. 99 sqq. 
J, tan de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland, Proefschr. 

Leiden 1885. 

Mr. S. Katz, Het auteursrecht, Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq. 
J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905. 

— Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra serie I n°. 10. 
Mr. J. A. Levy, Nederland en de Berner Conventie, Set Paleis van 

Justitie, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2, 
Jhr. Mr. A. F. de Savorntn Lobman, Over de regten van den uitvinder, 
Themis 1862 pp. 213 sqq. 

— Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de 
zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door 
mr. T. van Hettinga Tromp), Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerd- 
heid en Wetgeving deel XIV (1864) pp 140 sqq. 

— Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, 
Bijdragen tot de kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente- 
Bestuur in Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq. 

J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie, Venloo 1905. 
Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens 

de Nederlandsche wet, Verslagen en Mededeelingen der Kon. 

Akademie van Wetensch. Afd. Letterkunde 3 de reeks, 12 de deel 

pp. 5 sqq. 

Mr. L. J. Plemp van Düivelakd, Nederland en de Berner Conventie, 
de Gids 1896 Hl pp. 385 sqq. 

— Nederland en de (herziene) Berner Conventie, Onze Eeuw 1909 
I pp. 102 sqq. 

N. de Bidder, Eenige beschouwingen over kopierecht, Proefschr. 
Utrecht 1875. 

Hesman Robbers, Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra 
serie I n°. 10. 

— De Berner Conventie, te Berlijn herzien, de Gids 1908 IV pp. 541 sqq. 
J. G. Robbers Jr., Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen, 

Proefschr. Amsterdam 1896. 

Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, Weekblad voor Privaatrecht, 
Notarisambt en Registratie 22 Sept. 1906 n°. 1917. 

Mr. Ph. "W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het auteurs- 
recht, Themis 1884 pp. 154 sqq. 



xvn 



A. G. N. Swart, Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken 
van beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891. 

Mr. J. D. Vzegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wet- 
geving, 1895. 

— Nederland en de Berner Conventie, de Gids, 1896 III pp. 411 sqq. 

— id. met Bijlagen ; Supplement op : Het auteursrecht volgens de 
Nederl. wetgeving, 2 de druk Groningen 1898. 

Mr. B. vak den Velden, Over het kopyregt in Nederland, 's G-raven- 
. hage 1835. 

Mr. J. Freseman Viêtor, Eene bijdrage tot het leerstuk van den 
intellectueelen eigendom, Bijdragen tot de kennis van het Staats- 
Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie 
II) pp. 1-49, 113-168. 

— Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot 
regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877. 

— Praeadvies voor. de Nederlandsche Juristen- Vereeniging, Hande- 
lingen der Nederl. Juristen Vereeniging 1877 I pp. 34 sqq. 

Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist, Proefschr. 1877. 
Mr. B. M. de Vos, Het auteursrecht in actie, Rechtsgeleerd Magazijn 1908 
pp. 28 sqq. en 414 sqq. 



Dr. Kabl Adler, Zot juristischen Konstruktion des Urheberrechtes, 

Archiv für Bürgerliches Recht X pp. 104 sqq. 
Dr. O. Bahr, Hat der Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen 

Vervielfaltigung eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? 

Archiv für Bürgerliches Recht VIII pp. 150 sqq. 
Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du Travail 5 me 

ed. Paris 1848 pp. 220 sqq, 
Bluntschli, Das sogenannte Schrifteigenthum, Das Autorrecht, Kri- 
tische Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissen- 

schaft I pp. 1 sqq. 
Jules Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse pour 

le doctorat Paris 1904. 
Dr. P. Daude, Lehrbuch des Deutschen litterarischen, künstlerischen 

und gewerblichen Urheberrechts, Stuttgart 1888. 
Louis Delzoks, La propriété artistique et littéraire a la Conférence 

cle Berlin, Revue des deux- mondes Octobre 1908 pp. 667 sqq. 



XT III 



Louis Dklzons, L'oeuvre de Ia Conférence de Berlin sur la propriété 
littéraire et artistique, ibid. Dec. 1908 pp. 895 sqq. 

J, G, Pichtb, Beweis der Unrechtmassigkeit des Büchernachdruks. 
Ein Basonnement und eine Parabel, Sammtliche Werke 8 pp. 
223 sqq. 

C. F. von Gebbee, TJeber die Natur der Rechte des Schriftstellers 
und Verlegens, Jahrbücher für die Dogmatik Hl pp. 859 sqq. 

0, Giebke, Deutsches Privatrecht (Systematisches Handbuch der 
Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding 2de a fd. m*» 
deel), Leipzig 1895 pp. 702 sqq. 756 sqq. 

Hegkl, Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 43, 68, 69. 

Prof. Dr. Paul Hmscmus, Ueber die Schutzberechtigung von Panto- 
mimen und Ballets gegen unbefugte öffentliche Aufführung, 
Jahrbücher für die Dogmatik XXVE pp. 185 sqq. 

Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck, nach den Beschlüssen 
des deutschen Bundes dargestellt, Beüageheft zum Archiv für die 
civilistische Praxis, Band XXXV (1852). 

Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, I Theil, II Hauptst., 
3 Abschn. 

Dr. Joseph Kohlee, Das Autorrecht, eine zivüistische Abhandlung, 
zugleich ein Beitrag zur Lehre vom Eigenthum, vom Miteigen- 
thum, vom Rechtsgeschaft und vom Individualrecht, Jahrbücher 
für die Dogmatik XVIII. 

— Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz, 
Eine juridisch-asthetische Studie, Mannheim 1892. 

— Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 
1906-1907. 

— Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908. 

— Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für die civilistische 
Praxis 82 pp. 192 sqq. 

— Das Recht an Fahrtenbüchern, ibid. 85 pp. 98 sqq. 

— Autorrechtliche Studiën, Md. 85 pp. 899 sqq. 

— Die Immaterialgüter im internationalen Recht, Zeüschrift für inter- 
nationales Privat- wnd Strafrecht VI (1896) pp. 236 sqq. en 338 sqq. 

— Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerliches 
Becht V pp. 77 sqq. 

— Das Recht an Briefen, ibid, VII pp. 94 sqq. 

— Zur Konstruktion des Urheberrechts, ibid. X pp. 241 sqq. 



XIX 



Paul. Laboulaye, Étude sur le droit de propriété littéraire en Alle- 

magne, Paris 1855. 
Macaulay, Copyright, A speech delivered in The House of Commons 

on the 5th of February 1841. 

— id. on ' the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay in two 
volumes, vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. CCLXXX1V). 

Mandry, Der Entwurf eines gemeinsamen deutschen Nachdruckge- 
setzes, Kritische Vierteljahrschrift für Geseizgebung und Bechts- 
■unssenscha.fi- VII pp. 1 - 55, 242 - 274, 565 - 609. 

— Der civilrechtliche Inhalt der Eeichsgesetze, Archiv für die civi- 
listische Praxis 60 (neue Folge 10) pp. 228 sqq. 

F. de Martens, Traité de droit international, traduit du Russe par 

Alfred Léo, Paris 1886 II pp. 195—234. 
Aloïs d'Oeelli, La Conférence internationale pour la protection des 

droits d'auteur. réunie a Berne du 8 au 19 Septembre 1884, 

Revue de droit international et de législation comparée 1884 

pp. 533 sqq. 

— La deuxième conférence internationale pour la protection des 
oeuvres littéraires et artistiques, ibid. 1886 pp. 35 sqq. 

Heemann Oetloff, Das Autorrecht als strafrechtiicli zu schützendes 
Recht, Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 263 sqq. 

Eugkène Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété littéraire 
et artistique et du droit de représentation, Paris 1879. 

P. J. Pboudhon, Les Majorats littéraires, Examen d'un projet de ïoï 
ayant pour but de créer, au profit des auteurs, inventeurs et 
artistes un monopole perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes 
tome XVI. 

Febnand Renoüaed, Essai sur la nature du droit d'auteur, impropre- 
ment désigné sous le titre «ie propriété littéraire, Genève 1869. 

Prof. Eexst Röthlisbeegee, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze 
von Werker, der Literator und Kunst und die Zusatzabkommen, 
geschichtlich und rechtlich beleuchtet und kommentiert, Bern 1906. 

Dr. A. SchIïtlb, Die ausschliessenden „Verhaltnisse" mit besonderer 
Rücksicht auf litterarisch-artistisehes Autorrecht, Patent-, Muster- 
and Markenschuz, Zeüschrift für die gesammie Staatswissemchaft 
Band 23 (1867) pp. 148—219; 291—177, 

— 1 Ueber die volkswirthschaftliche Natur der Güter der Darstellung 
und der Mittheilung, ibid. Band 29 (1873) pp. 1—70. 



XX 

^rcftró /Ur die civüistische 

jPresds Band 4 pp. 1 sqq.; 174 sqq. 
Dr Heihbich M. Schdstkb, Das Urheberrecht der Tonkunst m Oestei- 
reich, Deutschland und andern europ&ischen Staaten mit Einschluss 
der allgemeinen Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch 
dargestellt, München 1891. 



AFKORTINGEN 



A „«« i&B& Actes de la Conférence internationale pour Ia protection des 
droits d'auteur réunie a Berne dn 8 an 19 septembre 1884, 
Berne 1884. 

Actes 1885 Actes de la 2me Conférence internationale pour la protection des 
oeuvres littéraires et artistiques réunie a Berne du 7 au 18 
Septembre 1885, Berne 1885. 

Actes 1888 Actes de la 3»» Conférence internationale pour la protection des 
oeuvres littéraires et artistiques réunie k Berne du 6 au 9 sep- 
tembre 1886, Berne 1886. 

Ac t es 1898 Actes de la Conférence réunie a Paris du 15 avril au 4 mai 1896, 
Berne Bureau international de 1'ünion 1897. 

Actes 1908 Actes de la Conférence réunie a Berlin du 14 octobre au 14 
novembre 1908, Berne Bureau de 1'Union internationale lit- 
téraire et artististique 1909. 

D. A. Le Droit d'Auteur, organe officiel du Bureau de 1'Union inter- 

nationale pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques. 

Ontw. B. K. Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op 
werken van beeldende kunst. 



W. A. R. Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van 
het auteursrecht. 



HOOFDSTUK I 
HISTORISCHE INLEIDING 



§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land 
tot aan het einde der achttiende eeuw 

Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst 
en letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot 
van de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, 
over cle exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de 
thans vrywel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling 
van het auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift 
nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht en 
uitgewerkt. 

Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet 
in de auteursproducten zelf — het is algemeen bekend, dat reeds in 
de oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken 
van grooten bloei hebben gehad — maar in de wijzen, waarop die 
producten geëxploiteerd kunnen worden. 

De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, 
was de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór 
van het toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van 
intellectueele producten nooit sprake is . geweest. Men heeft "zich 
hierover wel verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveel- 
voudiging van boeken reeds op groote schaal plaats had. , 

In het oude Rome b.v. waren reeds „bibliopolae" gevestigd, die 
honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat het 
aantal afschriften, dat van eenzelfde boek — soms in zeer korten 

1 



2 



tijd - verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van 
de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der 
boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren 

Ook in de Middeleeuwen kon aan de^steeds toenemende vraag naar 
boeken door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in ver- 
scheidene steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren 
huizen gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het 
groot werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke 
Broeders des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan 
zelfs den naam „Broeders van de penne" te danken hadden ). 

De exploitatie van letterkundige producten was dus ook voor de 
toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het 
zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is, 
een uitsluitend recht op kopie te scheppen. 

In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk 
van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen 
niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren ; bovendien 
zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen die 
een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf staande 
personen die in het overschrijven een middel van bestaan vonden, 
zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste reden 
moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging door 
overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal 
exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooa s 
dat bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals 
bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van 
nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden 
gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van het- 



1) Op verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romemsche schnjvers 
van verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en meer exemplaren, gewag 
lemalkt o. a.: Ciceko Pro Mla XV, 42, 43; Stjetonius IHv. Aug. cjl, 
f^BEpillae IV, 7. Ook werden soms hooge prijzen geboden aan de schrnvers 
voor Tunne manuscripten. Men zie hierover: Dr. J. Xm Das AulvreM, 
Srbücher f. d. Dogmatik XVIII, pp. 448 sc^ e n van 

UrheherreeU an Schriften nnd VerlagsrecU, Stuttgart 1906 pp. 27 sqq. 

2) Men zie voor de vervaardiging en verspradmg van boeken vóór de mt 
vinding der boekdrukkunst o. a.: Znr Erinnerung an *e fWw^Bu* 
üruckllmmt van Geobg Steinhauseh in die Nation van 2 Jum 1900, p. 492. 



zelfde boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk- plaats 
hebben in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen 
koopers meer vond, kon de reproductie zonder schade worden ge- 
staakt en een ander ter hand worden genomen. Werd van dezelfde 
kopie door anderen gebruik gemaakt om afschriften in den handel te 
brengen, dan leed de eerste uitgever hierdoor geen meerdere schade 
dan door elke andere daad van concurrentie. 

De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem 
uitgegeven boek veel zwaarder getroffen. 

Het in druk uitgeven van een geschrift is — en was vooral te 
dien tijde, toen de drukkunst nog in haar opkomst was — altijd min 
of meer een waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van 
een vast aantal exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat 
met verlies zal worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er 
vóór alles om te doen is, kopie machtig te worden, waarmede eene 
flinke oplage kan worden gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan 
besteed zullen hem weinig baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn 
boek na te drukken. De nadrukker kiest natuurlijk juist de werken 
uit, waarmede winst zou zijn te behalen; door de prijs zijner exem- 
plaren iets: lager te stellen dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt 
hij de meeste koopers naar zich toe. 

Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te 
worden, zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik 
van kopie, waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had 
kunnen komen, aan de- ontwikkeling der boekdruk-industrie in den 
weg stond. Om dit kwaad te keeren, werd toen van overheidswege 
de meest voor de hand' liggende maatregel genomen: iemand die een 
boek in druk wenschte -te doen Verschijnen, kon op een daartoe 
gedaan verzoek octrooi of privilegie krijgen, dat boek gedurende een „ 
bepaalden tijd met uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en 
verkoopen. 

De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der 
achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den 
nadruk gebleven. Het recht — al was het dan een uitzönderings- 
recht — '■der privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap 
met het auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen 
met het kopierecht ; van, de tegenwoordige wetten; het tijdperk der 
' privilegiën en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode 



4 



Voor het eerst schijnt In « 
„ « jaar 1616 Ln U Oe jare 1«7 '). 

totó < m ™^\**TZlm. bier sleede de geleeenheid hebben 
Van dat jaar ai zal waarschflalhK mei 0 m zioh °P deze 

IpTngeJan voor de ^ff^jZ^^ 
ie tegen den nadruk te doen Jesohenn ^ ^ landen : door 
de privilegiën hier verleend ^ d n ^ heb ik er 

Karei V en na dezen door Philips 11. uk ^ ^ ^ niettot 

slechts enkele kunnen o^ettm), oc zij we rden verleend, 

de groote ^^ Mmte ^Z^^ ë van 19 Mei 1570 komt 
W ant reeds in eene , kerzerhje ve «rdemng ^ ^ ^ 

de bepaling voor (art. 18). » üa ^ g yerkregen - heeft| binnen drie 
nrinten, waarom een ander pr s - ilpffie » 

hrz sr- Jff* - ertOTd ' ,er - 



•• Wl aWruktin: Oee» - M kopy-regt vn Nederland 
n Dit privilegie is in zijn geheel algearuKi 

door Mr. B. van dek Veldek, 1835. ^ u vanEo iiat, 

a Privilegiën door Karei V verleend, m f ^ yan het z00 even 

fenoemde boek) in: De 1546 en 1547 in: ***** 

mm door E. W^Moes. * P^™£ ste do0 r den Griffier Jak vak Dam 

gehouden) 1543-1548 fol. 231 en 287. 352) waar me lding wordt 

g Privilegiën van Philips ^.f^^Jcher^d door „Coc Ma*. Octro,e 
gemaakt van een kaart, uitgegeven in 1575 ffl « vaI1 „pnvüeg. Reg- 

ibidem II P- 58, waar een werk wordt g^md , ^ 

Matta. // et Cancellarie Brabantie". In de (resem de boeken mt dien 

van. d, Jak T ek B = -^^nl net ***** Men zie 

tijd het titelblad gereproduceerd,™ arvan o ^ ^ 

o.a. de afbeeldingen tegenover de pp. «ft, ' 



Provinciale Staten als door de Generaliteit werden privilegiën ver- 
leend; de eersten waren natuurlijk slechts in ééne provincie van 
kracht, de laatsten golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de 
Generaliteitslanden waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch 
de rechtskracht van de privilegiën der Staten-Generaal werd niet 
steeds in alle provinciën erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Gene- 
raal in 1632 aan de weduwe van Hiilebrant Jacobsz. van Wouw een 
privilegie hadden verleend voor de Statenvertaling van den bijbel, 
hetgeen' protesten uitlokte van verschillende boekverkoopers in de 
Hollandsche steden, „ ... als niet konnende verstaen dat de Staten 
Generaal macht hadden om Octroy te geven aen d'eene, ende verbot 
te doen aen d'andere . . . " enz. 1 ). Door de Steden van Holland werd 
tegen dit octrooi aangevoerd, „dat sulcks niet konde prejudiceren aen 
de Provinciën of Leden van dien, of om korter te spreken, dat haer 
Ho. Mo. geen macht hadden suleken octroy te gheven." 2 ) Wel werd 
in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven octrooi „geconfirmeert," 
maar dit belette niet, dat de bijbel door verscheidene Hollandsche 
boekdrukkers werd nagedrukt 3 ). 

Na dit voorval kwam^het -Uh' gebruik, : voor de door de Staten- 
Generaal verleende privüegiëir iifcyïe terscbiHende provinciën attaché 
aan te vragen; in sommige privilegiën vindt: men zelfs de verplichting 
hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven *) en 
van Aitzema ; ;naeldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van da Staten- 
Generaal in Holland van waarde" is geweest zonder attaché 5 ). Of dit 
tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij onbekend; 
in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen met het 
verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals uit het 
onderstaande herhaaldelijk zal blijken. 

Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het 



1) LrEUWE vak .Aitzema, Sahen van Staet en Oorlogh in ende omtrent de 
Vereenigde Nederlanden (1633-1644) (fol. uitg. bij Joh. Veely, Joh. Tongerloo 
ende Jasper Doll 1669) Ilde deel p. 552. 

2) Ibid. p. 660. 

3) Men zie hierover: Resolutïên Staten van Holland 1639 pp. 38, 105, 144, 
152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; Besolutïen Staten-Generaal 23 dec. 1639. 

4) B.v. in een privilegie van 6 Nov. 1656, Besolutïen Siatcn-Genwaal 1656 
fol. 719. 

5) T. a. p. p. 552. 



6 



• «4-«i pp «ohriiver van het werk 
inze nden van een regest, waan, yan den 
werden vermeld, soms met eene korte Januari 168 6 i) be- 

Een Placcaat van H^™^^ van het boek moest 
paalde, dat in een dergelijk octrool aan- 

gorden vermeld; werd v oor me r e^ ^ ^ 

gevraagd, dan kon met ee ^ ^uest ^ ^ ^ d 

werken van ea«Mto ^ 
waren; anders moesten 

als er auteurs waren. de state n dus in den 

yan den inhoud van het ^ geen ke nnis ; meestal stond 
reg el vöór het verleenen van het octrooi g ^ 
bet octrooi de boek te lezen stond 

all es mede werd -**P*°^^ aanstootelijke zaken inhield 
Bleek later, dat een 8^*^^ fokken, zooals o. a. n 

altijd Z66 als ^^e^^^^^^^ 
verleend voor een ^^^n van het boek in ééne taal, 

Het gebeurde echter ook, dat het o ^ ^ yoor 

r6 den hiervoor is niet altijd n te ^ octrooi ee „ 
hetzelfde werk of een van ™^ ^ staten V an Holland van 
ander was verleend. In de ™^™* Qm octrooi voor afbeeldingen 
18 Maart 1749 werd eene aanvraag ; om ^ ^ ^ afge _ 

1 verschillende 



PP- 360, 361. D0DT V p p. 235, 251, 258, 274, VU P 

\ Voorbeelden hiervan o. a. in Dodt PP ^ 
JnUtiën Staten van Bolland, 18 Jan. 



7 



veele andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden 
toesebragt nadeel en prejuditie . . . etc." x ). 

Dat voor Hugo de Groots I«Zeydinflre tot de Hollantsche recUsgeleert- 
hfüi in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de 
sLn-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen, 
schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige 
eezindheid der Staten-leden jegens den auteur 2 ). 

Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen; 
zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de 
Groots De vrye seevaert, etc: „Is goetgevonden, alvoeren hierop te 
disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen 
D Grotii, ommo te verstaen off deselve translatie hem gevalt ). 
Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan b.v. 
door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken 
van Wil!. Perkinsy: „...indien den predicant Mensevoet hiertoe 
vorens egeen privilegie en is geaccordeert" *). 

Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen 
doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd 
werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Ver- 
zuim hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking 
van het octrooi*). Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in 
eene resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de 
Geldersche Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de biblio- 
theek van de provinciale academie te Harderwijk moest worden afge- 

Stflclll ^) 

De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van allerlei 
soort- niet alleen voor wetenschappelijke werken, gedichten, reis- 
beschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken, „schrijfkonstboucken", 
offlcieele stukken, zooals placcaten, resolutiên, ordonnantiën, enz. enz. ; 



1) Resolutiên Staten van Holland 13 Maart 1749 p. 163. 

2) Men zie hierover: Eobeet Frtjin, Hugo de Groot' s Inleidinge tot de Hol- 
landsche Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften deel VIH pp. 21 sqq. 

3) Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. Dodt VI p. 359. 

4) Dodt V. p. 15. Een dergelijk geval in: Resolutiên Staten van Holland 

17 Jan. 1585 p. 46. 3 , ,. 

5) Eesolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd door die 
van 30 April 1728 (Groot PlacaetboeJc III p. 552 en VI p. 598.) 

6) Groot Geldersch Placaet-boek UI p. 644, 



8 



oorspronkelijkheid of nieuwheid was geen vereischte: voor boeken 
van lang gestorven schrijvers, o. a. de klassieke Romeinen werden 
dikwijls privilegiën verleend, evenzoo voor vertalingen en bewei- 
kingen; zelfs verleenden de Staten-Generaal in 1654 een privilegie 
voor de Gorrecture van de Druck-fouten, ly in-advertentie in den jongst 
qetranslateerden Bijbel ingesloopen *). 

Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende 
uitgaven het licht zagen »), werden - althans tot aan de uitgave der 
Staten-vertaling in 1637 - herhaaldelijk privilegiën verleend, door de 
Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen ). 

Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor 
de privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en 
uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook 
wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun 
kopie grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan 
van hun manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch 
slechts langzaam won de meening veld, dat de intellectueele arbeid 
der auteurs in de eerste plaats op bescherming tegen exploitatie 
door anderen aanspraak heeft, en dat het feit dat iemand een boek 
in druk laat verschijnen, op zichzelf nog geen reden is om ieder 
ander het drukken van hetzelfde boek te verbieden. Hadden de 
Staten dit beginsel bij het verleenen der privilegiën voor oogen gehad, 
dan zouden zij ze hebben moeten weigeren in de gevallen waar yan 
een auteur geen sprake kan zijn (zooals b.v. bij staatsstukken) of 
waar de auteur al honderden jaren dood is. 

Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie der 
Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij o. a. 
werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de 
autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve 
voor de annotatiën, commentaren enz, die er op nieuw bij zouden 
zijn gemaakt. «) Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat 



1, Medegedeeld door mr. N. de Ridder in diens proefschrift : Eenige beschou- 
wingen over kopierecht, Utrecht 1875 p. 31. «a« 

3) Cf. hierover: A. C. Ketjseman, Aanteekeningen betr. dm Boekhandel van 
Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw p. 317. 

3) Resolutiën Staten van Holland 21 Jan. 1580 p. 8 en Apnl 1580 p. 59 

4 De tekst der Resolutie is te vinden in het ^Placcaatboek^ Caü 
en Scheltus V p. 603 en: Wiltens Kerkelijk Placcaat-Boek III p. 262. 



9 



men elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was 
gekomen 1 ). 

Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn ver- 
leend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant 
Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake 
was, gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave 
der Statenvertaling (1637) 2 ). Na dien tijd was voor wie den bijbel 
wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de 
Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel 
vastgestelden tekst der vertaling hielden s ). 

Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel 
geen privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-ver- 
leeners tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond 
der bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 
in dit opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten 
van Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici 
in twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten 
in, waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en 
andere Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend 
beschikt, doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke com- 
missie, „om de selve te examineeren, en daar beneevens te o ver- 
weegen, of de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren 
te werden geëlucedeert of geamplieert . . . etc." 4 ). Wat de kerkboeken 
betreft schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt 
te hebben gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit 
nemen, — op request van de „Leeraaren en ouderlingen van de Lu- 
thersche gemeente te Amsterdam" - dat geen privilegiën meer zouden 
worden verleend voor de Psalmen en geestelijke liederen bij die 
gemeente in gebruik 5 ). 

1) In Venetië, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei bereikte, in 
het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan uitsluitend privilegiën 
zouden worden gegeven „pro libris et operibus novis, nunquam antea impressis, 
et non pro aliis". D. A. 1889 p. 8), in Frankrijk sedert 1578; Cf. Kohlee 
Autorrecht p. 85. 

2) Het privilegie is afgedrukt in Groot Placcaatboek I p. 190. 

3) Men zie hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19 Maart 
1655 in het Groot Placcaatboek II p. 3029. ' 

4) Res. Staten van Holland 1724 p. 944. 

5) Res. Staten van Holland 29 Sept. 1752 p. 1378. 



10 



Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van 
de bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en 
ook werken van beeldende kunst. 

De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en 
begin achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs 
Amsterdam een centrum van den wereld-muziekhandel was 1 ). 

Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk even- 
zoo voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hier- 
voor privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor 
lied- en psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met 
begeleiding voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de 
Staten van Holland een octrooi voor verschillende muziekwerken, 
waartoe onder meer behoorden „tagtig a honderd Italiaansche Anen 
met Instrumenten" en twee geheele Italiaansche opera's 2 ). Ook voor 
muziek- leerboeken werden privilegiën verleend. s ) 

Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgevers 
bedrijf vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden 
hier uitgaven ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals 
de atlassen van de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of 
liever „nasnijden" meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, 
dikwnls kostbare uitgaven, privilegiën werden verleend. 

Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van 27 
Jan 1618: „Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam, geac- 
cordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des 
suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van 
caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken, 
te copieren ofte divulgeren, . . ." etc. 4 ). Dit is het eenige octrooi dat 
ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt 
op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het 
namaken op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in 
waarheid de meest volledige bescherming, die zich - ook onder de 
modernste auteursrecht-wetgeving - denken laat. 



1) Amsterdam in de 17de eeuw. Het Muziekleven door D. F. SCHEUELEEE p. 83. 

2) Bes. Staten van Holland 2 April 1746 pp. 217, 218. 

3) Zie o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4 Nov. 1615 bij 
Dodt VI pp. 374 en 380. 

4) Dodt VII p. 22. 



11 



Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van 
overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften, 
noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, 
zijn de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor 
ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert, 
Fransche Schoolmeester te Botterdam, verleenden de Staten van 
Holland in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde „Capitale 
Letteren" ^ en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt 
Roelandts van Antwerpen „francoyschen schoolmeyster binnen Vlis- 
singen" een octrooi verleend voor: ,'t magasyn oft packhuys der 
loffelycker penneconst, vol subtile ende lustige trecken, pereken, 
beelden ende fiegueren van menschen, van beesten, vogelen ende 
visschen, ende noch meer dan hondert onderscheyden geschriften, ver- 
ciert met diversche capitalen oraculen ende gulden sententiën. . ." etc. 2 ). 

De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend 
werden, waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele 
als naar schilderijen gemaakte. 

Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn schilderij 
gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den portret- 
schilder Mierevelt verleend in 1607 voor „ . . . het contrefeytsel, by 
hem gemaeckt van syn Exc üe , hetwelk hy van meeninge is te doen 
nasnyden in een copere plate . . . etc." 3 ). In dit geval is dus het 
schilderij als object der bescherming te beschouwen. 

Een andere maal werd het privilegie direct aan den „plaetsnyder" 
verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan 
Jac. Matham verleend voor „het contrefeytsel van den Hooch geb. 
grave Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het 
leven gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" 4 ). 

Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het 
verbod van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk 
te zeggen; het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het 
verleenen van deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te 
werk ging, maar in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste. 

1) Bes. St. v. Holl. 3 Sept, 1585 p. 531. 

2) Dodt VI p. 393. 

3) Dodt V p. 2. Zie ook: 1' Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff par D. Fran- 
ken Dz. Amst. 1872 pp. 9, 10. 

4) Dodt V p. 17. 



12 



Soms werd - wat met de beginselen van het auteursrecht niet te 
rijmen zou zijn - aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid ver- 
leend, een bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te ver- 
spreiden, zooals in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. 
verleende octrooi, om .voor 4 jaren alleen te mogen drucken de 
intogt vanden leger van de heren staten generael der vereen. Neder- 
landen in Vlaenderen" en in een denzelfden dag aan Herm. Kern 
verleend „voor 4 jaren alleen in 't coper te mogen snyden ende 
uytgeven de victorie, die Godt den lande gelieft heeft te verlenen 
thegen des vijants galleyen voor het Gat vander Sluys." *) Een privi- 
legie van dezen aard werd blijkbaar ook verlangd door den schilder- 
graveur P. Holsteyn, die van de afgevaardigden van verschillende 
landen, die in 1646 te Munster voor het voorbereiden van den vrede 
waren bijeengekomen, portretten in den handel wenschte te brengen 
In zijn Request aan de Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat 
hij ' sijn voornemen bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich 
resteert, omme Uwe Ho: Mo: de perfeckste gelijckenisse van alle de 
voorsz Heeren Plemp- in een boeck te vertoonen . . . waenn wel- 
licht andere, dien het (: sonder mij te beroemen:) daerinne niet soo 
wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo: souden soecken te prevenieren 
ende Octroy te obtineren . . . enz." 2 ). 

Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht 
een octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege 
gesteld: „Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met 
interdictie dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet 
privative dat anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken 
ende vuytgeven" 3 ). 

Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, 
maar tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. 
Bij resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan 
Caspar Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om „alleene 
te mogen maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem 
daerentusschen te inventeren en te boutseren" 4 ) en in 1619 werd 



2) Medegedeeld door dr. A. Brediüs in Oud Holland 1890 pp. 75 sqq. 

3) Dodt VII p. 53. 

4) Dodt VII p. 13. 



13 



aan Willem van Byler, ysersnyder, octrooi verleend om „ . . . voor 
den tyt van drye jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde 
provinciën te mogen maecken, snyden, gieten ende vercoopen den 
nieuwen penninck dien haere Ho. Mo. hem hebben doen maecken 
van het Synode nationael . . ." *). 

Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen 
namaak beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in 
het jaar 1603 octrooi voor 6 jaren verleend om „ . . . alleene etc. te 
mogen backen ende vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken 
ofte vloertichelen van diversche couleuren . . . mitsgaders om oock op 
dezelve manieren te maecken seecker gepatroneerde papieren . . .etc." 2 ). 
Dergelijke octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, 
geborduurde zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, 
goud en marmer enz. ; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het 
recht, dat door deze privilegiën wordt toegekend het meeste over- 
eenkomt met de rechten op uitvindingen en modellen (den zooge- 
naamden „industrieelen eigendom") dan wel met auteursrecht. 

De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt 
tusschen auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën- 
periode onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde 
privilegie eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, 
waarin die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan 
dienen de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 161 5, waarbij 
octrooi wordt verleend aan Willem Swart „ . . . omme voor den tyt 
van 8 jaeren naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken 
ende vuytgeven een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel 
in musycque ende snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, 
alderhande musicale stucken sullen kunnen spelen op violoncen ende 
violen de gambe, daertoe hy tot volcommen leeringe ende instructie 
heeft gemaeckt zeecker bouck . . . enz." 3 ). Een ander voorbeeld is 
het octrooi, den 29sten Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend 
voor eene uitvinding, waardoor de zeelui in staat worden gesteld 
zonder instrumenten steeds te zien „hoe hooch den polus boven den 
horizont verheven is". In het request wordt gevraagd „ . . . octroy, 



1) Dodt VII p. 66. 

2) Dodt IV p. 110. 

3) Dodt VI p. 380. 



14 

omme alleene met seclusie van alle andere de voors. conste (de 
conste begerende) te mogen wysen ende leeren, hetsy met eenige 
onderrichtinge die hy hem doen sal, als met eenige gedruckte 
exemplaren . . . etc." 1 ). 

Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat 
bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt: 
B.i. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te 
maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken, 
hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte exemplaren 
in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te verspreiden. 

Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende 
bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam 
ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt 
werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734 
verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor VHistoire 
du President J. H. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend 
recht om dit boek te mogen drukken „in soodaanige Formaaten en 
Taaien als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleefde 
octrooi stond de clausule : „ ... des dat het selve Octroi alleen sal 
worden bepaalt tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het 
voorschreeve Werk in de Pransche Taaie . . ." etc. 2 ). 

Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden 
verleend voor „de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde in 
den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie werd 
in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Pransch gedrukt; voor 
elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk 
privilegie aan drie verschillende personen 8 ). 

Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en 
werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien 
niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den 
auteur de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk 
toekomt, begon men zich er rekenschap van te geven, dat over de 



1) Dodt VII pp. 10, 11. 

2) Ses. Staten van Holl. 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog geval : ibid 
1740 pp. 261, 262. 

3) Resolutie van 15 Mei 1619, Dodt VII p. 64. 



15 



exploitatie door middel van op- of uitvoering evengoed als over de 
exploitatie door middel van den druk de auteur alleen moet te 
beschikken hebben. 

Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming 
van het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke 
grond bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. 
Vooreerst is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo 
scherp als tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theater- 
directeuren dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de 
uitsluitende opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. 1. 
niet toe te laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe 
te zien, dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, 
niet in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van 
de vroegste tijden af in verschillende landen gehandeld en het was 
daarbij dikwijls mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel 
werkten, ondanks het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit 
te betalen 1 ). 

Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde 
der achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen 
een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten. 

In de .Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw afingrooten 
getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier 
stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal 
kregen zij van het stadsbestuur eene belooning 2 ). 

In het Amsterdamsche Dichtgenootschap „Nil volentibus arduum" 
werd omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van 
stukken ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen 3 ). 
Ook de stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, 
om eene geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, 
hadden geen resultaat 4 ). 

1) Zoo ging het reeds in het oude Kome en later ook o.a. in Engeland ten 
tijde van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot in de 18de 
eeuw toe. Cf. Kohlee, Autorrecht pp. 463 sqq. 

2) Cf. Dr. J. A. Woep, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in 
Nederland I p. 172. 

3) Dr. G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam in de zeventiende eeuw 
p. 29. Cf. dezelfde schrijver in Amsterdam in de 17de eeuw. De Letterkunde en 
het Tooneel p. 16. 

4) Cf. Woep t. a. p. II p. 228. 



16 



Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken 
ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 
ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door 
tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, 
van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide 
instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. 
Er werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl 
acteurs en atrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering 
der stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich 
met enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun 
arbeid tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede: 

„Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van 
een jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt, 
vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn 
Spel vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een 
voorspel van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de 
Poëet niet meer dan drie Loodjes" 1 ). 

Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens 
spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was 
de toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien 
tijde reeds aan de Regenten werd verweten 2 ). Daar kwam nog bij, 
dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan 
door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wage- 
naar: „De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere, 
de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt 
daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen, 
met wien zn', deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" 3 ). Wat 
er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging 
den auteur ook. 

Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, 
behoeft nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen be- 
taling toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het 



1) J. WAGENAAR, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, enz. II p. 400. 

2) In : Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective Godshuyzen , . . 
wegens de tegenwoordige directie over dm Schouwburg, enz. van 1699, medegedeeld 
door Worp t. a. p. II p. 89. 

3) Wagenaar t. a. p. p. 404. 



11 



openbaar muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgel- 
bespelingen) en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg 
werd, vooral in de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als 
aanvulling of begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd 1 ). 

Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was 
ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De termijnen, 
waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer verschillend. 
Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door de Staten- 
Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3, 4, 5, 
6, ' 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten — althans 
in het begin — hierin niet minder afwisseling 2 ); van de latere 
privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de 
oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar. 

Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach 
boexken, werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een 
zeker aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een 
drukker „syn leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd 
dan, dikwijls aan de weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van 
dien aard verleend 3 ). 

Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan 
Aelbrecht Hendricksz., drukker van de Staten, voor „alle de gemeene 
Landts Edicten, Mandamenten, opene Brieven . . . etc", werd eveneens 
verleend zonder bepaalden termijn, maar: „tot kennelijck wederseggen 
van de Staten" 4 ). 

De straften op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen 
gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk 



1) Men zie hierover: D. F. Scheurleer t. a. p. pp. 7 sqq. en 79 sqq. en: Worp 
t. a. p. II p. 270. . 

2) Men zie b.v. in de Res. Staten van Holl. 1580 pp. 79, 113, 146, 166, 197 
en 1581 pp. 414 en 570. 

3) Zie speciaal voor de Deventer Almanak: Dodt IV p. 124, VI p. 358, VII 
pag. 71; Res. Staten v. Holl. 1749 pp. 122, 123, 1750 pp. 888, 976. Het is 
duidelijk, dat de privilegiën waarvan hier sprake is, nog iets anders gaven dan 
alleen het kopierecht. Het was er niet zoozeer om te doen, dat zulk een almanak 
niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen niet eene onderneming in denzelfden 
geest op touw zouden zetten. 

4) Res. Staten v. Holl. 1582 p. 575. 

2 



18 



vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete, 
waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd. 

Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht ; 
ik vond er b.v. van: „25 Goude Realen"; „20 Caroli guldens van elck 
Boeck"; „50 kronen 'telcken reyse te verbeuren"; „vijf en twintigh 
ponden van veertigh grooten"; „drie guldens voor elck Exemplaar"; 
enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid ; bij de Staten van Holland 
werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds ge- 
noemde resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de 
boete voortaan 3000 gld. zou bedragen. 

Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën 
en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het 
auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak 
alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of 
letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën, die 
niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot bescher- 
ming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten 
dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker 
of uitgever, verleend. 

Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie 
aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd 
in het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver 
tevens uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan 
personen, die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden 
de Staten van Holland in 1587 „den Eersamen ende wel geoeffenden 
Adriaen Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven „seecker 
Boecksken, by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop 
des Jaers, &c. met een Nieuwen altvjdt geduyrenden Calendrier, noch 
een Boeksken . . . etc." zonder dat deze zullen mogen worden nage- 
drukt „nochte elders gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by 
den voornoemde Adriaen Anthonisz. te gebruyken, mogen werden 
gedistribueert, verkocht nochte te koop gestelt . . etc." Hier zal dus 
waarschijnlijk de schrijver voor eigen rekening zijne werken hebben 
laten drukken. 

Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe 
van den schrijver; in 1585 kreeg „Alijt Meynaerts, arme desolate 
weduwe wylen Adriaen Gerritsz. . . . met hare kinderkens" octrooi 
voor de „kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man 



19 



had achtergelaten 1 ). Doch er zijn ook gevallen', waar volstrekt geen 
reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden 
persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius 
b.v. werd in 1611 door de Staten- Generaal toegestaan „omme alleene 
by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera 
Nicolai Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom 
geschreven zyn" 2 ). Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift 
of, zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt 
exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig 
werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand, 
die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. 
voor Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit, 
waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der 
Staten-Generaal : „Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium 
Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden 
Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns 
swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat 
te drucken" s ). 

Het kon natuurhjk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie 
werd verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den 
auteur. Dit geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar 
Bekker. In de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 
1691 (te Amsterdam by Daniël van den Dalen) leest men het volgend 
„Beright" eigenhandig door den auteur onderteekend: 

„Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks 
in 8° by Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / 
op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage/ ende 
daar in gemeld word/ dat hy besig was met dat Boek te drukken: 
so verklaart den Auteur : hier met sijne eigene hand / dat hy Barend 
Beek niet en kent / ende hem directelik noch indirectelik nooit iets 
te drukken gegeven heeft; maar desen druk van alle de vier boeken 
in 4? aan niemant anders dan aan Daniël van den Dalen toegestaan. 
Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne / dan 
die op dese wijse van hem self onderschreven zijn." 



1) Bess. St. v. Eoll. 6 Juli 1585 pp. 339, 340. 

2) Dodt V p. 262. 

3) Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, Dodt VII p. 57. 



20 



Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde 
personen werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te 
dragen Ik vond althans verschillende malen van een dergelijke over- 
dracht melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Neder- 
landsche boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenoverge- 
stelde meening heb aangetroffen, n.1. dat de privilegiën onvatbaar 
waren voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eemgs- 
zins langer bij stil te staan. 

In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rébus Belgicis, m 16o8 
in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin 
drie verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een 
van den Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Gene- 
raal De twee laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan 
Petrus Grotius, den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende 
verklaring, die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan 
Blaauw had overgedragen : „Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. 
Poeder, supra praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu pnvi- 
legiis eorum utatur, fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum trans- 
cripsi Hagae Comitis, die 25 Septembris, Anno CIOIOCLVH" 

Een ander voorbeeld vond ik in het boekje „Eet Godtsaligh over- 
lijden van svjne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Princevan 
Orange, Grave van Nassau etc", waarin een privilegie van de Staten 
van Holland voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver 
van het boek, Johannes Goethals. Onder het privilegie staat : „Johannes 
Goethals heeft dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan 
Adriaen Wijngaerden, Boeckverkoper tot Leyden." 

In de vergadering der Staten- Generaal van 13 September 1610 ) 
wordt voorgelezen eene „acte van verclaringhe ende bekentenisse, 
gedaen voor notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas 
Jansz. Wagenaer verklaart, dat haar man „... in syn leven ende 
sekere jaren voor syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden 



1) Of dit, ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een goed voor- 
beeld is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar onder het hier bedoelde 
octrooi in de Eesolutiën der Staten-Generaal staat bijgeschreven: „Bij resolutie 
van den 23 Febr. 1657» (dus vóór de overdracht aan Blaauw) „« het octroy 
in dese resolutie genoemd ingetrocken." (Bes. St,Gen. 6 Nov- 1656 fol. 719.) 

2) Dodt V pp. 22, 23. 



21 



ende gecedeert heeft gehadt aen Cornelis Claesz., ïn syn leven bouck- 
vercoper tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende 
andere gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen, 
daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken, 
als die voorn, haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht 
ende uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden 
Cornelis Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan 
eenen derde, Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal 
deze beide overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk 
uit de resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan 
Meyen voor „alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," 
zonder het oude octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel 
moeten geschieden, indien de Staten de overdracht van onwaarde 
hadden gehouden, terwijl aan den anderen kant het verleenen van 
een nieuw octrooi onnoodig schijnt, indien de geldigheid der over- 
dracht buiten bedenking stond. 

Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van 
den boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749 ; 
„ ... te kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een 
merkelijke somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot 
het drukken en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintitu- 
leert Mer'cure Historique & Politique . . . etc." x ). Voorts in een privi- 
legie van 21 Juli 1702 voor het boek „Manier van Procederen enz." 
van Paulus Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd 
wordt dat vroeger aan een ander uitgever privilegie was verleend, 
„wiens Kegt hy Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met 
den eygendom der Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde ;" en 
in de Eesolutie van de Staten van Holland, waarbij het octrooi op 
den Emüe van Rousseau wordt ingetrokken: „ . . . welk werk door de 
voornoemde Jean Neaulme, met het zoogenaamde regt van Copie 
weeder is verkogt aan Mare Michel Rey . . . etc." Eindelijk wil ik 
hier nog vermelden een privilegie van de Staten van Holland van 
het jaar 1716, verleend aan David Mortier voor de werken van Boileau. 
De Staten verklaren hierin : „ . . . Alsoo Ons vertoont is by David 
Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam, dat hy Sup- 
pliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van Hendrik 



1) Bes. Staten v. Holl. 16 Juli 1749 pp. 537 sqq. 



22 



Schdte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Pri- 
vilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau 
Despréaux, avec des Eclaircissemens Eistoriques donnezpar lui même, 
blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant 
van voornemens was, het selve te herdrucken . . . etc." Mortier ver- 
zocht daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen 
niet meer geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete 
voorschreef, terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. 
Dit verzoek werd ingewilligd 1 ). 

Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede niet 
bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte zaak. 
In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632 
wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding ; 
m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën 
toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: „Dunkt (onder cor- 
rectie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten aansien van 
den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat daarom het recht, 
daar bij verkregen, aan andere personen, die deselve inventie in 
't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is getransporteerd . . ." etc. 2 ). 

In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald 
persoon „en syne Regt verkrygende" of: „en sijne Erven, of Regt 
verkrygende" 3 ). Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan 
geen twijfel onderhevig. 

Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van 
Mr. van den Velden 4 ), dat de „privilegiën persoonlijk waren, dat is : 
dat zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde ver- 
eeniging toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, 
konden worden overgedragen en met den dood van den bevooregten 
persoon, of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik 
meen, dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel 



1) Het privilegie staat afgedrukt in: Oeuvres de Nicolas Boileau Despréaux 
avec des Eclaircissemens Mstoriques donnez par lui-même, a Amsterdam chez 
Francais Chanquion MDCCXXIX, Tomé I« r . 

2) Hollandse Consultatien en Advysen III p. 509, Consult CLXXXVII, 1. 

3) Toorbeelden hiervan: Bes. St. v. Eoll. 4 April 1737 pp. 191, 192, 4 Aug. 
1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887. 

4) T. a. p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij de Ridder t. a. p. p. 29; 
J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie. Rotterdam 1905 p. 18. 



23 



kan worden aangenomen en dat slechts bij hoogé uitzondering per- 
soonlijke, onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze 
laatsten zal men dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de 
bepaling inhielden, dat zij met den dood van den geprivilegieerden 
persoon of na opzegging door de Staten een einde namen *). 

Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen 
van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht 
wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het 
uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond 
omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men zou 
geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als :„... alle 
de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie ..." of: .... met den 
eygendom der Copie, ende Privilegie . . .", alsof er dus behalve het 
privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik vond zelfs 
een voorbeeld van „kopie-rechf-overdracht in een geval waar geen 
privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari 1718 
kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van 
Johannes de Wees „alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van 
Joost van Vondel .... nevens de overleveringe, als mede het volle 
recht van Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor 
deze werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg s ). 

Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer 
zij verklaarden aan anderen het „kopierecht" af te staan, daarmede 
alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde 
kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut 
recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis, 
velgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie 
vrij spel het. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook door 
derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde gilde- 
vereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend 
recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door 
zulk eene overeenkomst niet tot stand komen. 
De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling 



1) Men zie de hierboven (p. 17) genoemde privilegiën voor den Deventer 
almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der Staten van Holland. 

2) Cf. J. H. W. Ungeb, Bibliographie van Vondels werken- Amst. Fred. 
Muller 1888 pp. 10, 11. 



24 



met de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den 
schilder of „plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar, 
want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder 
behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren 
afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave 
van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat gra- 
veurs voor anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie 
aanvroegen 1 ). 

Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in 
het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, ook 
privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als auteurs- 
producten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor meer- 
dere eeuwen overleden waren. "Wel bracht de resolutie van 28 Juni 
1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit niet. 
In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een 
recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën 
blijkt in de resolutie niets. 

Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen 
der privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhou- 
dingen in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der 
boekdrukkunst en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene 
bescherming te verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden 
genoten. Wel werkten, zoowel hier als in andere landen, de privilegiën 
ertoe mede, dat zoowel de grond als de materieele waarde van het 
recht der auteurs op hunne producten meer dan vroeger gekend en 
gewaardeerd werden, maar tot het in practijk brengen van het 
beginsel kwam het in ons land niet vóór het jaar 1796. 

De uitspraak van Bodel Nyenhuis 2 ), dat onze vaderen ten allen 
tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens een 
onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en dat dit 
het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën berustte, 
mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk privilegie 
vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot het ver- 
leenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt 

1) Cf. L' Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff p. 12. 

2) J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in de 
Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw, (vertaling van : Dissertatio historico- 
juridica dejuribus typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, Leid. 1819), p. 2. 



25 



daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig 
doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen: 

„ . . . Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' 
Printer, wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent 
gheweest, hoe dat gaerne Imprimeren en in prite leggë soude dit 
teghenwoerdige Boeck ën is een Cronycke va Hollandt En also hem 
datselve costelick ên moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck 
noyt gheprint en is gheweest soe en soude hi die selve Printe en 
Inpressie niet durren bestaen sonder te hebben brieven va Octroye 
en privilegie van ons . . . etc." 1 ). 

„Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant 
't sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven 
van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum 
Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge 
ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren, 
ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven, 
als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan 
vresende dat een ander het selve terstondt soude moghen komen 
na te Drucken, 't welck tot sijne schade ende bederf soude redun- 
deren . . ." etc. 2 ). 

„ . . . Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende 
menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen 
vruchteloos te maken . . .*' 3 ). 

„ . . . Hoe dat hij Suppliant . . . genegen was het voorsz. Liederboek 
te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden ; 
maar also hem hetselve veel geit ende moeyten soude komen te 
kosten, ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren 
van het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers 
mocht werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel 
ende schade soude strekken . . ." 4 ) 

Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivile- 
gieerde boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal 



1) Uit het reeds genoemde privilegie van Karei V. 

2) Bes. St. v. Eoll. 1612 p. 192. 

3) Priv. v. d. St. v. Holl. voor G. Brandts Historie der Reformatie. 

4) Priv. v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. E. Kamphuyzens Stichtelijke 
Rijmen. 



26 



van uitgevers, die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden onder- 
vonden De nadrukkers werden gescholden voor „baetsoeckende 
^schen", en men verweet hun, dat zij het onbehoorlijke met 
fnza n van „in eens anders doent te treden-), doch eene erkenmng 
van een recht van den intellectueelen voortbrenger op zijn product 
was aan zulk een oordeel vreemd. 

In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis »), en op diens voetspoor 
ca ook M de Ridder 3), verklaren, meen ik tot de bewering ge- 
bigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden, 
2 elele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlan sche 
dichters werken nagedrukt of buiten toestemming van der, j auteur 
uitgegeven, o.a. van: Vondel*), Constantijn Huygens*), Starter > 
Brederode'), Poot 8 ), Jeremias de Decker 9 ), Jacob Cats. 

TIL geschriften, waarmede dikwijls meer was te ver lenen 
dan met dichtwerken, ging het evenzoo;-) het waren ook met uit- 
sluitend onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken b " 
zondigden, zelfs iemand als de groot» Willem Jansz Blaeu is er 
niet vrij van gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegeno 
andere firma's, die begonnen waren zijne werken na te drukker ) 
Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral 



1) Cf. de voorrede van den uitgever Lodewvx vak dee Plasse in het 
Groot Liedboeck van G. A. Bredero (uitg. 1622). 

2) T. a. p. p. 53. 

1) zJoI'dr 3 Kalfe in Amsterdam in de 17de eeuw t a_ p^p .^7 
<i De aedichten van Constantyn Huygens, uitgeg. door dr. J. A. WORP JO» 
p XXII. Huygens zelf schijnt ook den nadruk geen zeldzaam verscheel te 
Lbïn gevonde'n; in een „Aen den Drucker» v66r zijn „Hofwyck" zegt hu: 
„Van dusend tegen een 
De nadruck sal ons beurt zijn." 
6) Cf. Scheurleer in Amsterdam in de 17de eeuw t. a. p. 85. 
1\ 7i fi het bovengenoemde voorbericht van zijn Groot Ltedboeck. 
S Men Me het „Lecht aen den Lezer" in: GedicHten van Eubert KomeUs*. 
Poot 2de druk 1724 (te Delf bij Eeinier Boitet). 

Vul' rb^-arnadrukken van H. de 

tot de Eollandsehe Rechtsgeleerdheid: Rob. Fruin, Yerspr.de Geschriften VHI 

*™£Lu* t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere gevallen van nadruk: 
ibid. pp. 346, 80 sqq. 



27 



uit de verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder 
elkander namen, om hem te keeren. 

Bodel Nyenhuis vermeldt 1 ), dat tusschen 1671 en 1674 onder de 
boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het 
nadrukken ; in 1710 werd met hetzelfde doel eene „Willige overeen- 
komst" gesloten tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, 
Leiden, Rotterdam, den Haag en Utrecht 2 ). De reeds meer dan eens 
genoemde resolutie der Staten van Holland van 1715 was bet gevolg 
van een request der „overluyden" van „de Boeckverkoopers in ver- 
scheyde Steden deser Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd 
„een Vertoogh, ampel deduceerende de grieven bij de Supplianten 
door het nadrucken van haare Boecken geleden." 

Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden 
zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk ; zoo wendde zich het 
Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke Regee- 
ring, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht 3 ). Dat 
men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten erkende, moge 
blijken uit de volgende bepaling van een Groninger boekverkoopers- 
compagnie-reglement van het jaar 1724: „so wanneer aldus een 
werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so 
sal geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidthetsoude 
willen nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te 
mogen doen, so geen andere leeden wilden dat het in compagnie 
gedaan soude worden, maar die van de leeden daarin sal willen, 
sal daer recht toe mogen hebben" 4 ). 

Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend 
werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen 
eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien 
letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige 
gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden 
zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van 
elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren 



1) T. a. p. p. 63. 

2) Men vindt den tekst dezer overeenkomst in: Bouwstoffen voor een geschie- 
denis van den Nederlandsehen boekhandel door A. C. Kruseman I p. 821. 

3) Kbuseman, Aanteekeningen etc. p. 471. 

4) Medegedeeld door : Keusehan, Aanteekeningen etc. p. 86. 



28 



uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord, 
zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken, 
die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit 
te geven was vastgesteld. 

De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver 
op zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan 
men den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, 
welke de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, 
hetzij omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den 
auteur zelf of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat 
de auteur, die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op 
te houden, eene publicatie met zijn schrijverseer niet in overeen- 
stemming acht, zonder zijne toestemming niet ter algemeene kennis 
mogen worden -gebracht. Het hierbedoelde recht, dat in vele moderne 
auteursrecht-wetgevingen wordt erkend, moet niet verward worden 
met het auteursrecht ; terwijl dit laatste is een vermogensrecht, strek- 
kende om de exploitatie van een geschrift of kunstwerk uitsluitend 
aan den auteur voor te behouden, hebben wij hier te doen met een 
zoogenaamd persoonlijkheidsrecht, dat niet de heerschappij geeft over 
een bepaald goed, maar dat dient ter bescherming der persoonlijkheid 
des auteurs tegen ongewenschte openbaarmaking van hetgeen deze 
voor zich wil houden. 

Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, 
is moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver 
er wel voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van 
personen, die er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom 
van het handschrift geeft dan al de gewenschte bescherming en een 
afzonderlijk recht is daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts 
beteekenis in de gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door 
ontvreemding maar door toevallige omstandigheden een ander in 
handen komt; de vraag is dus, of de schrijver zich in een dergelijk 
geval tegen het laten drukken en uitgeven van het geschrift kon 
verzetten. 

Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te 
kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als 
aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, 
laat ik hier volgen. 

In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner 



29 

naaste verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt 
herhaaldelijk gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's 
Inleydinge tot de Hollandsche reehtsgeleertheid, welke de schrijver 
oorspronkelijk uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder 
had bestemd, verschillende afschriften in omloop waren. Op grond 
daarvan wordt hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over 
te gaan, vóórdat anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot 
achtte deze waarschuwing niet ongegrond en besloot ten slotte om 
de genoemde reden zijn werk te doen uitgeven. Het blijkt echter 
niet, dat hij in eene uitgave buiten zijn toedoen en toestemming 
door een ander iets onrechtmatigs zou hebben gezien; wel duidt hij 
in een zijner brieven met plagium aan het feit, dat afschriften in 
handen van anderen waren gekomen a ). 

Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam 
een ander schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens 
Lusthof arglistig buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel 
zijne verontwaardiging, hij noemde het: 

„'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart, 
Die immermeer aen my betoond is of bewezen" 2 ). 
doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien. 

Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert 
Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht „op zeker braef 
en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek 
gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker 
het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk 
uit te geven, kreeg hij tot bescheid: „Ik zal 't evenwel drukken; 
het is niet meer in uwe magt. "Wilt gij derhalve, om vrienden te 
blijven, weder een ducaton hebben ... ik zal hem u geven; dien 
waeg ik er aen, en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." 



1) „Scripsit ad me Trajeeto Jacobus Petitius . . . volare per marras multorum 
nostras Institutiones Juris Batavici; in exquirendo eius plagii fonte ... se tibi 
adiutorem fore . . . etc." Cf. hierover: R. Frtjin, Hugo de Groot's Inleidinge tot 
de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In 
denzelfden bundel (p. 272) maakt Fruin melding van een soortgelijk geval ruim 
honderd jaar vroeger aan Erasinus overkomen. In het voorbericht van zijn De 
contemptu mundi schreef deze: „Typographi palam minitabantur sese edituros, 
nisi ederem ipse." 

2) Scheurleer t. a. p. p. 85. y 



30 



Poot moest, naar hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en 
nam dus ook maar den dukaton in ontvangst, die hem echter tot 
zijne verontwaardiging „aen veelerlei soort van ander geit" werd 
uitgeteld 1 ). 

"Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht 
der schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat 
van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde 
categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar bloot- 
stonden hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, 
dit recht uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde : „dat van nu 
voortaan niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige 
Boeken, op den naem van Professoren of andere Leedemaaten van 
onse Universiteyt te Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn ge- 
weest, als haare Schriften, Lessen &c. onder wat titul het soude 
mogen weesen, tenzij hij alvoorens daar toe sal hebben verkreegen 
het schriftelyk Consent van deselve, of van haare Erfgenaa- 
men . . ." etc. 2 ). , . 

"Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel 
het recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht ; en dat men met 
dit placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde, 
kan blijken uit de overweging: 

„Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van 
Boeken op den naam van Professoren en andere Leedematen van 
onse Universiteyt te Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten 
en abuisen in deselve Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel 
erroneuse en onwaare stellingen werden in het ligt gebragt, tot 
merkelijke klein agting van deselve Professooren en andere, en haare 
goeden naam, soo buiten als binnen 's Lands, ook tot groot nadeel 
der goede "Weetenschappen . . . etc." 

Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der 
Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag 
of dit recht ook in het algemeen voor eiken schrijver of redenaar 
werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval 



1) Gedichten van Hubeet Koenelisz. Poot, 2de druk 1724, bij Keinier 
Boitét te Delf, „Berecht aen den Lezer." 

2) Res. St. van Holland 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te vinden in: 
Kerkelijk Placaatboek II pp. 522 sqq. 



31 



was en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën 
niet is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar 
als een uitzonderingsmaatregel. 

Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals 
bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den 
auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest. 

Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen: 

„De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen 
naem winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in 
boecken, in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten 
bij anderen gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den 
tytel van Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele 
dichten, daer ick zoo weinigh kennis en schuit aen hebbe, als het 
kint dat noch te baeren staet" 

Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets te 
beginnen; Vondel moet het zelf constateeren : „Tegens deze onge- 
schicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan 
mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus 
Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin, 
meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting 
schijnt te zijn gekomen: „Ego semel et serio testor, audite qui in 
Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et 
me volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, 
vobis fucum" 2 ). 

In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in 
vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkenden 
geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in 
het midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den 
nadruk, ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden 3 ). Engeland 



1) J. v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem, gestelt 
voor den Hollantschen Parnas. {De werken van Vondel in verband gebracht met 
zijn leven door mr. J. V. Lennep IX p. 143.) 

2) Medegedeeld door dr. Heemann Oetloff, Das Autor- und Verlagsrecht 
als strafrechtlich zu schützendes Recht. Jahrbücher für die Dogmatik V p. 295. 

3) Zie hierover en over de ontwikkeling van het begrip „geestelijke eigendom" 
in Duitschland : „Die Idee des geistigen Mgenthums* door dr. J. Kohlee in 
Archiv für die civilistische Praxis, Band 82 pp. 166 sqq. Men zie ook: Paux 



82 



had reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, 
waar het privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won 
toch in den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom 
meer en meer veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toe- 
passing 1 ). 

Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en 
toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze 
boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel 
bestond van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. 
De groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere 
landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in 
hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven, 
hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien 
waren de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer 
gezocht ; de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Bleau en anderen 
waren door geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer 
in, hunne geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt. 

'„De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, 
zig verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manu- 
scripten uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche 
drukken nadrukten ; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" 2 ). 

De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden 
zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk 3 ) enkele uitlatingen van 
Voltaire over de Nederlandsche uitgevers : „ ... een amsterdamsch 
boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een 
millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." 
„De hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat 
de Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat 



Labotjlaye, Etude sur le droit de propriété littéraire en Allemagne. Paris 1855 
pp. 9 aqq. 

1) O.a. in een bekend arrest van het Conseil du roi van 14 Sept. 1761, 
waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht op de werken van 
hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.: mr. J. Heemskerk, 
Voordragten over den eigendom van voortbrengselen van den geest. Haarlem 
1856 p. 53. 

2) Hollands Bykdom door mr. Elias Lüzac (de Nederl. vertaling, Leiden 
1781) II p. 530. 

3) T. a. p. p. 529. 



38 



sterk uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne 
beweringen. 

Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken 
van vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt 1 ). 

Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten 
in het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen 
waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers 
als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk 
betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs. 

De „schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend, 
mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven 
zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf, vooral 
in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat men 
daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan 
valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van 
hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar 
voor de drukkers en uitgevers was. 

Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk 
kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens 
meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf 
men in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding 
een aantal „loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium 
een aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel 
aan den geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 Novem- 
ber 1586, leest men o. a. : „My dunckt, so veele als ick in onzen tyt 
bevonden hebbe, so hebben de aucteuren selden geit van haer boeken, 
want meest wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel 
gemeynlijcken wat exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock 
wachten se gemeynlijcken wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis 
aut patroni liberalitate, die dicwils ende oock meest (geloove ick) 
hem mist. Ick hebber oock by geweest dat Plantyn 100 daelders toe 
creech van den aucteur, om dat hy syn boeck drucken soude willen .... 
Plantyn heeft nu corts noch een boexken aengenomen, daer hy 200 
gulden toe sal hebben" 2 ). De waarheid dezer mededeelingen omtrent 
Plantijn vindt men bevestigd door Max Rooses in diens bekende werk 



1) SCHEXJKLEEK t. a. p. p. 75. 

2) Te vinden in: Fkuxn, Verspreide Geschriften VII p. 401. 



3 



34 

over den Antwerpschen drukker en uitgever. Daar worden nog vele 
voorbeelden genoemd van schrijvers, die een som gelds toe moesten 
betalen, waarvoor zij dan meestal een aantal exemplaren van het 
werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de auteurs niets te betalen, 
maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan sommige gaf Plantijn 
een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele gevallen gaf hij eene 
renumeratie in geld *). 

In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs 
waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met 
hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te 
verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria 
van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 
1624 o. a.: „Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het 
drucken van"u. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter 
wel profyt mede te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten 
drucken, maer het kompt altemael aen op het distribuweeren ende 
datter qualyck geldt wt de bouckverkoopers handen te crigen is" 2 ). 
In een volgend schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd 
exemplaren van den uitgever voor zich te bedingen 8 ). 

De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der 
Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de 
toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever: 

„En vloeit er wat gewins uit hunne rymery, 
't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen 
Der loozer druckeren en hunner metgezellen; 
De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt." 

De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten 
soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten 
te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas, 
of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. 
Een eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. 



1) Max Kooses, Christophe Plantin, Imprimeur Anversois, 2™° ed. Anvers 
1890, pp. 228 sqq. 

2) Brieven van Maria van Reigersbergh, uitg. door mr. H. Vollenhoven en 
dr. G. D. J. Schotel. Middelburg 1857 p. 35. 

3) T. a. p. p. 42. 



35 



Kalff mede: de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een 
twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze „lyefhebbers 
van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks 
12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de ver- 
plichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten 
voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde. 

Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit 
het begin der achttiende eeuw : Hubert Korneliszoon Poot kreeg voor 
de eerste uitgave zijner gedichten — en dat nog niet zonder moeite — 
zes exemplaren van zijn werk en een „Grootmediaen Bybel"/ van 
den uitgever. Later verweet deze uitgever hem „dat er langer geen 
gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk 
gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter, 
dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan 
„de arme waerde van twee zilvere dukatons". 

Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende 
landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk 
weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten 
de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en 
merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave 
van Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen 
het licht zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de vol- 
gende landen: Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Neder- 
landen, Brabant, Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V 
er een privilegie voor verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe 
van excommunicatie werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel 
na te drukken of te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. 
Voor de inwoners der kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een 
boete van 2000 gouden dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte 
exemplaren 2 ). 

Bodel Nyenhuis 3 ) maakt melding van een octrooi, door den Fran- 
schen koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Pranciscus 



1) In: Amsterdam in de XVIJde eeuw, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar ook het 
bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld. 

2) Cf. Max Rooses, Christophe Plantin, imprimeur Anversois, 2me e d. p. 133. 

3) T. a. p. p. 27 noot 2. 



36 

Raphelengius voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een 
werk, dat ook in Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld 
is de reeds genoemde uitgave van de Annales van Hugo G-rotius, voorzien 
van privilegiën van de Staten-Generaal, de Staten van Holland en 
keizer Ferdinand HL Ook blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescher- 
ming in verschillende landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 
10 Sept. 1609 1 ) : „Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor 
den tyt, dat hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van 
Vrankryk ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde 
Vereenichde Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout, . . . etc." 

Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, 
om de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier 
in te roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 
1703 wordt melding gemaakt van „een missive van den Heere Chur- 
furst van de Palfcz", waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche 
professor Johannes Andreas Eysenmenger een boek had geschreven 
genaamd Het ontdeckte Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt : 
„dat Haer Ho: Mog: geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige 
ordre te stellen, en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het 
nadrucken van het voors. werck, als oock het verkopen van dien, in 
derselver gebiedt en Landen mogte werden verboden". Een brief van 
gelijke strekking van den „Churfurst van Mentz", handelende over 
hetzelfde boek Het Jodendom ontdeckt werd eenige weken later in de 
vergadering besproken 2 ). 

In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk 
verzoek tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den 
Raadpensionaris in de vergadering der Staten van Holland van 20 
Nov. 1745 mededeeling gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, 
dat men in Holland „de Memoires van de Sociëteit der "Weetenschappen 
in sijne Majesteits Residentie geëtablisseert" zou rfadrukken en richtte 
zich tot de Staten „ . . . in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het 
verlangde verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet 
souden difhculteeren . . . etc." 3 ). 



1) Dodx V p. 15. 

2) Res. der Staten-Generaal 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook Ees. Staten 
v. Holl. 1703 p. 472. 

3) Bes. St. v. Holl. 20 Nov. 1745 pp. 937, 938. 



37 



"Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb 
ik niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar 
de Staten der Provinciën „om daer omtrent sodanige ordre te stellen, 
als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in 
de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o. m. besloten: 
„Dat de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden 
versoght, sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste 
voor het grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende 
hier te Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 
hieraan nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door 
hen zijn afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men 
toen reeds de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk 
ondervond. 

Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen, 
dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het 
nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwyls werden 
zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding 
tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen 
van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden. 

In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten 
van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij 
gaven er o.a. in te kennen: „ . . . dat niettegenstaande tot noch toe 
alle de origineele Pransche Drucken van les oeuvres de Molière, 
Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande 
met privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier 
vry en onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeck- 
verkoopers tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande 
uyt de Engelsche en andere Taaien met seer swaare kosten in de 
Fransche Taaie overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar 
Privilegie te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der 
origineele Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het 
voorrecht, dat sy hier te Lande genooten . . . Dat dewyl nu de Sup- 
plianten sich (onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van 
Vranckrijck in het verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest 
was, om het vertier der Hollandtsche Drucken te verbieden . . . 
versoeckende derhalven, dat de saake ter Generaliteyt daar heenen 
moghte werden gedirigeert, om aan het Hof van Vranckrijck te 
vertoonen het ongelijck, het geen de onderdaanen van deesen Staat 



38 



door de interpretatie van de voorgewende Privilegiën aangedaan 
wierdt . . . etc." 1 ). 

Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in 
overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag 
de Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden ; tenminste 
in 1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, 
te examineeren „ . . . of eenige andere, en beetere, ordre soude 
konnen worden uitgedagt omtrent het nadrukken van Boeken, die 
buiten 's Lands gedrukt mogten zijn" 2 ) Met dezelfde kwestie had 
waarschijnlijk ook te maken de mededeeling van den Raadpensionaris 
in de vergadering van 5 October 1735: „ ... dat aan hem is voor- 
gekoomen, dat in de Octroien, welke van tyd tot tyd door haar 
Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken van Boeken, 
geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven om het 
debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer difficil 
te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in deese 
provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen 
„of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en 
behooren gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude 
konnen werden gedaan tot beneflcieering van de Drukkerye en Boek- 
negotie in deese Landen" 3 ). Men ziet uit deze laatste toevoeging 
weer een bewijs van de groote zorg, die de Staten voor .Drukkerye 
en Boeknegotie" aan den dag legden. 

In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland 
voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt 
uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt 
geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende 
clausule voor : „ ... des dat door het verleenen van het selve Octroi 
niemand sal worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen 
Druk van het voorschreeven Werk . . ." *) en in een van het daarop- 
volgend jaar: „.. .doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat 
de origineele Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt inge- 
voerd, uitgegeven of verkocht" 5 ). Hieruit blijkt, dat men de billijk- 

1) Bes. Staten v. Holl. 18 Maart 1722 pp. 131, 132. 

2) Bes. St. v. Holl. 17 Aug. 1730 p. 718. 

3) Bes. St. v. Holl. 5 Oct. 1735 p. 572. 

4) Bes. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191, 192. 

5) Bes. St. v. Holl. 17 Dec. 1738 p. 704. 



39 



heid tegenover buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog 
verloor, al kunnen wij volgens de thans geldende begrippen, hierin 
niet - zooals in het bovengenoemd request wordt gedaan - een 
voorrecht" voor hen zien. Het enkele feit, dat voor nadrukken pri- 
vilegiën werden verleend, bewijst dat men nog ver afstond van eene 
internationale bescherming. 

Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Neder- 
lander het denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van 
verschillende staten, om door algemeene voorschriften den nadruk 
te weren. Verschillende schrijvers maken er n.1. melding van, dat op 
het Vredescongres te Aken in 1748 door een Nederlandschen boek- 
handelaar een voorstel tot bestrijding van den nadruk werd aange- 
boden met het verzoek, dat alle vertegenwoordigde Staten dit zouden 
aannemen en het daartoe in het vredesverdrag zou worden opge- 
nomen. Van dit, voor de geschiedenis van het internationale auteurs- 
recht voorzeker zeer belangrijke, voorstel is het mij, ondanks enkele 
nasporingen, niet gelukt meerdere bijzonderheden te weten te komen l ). 
Dat het niet tot uitvoering is gekomen, behoeft nauwelijks te worden 
vermeld; waarschijnlijk heeft het zelfs bij geen der Akensche gedele- 
geerden een punt van ernstige overweging uitgemaakt. 

§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het 
einde der achttiende eeuw tot dezen tijd 

Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de pro- 
vincie Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal 
Bestuur van dit gewest eene Publicatie ") uit, waarvan het eerste 
artikel luidde: 



1) Ik doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der Nederlandsche 
gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder en die tusschen den 
Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den griffier Fagel, berustende in het 
Rijksarchief te 's Gravenhage (Legatie-archief nos. 85, 86, 87). De oudste bron, 
die ik ervoor genoemd vond, is: Pütter, Der Büchernachdruck, Gottmgen 
1774 p. 117. 

2) De tekst is te vinden in : Decreeten van de vergadering van het p-ovmciaai 
bestuur van Holland, 6 Dec. 1796-6 Jan. 1797 p. 21. Ook hij VAN DEN 
Velden t. a. p. p. 294. 



40 



„Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken 
en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, 
als strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens 
welke ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van 
zijnen regtmatigen eigendom." 

In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de 
provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht 
had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken 
en uit te geven. 

Men erkende dus een „eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oor- 
sprong vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze 
laatsten, maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, 
zooals o. a. door Mr. de Ridder wordt opgemerkt 1 ), in de gevolgen 
voor de auteurs vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract 
tegen eventueele willekeur der uitgevers konden beveiligen, er 
blijkt toch uit, dat al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, 
dat er aan ten grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de 
schrijvers wordt in de geheele publicatie niet gesproken. 

Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne 
1 erfgenamen over en was — in overeenstemming met den naam „eigen- 
domsregt" dien men er aan gaf — eeuwigdurend (art. 2) ; er behoorde 
ook toe de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van 
het geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie 
alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming, 
die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen. 

Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie 
nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende waren. 
Nadruk van in het buitenland (d. i. buiten de provincie Holland) 
uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs 
alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken 
beschermd (art. 5). De „regtmatige eigendom" van vreemdelingen 
werd dus niet geëerbiedigd ; de Hollandsche uitgever, die er zich het 
eerst van meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold 
voor de uitgave eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). 
De uitgever behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens 
met de uitgave, den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds 



1) T. a. p. 47 noot 1. 



41 



het voornemen om dat te doen verschafte, mits behoorlijk in de 
nieuwsbladen geadverteerd, een „regt van praeferentie", waardoor 
anderen verhinderd werden van dezelfde kopie gebruik te maken 
(art. 7). 

Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijd- 
wijzers waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); 
van staatsstukken, „welke als den eigendom van het Volk van Holland 
moeten worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het 
kopierecht aan zich (art. 9). 

De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, 
was de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Bepubliek 
van 3 Juli 1803 1 ). Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog 
hoofdzaak; er werd nu echter ook van de „opstellers" der boeken 
gesproken, die in de publicatie van het provinciaal Bestuur van 
Holland niet eens waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan 
ieder, die „in de Bataafsche Eepubliek een oorspronkelijk werk uit- 
geeft, waarvan hij het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij 
of bezit, omdat hij zelf daarvan de opsteller is, of om niet, of voor 
geld, of op eene andere, mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2). 

Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben 
gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren 
aangewezen — zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet — „de 
auteur en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen 
in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk 
product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, 
en zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijk- 
baar nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die 
het Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het 
Wetgevend Lichaam deed toekomen 2 ). Daarin wordt als doel van 
de wet, naast bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst 
wordt gesproken, nog genoemd: 

„1°. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons 



1) De wet is in haar geheel afgedrukt bij van den Velden t. a. p. pp. 
308 sqq. en de RrDDER t. a. p. pp. 266 sqq. 

2) Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het Staatsbewind 
der Bataafsche Eepubliek bij missive van 10 Januarij 1803 aan het wetgevend 
Ligchaam van het Bataaf sch Gemeenebest. Te vinden bij Bodel Nyenhuis t. a. p. 
pp. 353 sqq. 



42 



Vaderland en 2°. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke 
Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt ver- 
eischt wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." 
Over de schrijvers wordt geen woord gezegd. 

De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van 
praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch 
werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever 
zich dus geheel buiten den auteur om. In de „Consideransen" wordt 
het aldus gemotiveerd : „het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig 
een" (nl. de uitgever der vertaling) „moet gehouden worden, de 
daartoe benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben 
besteed en uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door 
het debiet van zijn werk, zich zeiven schadeloos te stellen, en zoo 
mogelijk winst te doen . . . etc." 

Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd 
het recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet 
omdat men er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen 
schrijver of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene 
erdoor op onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorge- 
trokken. De bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus 
niet overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel 
gelijk. 

De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na 
de inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op 
het gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig 
door de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te 
vinden in de Décret-Loi des 19—24 Juület 1793. Deze wet, die nu 
nog, hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aan- 
gevuld, in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de 
auteurs van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: „compo- 
siteurs de musique" en aan : „peintres et dessinateurs qui feront 
graver des tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het 
auteursrecht nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2). 

Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir 
verklaard Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de 
weduwe van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot 
twintig jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden 
genieten. 



43 



De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor 
het eerst werden ingevoerd, n.1. het toekennen van een 1°. in tijds- 
duur beperkt auteursrecht, en dat 2°. direct aan de auteurs, vindt 
men na dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug. 

De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden 
hier afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 
No. 1 (Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel 
en den eigendom van letterkundige werken. 

Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche 
censuur afschafte; uit det oogpunt van auteursrecht is het echter 
als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het 
een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan „ . . . elk 
die een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken 
uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins, 
wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld: 
„eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze 
landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche 
vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de 
uitgave der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam 
in de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven 
is medegedeeld, werd gemotiveerd. 

Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige 
aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever 
eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had te 
vervullen. 

Intusschen was in België - vreemd genoeg - bij Besluit van 
28 September 1814 (Journal Oföciel No. 54) het auteursrecht op 
geheel andere wijze, n.1. volgens de bovengenoemde Fransche be- 
ginselen, geregeld; vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor 
beide deelen van het koninkrijk gelijke regeling verlangend begon 
uit te zien. 

Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State 
aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs 
de resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer 
schijnen te hebben gediend *). 

Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn 



1) Men zie hierover : VAN den Velden t. a. p. pp. 83 sqq. 



44 



omgewerkt volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal 
ingediend, waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisse- 
ling, onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afge- 
kondigd onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staats- 
blad No. 5), de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte 
van het drukken en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden 
uitgeoefend. 

Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk 
gemeen te maken en te verkoopen werd verleend aan „diegenen, 
welke daarvan autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1). 

Vertalers van in het buitenland uitgekomen lettewerken kregen 
hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2) ; het recht van praeferentie 
echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, 
eene andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet 
voor 1 ). 

Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur 
of vertaler (art. 3). 

Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk 
op eene Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een 
Nederlandschen uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór 
of gelijktijdig met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het 
gemeentebestuur van de woonplaats des uitgevers (art. 6). 

Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wetaanmer- 
kelijken vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; 
met het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige 
eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook „kunst- 
werken" beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere 
beginselen gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, 
die tot het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en 
onvolledig. 

De uitdrukking „letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde 
producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen 
aanleiding tot twijfel 2 ) Werken van plastische beeldende kunst vielen 

1) Zie hierover ook de juiste uitspraak van de Arrondissements-Kegtbank te 
Amsterdam van 27 December 1843. In : Het Letterkundig Eigendomsregt in 
Nederland, wetten, traktaten, regtspraak enz. 's Gravenhage 1865 pp. 135 sqq. 

2) Cf.: Evertsen DE JONGE, Verhandeling over de regten van schrijvers en 
kunstenaars op hunne werken. Utrecht 1853 pp. 83 sqq. 



45 



buiten de .kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had op het 
drukken en uitgeven. De vraag of onder de „letterwerken" ook mon- 
delinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten ont- 
kennend beantwoord 1 ). 

Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en uit- 
voeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren 
wij dus — in tegenstelling met de meeste andere landen — nog 
even ver als in den tijd der privilegiën. 

Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving 
van het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke 
inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden 
van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als 
zoodanig strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 
10 _ 1000 gld., confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten Yoor- 
deele van den eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen 
aan dezen laatste van eene schadevergoeding, bedragende de waarde 
van 2000 exemplaren van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit 
bedrag overtrof natuurlijk in de meeste gevallen verre dat dei- 
werkelijk geleden schade, zoodat de oorspronkelijke uitgever op deze 
wijze niet alleen werd schadeloos gesteld, maar nog een aanzienlijke 
winst kon maken. Aan den anderen kant was hij, op wiens recht in- 
breuk werd gemaakt, weer te beperkt in zijne rechtsmiddelen; de bedoel- 
de schadevergoeding kon alleen verkregen worden, wanneer tegen 
den nadrukker eene strafvervolging was ingesteld en zoolang deze 
niet tot een veroordeelend vonnis had geleid, bestond er voor den 
rechthebbende op het kopierecht geen middel, om het verspreiden, ver- 
koopen en invoeren van nagedrukte exemplaren tegen te gaan. De 
regeling van art. 4 was bovendien op vele punten onvolledig ; er stond 
bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding berekend moest worden, 
wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold of een werk, waarvan 
verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete betreft, deze moest 
strekken „ten behoeve van de algemeene armen van de woonplaats 
des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio moeilijk is te 



2) 0.a. door: Eveetsen de Jonge t. a. p. pp. 168 sqq., de Riddee t. a. p. 
p. 125, mr. J. Heemskerk t. a. p. p. 56 en in een arrest van den Hoogen 
Raad van 22 Mei 1850 (Weékbl. v. h. Recht no. 1136). 



46 

vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval, dat de na- 
drukker een vreemdeling was. 

In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, 
anonieme en posthume werken, evenmin voor werken, die door de 
samenwerking van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, 
met het oog op de berekening van den duur van het recht volgens 
art 3 (20 jaar na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. 
De* toepassing van laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij 
werken, waarvan geen natuurlijk persoon auteur is, maar die van- 
wege een of ander genootschap of den Staat zijn uitgegeven. 

Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf he 
Koninklijk Besluü van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbn het 
drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve 
van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten 
behoeve van de landsdrukkerij werd voorbehouden of „bij speciale 
vergunningen of octroijen" aan particulieren werd afgestaan. 

Dit K B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek geweest. 
Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd hier een 
kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning de 
bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel 
met de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te 

Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 
had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van 
geen kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den 
Staat niet kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) 
het besluit van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij 
het uitgeven van bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd 
voorbehouden of aan particulieren verleend, ingetrokken 2 ). 



2 Men zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tie ^ van 13 Febr. 
1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840, alsmede de adviezen 
^rechtsgeleerden Mrs. Dn», Donkek Cmmus, W. C B Wintgens en 
S. P Lipman in: Eet Letterkundig Eigendomsregt in Nederland II pp. 73 sqq. 
Voorts een geschrift van mr. S. P. Lipman, Onderzoek ^ent de wM^ 
der koninklijke lesluUen van 2 en 30 Juli 1822 en 18 Jum 1829. Cf. ook- 
B. K. VAN Hogendorp, Bijdragen tot de Euishouding van Staat, Me uiig. 
VIII pp. 282, 283. 



4? 



Later kwam de kwestie van het Staats-kopiereöht nog ■ter sprake 
bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36 
op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche 
Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van 
dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel m de schriftelijke 
gedachtewisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen 
vond de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaa 
verzet i); toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd 

in 1871 ingetrokken. 

De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij 
nog gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangs- 
bepalingen (waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van he 
al of niet voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens 
de vroegere Nederlandsche wetten was verkregen) *), deden zich al 
spoedig in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belang- 
hebbenden herhaaldelijk pogingen in het werden gesteld om tot eene 
betere regeling te komen. 

In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter 
vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie 
van toelichting aan de Regeering aangeboden •). Twee i-r later had 
de Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten- 

Generaal is ingediend. , . 

In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van 
de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere 

We in te he k t n fa e ar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ont- 
werp voor eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van 
toehchting aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden )^ 
Nadat over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende 



1) Het belangrijkste Hervan is medegedeeld in: Eet Letterkundig Eigendoms- 
regt in Nederland II pp. 138 sqq. Linden, 

2) Men zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs J. van der Linden^ 
m p Vil sr Hatx N Sinderam, S. A. E. Verbotïg en F. A. van Hall van 
fl i^m^ HTLeUerk. Eigendomsregt pp. 83 s qq . en een arrest van 
den Hoogen Raad van 10 December 1839 in W. v. h. B. no. 67. 

3) Zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 94 sqq. 

4) Cf. KrtjsemAN, Bouwstoffen enz. II pp. 578 sqq. 

5) Beiden te vinden in: Eet Letterk. Eigendomsregt pp. 247 sqq. 



■i 



48 

kunsten en bij de koninklijke Academie van "Wetenschappen adviezen 
waren ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ont- 
werp. Voor de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. J ) 
wordt erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, 
een ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o. a. uit 
overgenomen de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in 
plaats van de vage term „letter- en kunstwerken" van de wet van 
1817; voorts de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak 
is (art. 9) ; dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van 
werken, die uit bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. 
Boekh., art. 2 a Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne 
rechtverkrijgenden op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag 
kunnen leggen (artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77). 

Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. 
Nieuw was b.v. : het erkennen van een recht van op- en uitvoering 
voor muziek- en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer 
van kopierecht maar van auteursrecht gesproken) en het toekennen 
van auteursrecht voor mondelinge voordrachten (art. 1) ; de beperking 
van het uitsluitend recht om vertalingen van een werk uit te geven 
tot slechts 5 jaar na de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder 
voorwaarde, dat het recht uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de ver- 
taling binnen drie jaar verschijnt; (art. 5b en 15 2°); de berekening 
van den duur van het auteursrecht niet meer naar het tijdstip van 
overlijden des auteurs, maar naar dat van de eerste uitgave van het 
werk (art. 12); de bepaling dat de wet ook voor Nederlandsch Indië 
verbindend zou zijn (art. 28). 

Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 
plaats, nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Mini- 
sterie van zijn voorganger was overgenomen. 

In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 a ) werd het over het 
algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: 
het op- en uitvoeringsrecht, dat „velen leden" naast het kopie-recht 
overbodig voorkwam, terwijl „zeer vele leden" dit liever in eene 
afzonderlijke wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge 
voordrachten, dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere 



1) Hand. Staten-Gmeraal 1876—1877. Bijlage 202. 

2) Rand. Tweede Kamer der St.-Gen. 1877-1878. Bijlage 25. 



49 

niet dan onder zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur 
van het recht, die door de groote meerderheid te lang werden ge- 
vonden en die men ook niet voor alle gevallen voldoende geregeld 
vond. Ook tegen de voorgestelde wijze van handhaving van het 
auteursrecht werden bezwaren ingebracht: de meerderheid der leden 
wilden de strafrechtelijke vervolging der overtredingen afhankelijk 
zien gesteld van de klacht der belanghebbende partij ; enkelen wilden 
de straf-actie geheel zien verdwijnen. 

Voordat dit verslag door de Eegeering was beantwoord, had er 
wederom eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, 
die als minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp 
ter hand, dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van 
antwoord den 22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd 
toegezonden x ). 

Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het kopie- 
recht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten, 
werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd 
o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover ge- 
maakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van 
het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming 
betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk 
op het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn. 

Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp 
ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop 
anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2) ; 
de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7) ; 
uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de uitoefening 
van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10). 

Den lsten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in 
openbare behandeling z ). De algemeene beraadslagingen' Hepen voor- 
nam ehjk over den theoretischen grondslag en het karakter van het 
auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover naar aanleiding i 
van de opmerkingen van de heeren Schaepman en Oldenhuis Oratama 
in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den „intellectueelen 
eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der auteurs op be- 



1) Handel. Tweede Kamer 1880—1881. Bijlage 15. 

2) Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1627 sqq. 



4 



50 



scherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers, om het 
door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister noemde 
het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke, noch tot 
de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt moest 
worden onder de absolute vermogensrechten. 

Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats 
had 1 ), werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een 
amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn 
van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd 
verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der 
Kaay, om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van dooi- 
den druk gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, 
te doen verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteurs- 
recht de gewone, langere, termijn zou hebben gegolden. 

De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare 
inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren 
de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. 
Het wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen 
aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 
28sten Juni afgekondigd als : Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling 
van het Auteursrecht (Staatsblad No. 124). 

Deze wet, den lsten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog 
ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18—20, die de straf bepalingen 
inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Straf- 
recht naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 
349 bis, ter en quater zijn geworden. 

Zoowel in de M. v. T. als in de M. v, A. was door de Regeering 
verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de 
beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen 
daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke 
Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp 
van wet bij de Tweede Kamer ingediend 2 ). In de memorie van 
toelichting werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars 
bepleit, o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wet- 



1) Handel. Tweede Kamer 1880—1881 pp. 1637 sqq. 

2) Handel. Tweede Kamer 1883—1884. Bijlage 166. 



51 



gevingen en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 
28 Juni 1881 gehuldigd waren. 

Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle „werken der 
beeldende kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofd- 
zakelijk begrepen worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouw- 
kunst. Werken der bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming 
uitgesloten (art. 1). 

De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door 
dezelfde of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen 
weg. In art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend 
aan hem „die een werk van beeldende kunst, door een ander ver- 
vaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst 
of door eene mechanische bewerking namaakt". 

Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van 
overeenkomst; dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in 
de regeling van verschillende belangrijke onderdeelen zooals : de duur, 
de middelen van handhaving, verzamelwerken, karakter en eigen- 
schappen van het recht (art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke 
of analoge bepalingen. 

Daar het in de zitting 1883— 1884 niet in behandeling was gekomen, 
werd het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, 
ingediend. 

Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 !), luidde niet 
gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescher- 
ming niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze be- 
scherming op dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. 
Ook werd de vrees geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp 
een stap zou worden gedaan in de richting van wederinvoering der 
octrooien van uitvinding. 

Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende 
werd het ontwerp door de Begeering op sommige ondergeschikte 
punten gewijzigd (de woorden : der beeldende kunsten werden o. a. 
overal vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene 
memorie van toelichting ingediend 2 ). Onder meer werd hierin als 
grondbeginsel van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de 



1) Handel. Tweede Kamer 1884—1885. Bijlage 72 no. 3. 

2) Handel. Tweede Kamer 1884—1885. Bijlage 72 no. 4. 



52 

voortbrenger van een product des geestes het uitsluitend recht dient 
te hebben te bepalen of, wanneer en in welken vorm zijn voort- 
brengsel, dat aan het gevaar van nadruk of nabootsing blootstaat, 
openbaar zal worden gemaakt. 

Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit 
gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de ge- 
wisselde stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het 
daarna nog tweemaal (27 Juli 18/6 en 7 October 1877) bij de Tweede 
Kamer werd ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar 
eene regeling van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten 
het Parlement, meermalen is geuit x ), zijn de kunstenaars in ons 
land tot nu toe nog steeds onbeschermd gebleven. 

Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wet- 
geving in de materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze 
groote leemte, die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van be- 
palingen over wat in alle andere beschaafde landen als een belang- 
rijk onderdeel van het auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook 
afgezien hiervan, is de wet van 1881 verre van volmaakt en niet 
op de hoogte van den tijd; hetgeen niet behoeft te verwonderen als 
men bedenkt, dat zij nu reeds acht en twintig jaar onveranderd 
voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in een stadium van voort- 
durende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin deze ontwikkeling 
bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving zij aanleiding 
kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden nagegaan en 
behoeft hier dus niet te worden besproken. 

§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het 
internationaal auteursrecht 

In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, 
dat reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk 
— al was het dan bij uitzondering — zich over meerdere landen 
kon uitstrekken en dat zelfs in het midden der achttiende eeuw 



1) Men zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden vast dek Vlugt en 
Bos bij de behandeling van de begrooting van Justitie in 1904, Hand. Tweede 
Kamer 1904/05 pp. 831—833, 880. 



53 



eene poging is gedaan, hierover in een tusscheh verschillende staten 
gesloten tractaat bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten 
kunnen hoogstens gelden als voorboden van de internationale rege- 
ling, die zich in latere jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigen- 
lijke geschiedenis eerst in de negentiende eeuw aanvangt. 

In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats 
gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming 
verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar 
als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, 
dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij be- 
perkt bleef tot de grenzen van elk land. 

De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel 
gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het 
onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid 
en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het 
drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te 
doen geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uit- 
sluitend recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegen- 
woordigde dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken 
waren schatten te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige 
toeneming van het internationale verkeer en de groeiende beteekenis 
van de pers, die ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne 
producten in korten tijd over de geheele beschaafde wereld bekend 
waren, dan heeft men al genoeg factoren bijeen, die de opkomende 
behoefte aan internationale auteursbescherming in de eerste helft 
der negentiende eeuw verklaren. 

De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel, 
werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat 
alleen in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote 
huizen vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half 
millioen francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buiten- 
landsche boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad 
eenig denkbeeld geven 1 ). 

Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne 
alom bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door 



1) Eene uitvoerige beschrijving van den nadruk in België in die jaren vindt 
men bij: Kbuseman, Bouwstoffen enz. I pp. 526 sqq. 



54 



uitgevers en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest 
te lijden, zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral daar de 
internationale beweging tot bescherming der auteurs aanhangers 
vond en gaande werd gehouden. 

Om de bescherming van het auteursrecht internationaal temaken, 
stonden verschillende wegen open. 

Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepa- 
lingen opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder 
voorwaarde van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. 
Dit middel werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 
1852, hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen 
werken strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voor- 
beeld vond in andere landen — althans te dien tijde — niet de 
gewenschte navolging, zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier 
werken in Frankrijk gevaar liepen te worden nagedrukt, erdoor 
gebaat waren. Bovendien was eene volkomen gelijkstelling van 
vreemde auteurs met de Fransche er niet door verkregen ; het decreet 
werd doorgaans zoo geïnterpreteerd, dat er geen strafbare nadruk 
plaats had, wanneer de vreemde auteur niet in zijn eigen land 
beschermd was, daar het niet de bedoeling was geweest, hem in 
Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis niet bezat. Voorts had 
de bepaling alleen betrekking op nadruk, niet op de schending van 
uit- en opvoeringsrecht 1 ). 

Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de 
regeling van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze 
richting slaagde men beter. 

Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond 
begonnen onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche 
erkenning van het auteursrecht en 'in 1840 werd het eerste tractaat 
van dien aard gesloten tusschen twee landen van verschillende taal : 
Oostenrijk en Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navol- 
ging. Frankrijk sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje 
in 1853, met Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met 



1) Men zie hierover de uitspraken van het Tribunal civil de la Seine (28 Maart 
1884) en van het Cour de Cassation (25 Juli 1887) in Droit d' 'Auteur 1888 p. 
126 en 1889 pp. 8 sqq. en de meening van Dakras en Poutllet in hetzelfde 
tijdschrift 1902 p. 51. 



55 

Rusland in 1861, met Pruisen in 1862 en met' Oostenrijk in 1866. 
Ook zijn uit dien eersten tijd te vermelden de tractaten tusschen 
België en Nederland (1858); tusschen Duitschland en Zwitserland en 
Duitschland en Italië (1869) en tusschen Rusland en België (1862). 
Gestadig nam hun aantal in de volgende jaren toe, zoodat al spoedig 
niet alleen de meeste staten in Europa, maar ook enkele niet- 
Europeesche aan de internationale bescherming medewerkten. 

Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van 
het eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. 
Voor het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende 
rijken ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepas- 
selijk op internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten 
opzichte der systemen, die hierbij gevolgd werden 1 ). 

In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het 
land, waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die 
van het land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde 
stelsel de wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het 
auteursrecht werd gemaakt, óf - wat practisch op hetzelfde neer- 
komt — waar het proces daarover plaats had (dus: de lex fori). 
Deze stelsels werden om beurten, dan eens meer, dan eens minder 
streng doorgevoerd, soms in combinatie met elkander, in de ver- 
schillende tractaten toegepast. Dit moest natuurlijk in de practijk tot 
moeilijkheden aanleiding geven. 

Di sommige gevallen, moest de rechter het — dikwijls ingewik- 
kelde — vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als gevolg 
van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer rechten 
kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene moeizame 
vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van zijn 
eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te kunnen 
toepassen. 

Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te 
weten te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende 
landen waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht 
en voor het uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wet- 
gevingen óf in de daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen 



1) Cf. hierover o.a.: de Martens, Traité de Droit international (traduit du 
Busse par Alfred Léo), Paris 1886 II pp. 222 sqq. 



56 



golden. Bovendien hadden zij soms nog, om in andere landen de 
internationale bescherming te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten 
te vervullen, naast degenen die hun eigen wet voorschreef. 

Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van be- 
langhebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer een- 
vormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken, 
o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in 
1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 
1877; ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de 
Börsenverein der deutschen Buchhdndler te Leipzig en werd het 
vraagstuk besproken op het in 1876 te Bremen gehouden congres 
van de Association for the codification and reform of the law of 
nations. 

Toen in 1878 te Parijs tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers 
en kunstenaars uit de geheele wereld bijeen waren, werd daar opge- 
richt de Association littéraire internationale, voornamelijk met het 
doel, de beginselen der auteursbescherming in alle landen te doen 
doordringen en te verdedigen en aan verbetering van de internationale 
regeling mede te werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Asso- 
ciation littéraire et artislique internationale, heeft tot verwezenlijking 
van de door velen gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op 
haar congres te Rome in 1882 werd besloten, dat op eene door haar 
te beleggen conferentie een plan zou worden uitgewerkt tot stichting 
van eene internationale Unie tot bescherming van het auteursrecht. 
Deze conferentie had plaats te Bern van 10 tot 13 September 1883, 
onder voorzitterschap van het door den Zwitserschen Bondsraad afge- 
vaardigde lid Numa Droz. Een ontwerp van tien artiken kwam tot 
stand, dat aan den Zwitserschen Bondsraad werd aangeboden, om 
tot basis te dienen voor een door dit Lichaam uit te werken concept- 
verdrag, dat aan het oordeel van eene diplomatieke conferentie zou 
worden onderworpen. 

De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te 
Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der 
Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was 
door tw aalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden, 
zonder afgevaardigden te sturen, hui^ne instemming met het beoogde 
doel betuigd. 

Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen, 



57 



die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen 
op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter 
zijde gesteld x ), hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken 
van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat 
van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der 
verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene 
zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens het 
oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de 
toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst 
en. letterkunde zouden kunnen verleenen 2 ), gaf de Conferentie nog 
als resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij 
niet in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op 
eene vroeg of laat in te voeren algemeene codificatie van het 
auteursrecht, in den vorm van „wenschen" onder de aandacht van 
alle landsregeeringen wilde brengen, nl. : 

1°. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen 
bescherming moest duren gedurende hun leven en minstens dertig 
jaar na hun dood. 

2°. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling 
van het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk s ). 

De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door 
de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van 
de verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd 
verzocht, aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samen- 
komst hierover definitieve instructies mede te geven. 

Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa 
Droz te Bern plaats (7—18 September 1885). Ditmaal waren zestien 
landen vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat 
over en weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve 
tekst voor het te sluiten verdrag tot stand. 

Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie 
te Bern (6—9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging 
van enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aange- 



1) Actes de la Conférence internationale pour la protection des droits d'auteur, 
Berne 1884 pp. 28, 29. 

2) Actes p. 77. 

3) Actes p. 89. 



58 



nomen en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, 
nl. van: België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia, 
Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de 
ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van het 
Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de 
Conventie in werking. 

De Convention concernant la création d'une Union internationale pour 
la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te lande algemeen 
bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in achttien 
artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel, regelende 
de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen, en een 
Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige artikelen 
nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, geeft de 
Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht, doch laat 
zij de internationale bescherming in de meeste gevallen afhangen 
van de wetgevingen der aangesloten landen. 

Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk 
van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend ver- 
talingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de toegetreden 
landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien jaar na 
de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling had 
men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar van 
ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling werd 
aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het oorspron- 
kelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was, dat een 
vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een reden 
zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden x ). Met den gekozen 
termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide partijen 
zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een langer ver- 
talingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij afzonderhjk 
tractaat vast te stellen. 

De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. 
In art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden 
opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering 



1) Men zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, Actes pp. 47 sqq. en de 
verklaringen van den Zweedschen en den Franschen afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32. 



59 



zou staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slot- 
protocol (no. 5) werden geregeld. 

Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve 
regeling bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de 
verschillende wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat 
zou zijn de grenzen der bescherming verder uit te strekken; het 
was bovendien te voorzien, dat deze eerste algemeene regeling ge- 
breken en leemten bevatte, die duidelijker aan het licht zouden 
komen, wanneer zij eenigen tijd in werking zou zijn geweest. Er 
waren dus in de toekomst herzieningen te verwachten en men achtte 
het wenschelijk, hierover in de Conventie enkele bepalingen op te 
nemen. Art. 17 bepaalde, dat deze herzieningen zouden worden be- 
sproken op Conferentiën, achtereenvolgens in de verschillende aange- 
sloten landen te houden, terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling 
inhield, dat de eerste Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen 
vier tot zes jaar na de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn 
laatst in December 1893. 

Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeen- 
roeping was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden 
genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de 
Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam. 

Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier 
was vermeerderd, n. 1. Luxemburg, Monaco, Montenegro *) en Noor- 
wegen) waren ook die nog geen deer uitmaakten van het Verbond, 
door de Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegen- 
woordigen, aan welke uitnoodiging er niet minder dan veertien 
gehoor hadden gegeven. 

Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de 
Fransche Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een 
programma van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig ge- 
rangschikte opgave van de verschillende wenschen, die door vereeni- 
gingen van letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen 
in de laatste jaren 'op congressen en vergaderingen waren geuit, 
aan de Regeeringen der verschillende landen was toegezonden 2 ). 



1) Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden. 

2) De tekst dezer stukken is te vinden in: Actes de la Conférence de Paris 
1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq. 



* SS* 



60 

Doch ondanks alle daarvoor gedane moeite is men er te Parijs niet 
in kunnen slagen, in het oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag 
wijzigingen aan te brengen, daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voor- 
geschreven eenstemmigheid niet kon worden verkregen. Op het 
voorstel der Commissie *) werden nu de resultaten der Conferentie 
in twee afzonderlijke acten neergelegd, die het eiken staat vrij zou 
staan al of niet te aanvaarden, n.1. : 

Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5, 
7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en 

Eene „Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van 
enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Addition- 
neele Acte. 

Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 
1 Mei 1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een 
der officieele stukken opgenomen zijn 2 ). 

De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen, 
de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de 
later toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de 
Berner Conventie de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden 
alleen de Verklaring, niet de Additionneele Acte. 

De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, 
die ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben 
willen toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met 
het auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voor- 
waarde echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave 
van zijn werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III). 

Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede 
dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming tot 
stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft 
begrijpelijkerwijze het resultaat vsn de Conferentie van Parijs geen 
aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie 
was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan 
en de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel 
hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit: 



1) Cf. het door Renault opgestelde rapport van de werkzaamheden der 
Commissie, Actes p. 179. 

2) Te vinden: Actes p. 229. 



61 



„dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de 
aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" x ). 

Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als 
tijd van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de 
Conferentie van Parijs 2 ). Doch ook nu bleek men den termijn te kort 
gesteld te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de 
Berlijnsche Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen. 

Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend, 
dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot), 
waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger 
gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berhjn 
zou worden besloten 3 ). Bovendien waren er vertegenwoordigers van 
negentien niet-aangesloten landen. 

De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche 
Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. 
Op een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld *) en een 
ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd, waarin 
deze wijzigingen waren opgenomen s ). Bovendien was nog van de 
Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de reproductie 
door middel van photographie en kinematograaf en een voorstel van 
de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling in en uit het 
Japansch volkomen vrij te laten 6 ). Naast deze officieele herzienings- 
voorstellen, die met de daarbij gevoegde memoriën van toelichting 
als het ware de schriftelijke inleiding vormden voor de beraadslagingen 
te Berlijn, waren ook nu weer door verschillende vereenigingen en 
congressen wenschen uitgesproken en wijzigingsvoorstellen geformu- 
leerd. De onvermoeide Association had op haar congres in Augustus 1907 
te Neuchatel gehouden, een volledig herzieningsontwerp samengesteld, 
dat met eene memorie van toelichting aan de Regeeringen van 
alle Verbondslanden was toegezonden 7 ). Ook van de wenschen van 
andere genootschappen hadden de verschillende Regeeringen zich 


1) Actes p. 229. 

2) Actes p. 146. 

3) Actes de la Conférence de Berlin de 1908 p. 153. 

4) Actes pp. 37 sqq. 

5) Actes pp. 71 sqq. 

6) Actes pp. 77 en 78. 

7) Men zie: D. A. 1907 pp. 113 sqq. 



62 



op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom, evenals in 1896, 
door de zorgen van het internationale Bureau te Bern eene ver- 
zameling was verschenen 1 ). 

Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig 
den op de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen 
tekst der Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aan- 
gesloten staten zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te 
voorspellen. En hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch 
ook niet volkomen in vervulling mogen gaan. Wél werd tenslotte 
een herzieningsontwerp aangenomen, dat bestemd is alle vroeger 
gemaakte bepalingen (dus zoowel die van Bern als Parijs) te ver- 
vangen, doch voorgoed afgeschaft waren deze laatsten daarmede 
nog niet. Ten behoeve van sommige Verbondslanden, die zich niet 
met alle aangenomen hervormingen konden vereenigen, en vooral 
ook om den staten, die nog geen deel van het Verbond uit- 
maken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken, werd nl. in de 
nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat bij de be- 
krachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde punten 
nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft 
daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Confe- 
rentie tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer 
is een bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie 2 ), daar het 
immers iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, 
welke hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan 
blijven. 

De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn 
intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is 
volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van 
het auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn 
vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën, 
werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de be- 
schermde producten opgenomen en op verschillende belangrijke 



1) Tableau des voeux émis par divers congrès et assemblees en vue du dévelop- 
pement de la protection des oeuvres littérair es et artistiqu.es, deuxième série 
1896—1907. Berne 1908. Ook te vinden: Actes pp. 79 sqq. 

2) Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la propriété 
littéraire et artistique, Revue des deux mondes 15 Dec. 1908 p. 905. 



63 



onderdeelen, als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uit- 
voeringsrecht van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door 
middel van muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de 
grenzen der auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper 
getrokken. Groote verbetering is ook gebracht in de stelselmatige 
volgorde der artikelen en in de redactie van sommige bepalingen, 
die in de vroegere stukken wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid 
te wenschen overliet. 

Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering 
van al deze hervormingen slechts mogelvjk gemaakt; of ze werkelijk 
ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschil- 
lende staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige 
der nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid 
der nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe 
Conventie in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; 
het staat echter vast dat allen hiertoe niet — tenminste niet binnen 
kort — zullen overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft 
natuurlijk de oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Addi- 
tionneel Artikel en Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele 
Acte en „Verklaring") nog bestaan. 

Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er in 
de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht in den 
toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene herzie- 
nings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten, die nog 
op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven, 
hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden 
en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder 
zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit 
neemt natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de 
toekomst noodig blijven ; men heeft daarom te Berlijn voor de eerst- 
volgende tijd en plaats weer vastgesteld : zij zal gehouden worden te 
Rome, op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918. 

Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van 
nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervor- 
mingen der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elk- 
ander nog zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, 
kan van versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn. 

Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare 



64 

pogingen om in deze richting verbetering te brengen, komen mij 
belangrijk genoeg voor om hier te worden vermeld. 

Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen 
waren besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de 
wetgevingen van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te 
brengen, heeft eene Commissie uit haar midden zich daarna bezig- 
gehouden met het opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) 
met deze beginselen tot grondslag. Dit ontwerp maakte op de vol- 
gende congressen herhaaldelijk het onderwerp van belangrijke bespre- 
kingen uit en werd in den loop der jaren ook op enkele punten 
gewijzigd. Op het Congres te Parijs in 1900 heeft de heer Georges 
Maillard, die een belangrijk aandeel in deze werkzaamheden heeft 
genomen, doel en strekking hiervan nog eens uiteengezet x ). Hij 
heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp niet moet beschouwd 
worden als eene model-wet in dien zin, dat het, theoretisch ge- 
sproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers hebben 
slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een geheel 
te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers der 
beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen kunnen 
worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de 
Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen 
op hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, 
dat de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder 
wil gaan); doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten 
bereikbaar acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp 
betreft : het is niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de 
tekst woord voor woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. 
Slechts de beginselen worden er in geregeld; waar men de beslissing 
van sommige punten liever niet aan den rechter overlaat (hierbij 
dacht men zeker vooral aan Duitschland), zullen de meeste bepalingen 
nog aanvulling behoeven. Het geheele ontwerp bestaat dan ook 
slechts uit zestien artikelen. 

Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al 
is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in 
zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet 
worden onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestu- 



1) Droit d' Auteur 1900 pp. 98 sqq. 



65 



deering door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de 
wenschen van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. 
auteurs) uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds 
slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat 
het voor de. wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere 
aandacht verdienen ^. In den loop van dit proefschrift zal ik nog 
verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te 
verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten 
tekst ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen 
te moeten opnemen. 

De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming van 
het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden geweest. 

In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten 
van tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te 
zullen blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaart- 
tractaat met Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige 
eigendom over en weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk 
tractaat zou dit nader regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 
29sten Maart 1855 2 ). Vijf jaar later werd er door eene Addüionneele 
Overeenkomst de bepaling aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland 
van bloemlezingen van Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor 
het onderwijs, geoorloofd zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd 
buiten werking te zijn geweest (krachtens de bepaling van art. 11 
derde lid), weer in werking gesteld door eene tusschen Nederlanden 
Frankrijk uitgewisselde Verklaring 3 ). Daarbij werd het tractaat ook 
toepasselijk verklaard in de wederzijdsche koloniën, terwijl de be- 
scherming tevens werd uitgebreid tot de muziekwerken. 

Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten 4 ), dat bijna 
gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk. 

1) Dit is ook ingezien door de Commissie, belast met de voorbereiding van 
eene nieuwe wet op het auteursrecht in Italië. D. A. 1907 p. 72. 

2) Het werd goedgekeurd door de Wet van 22 Juli 1855 (Staatsblad no. 101) 
en in het Staatsblad geplaatst bij E. B. van 22 Juli 1855 (Staatsblad no. 107). 

3) Men vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van de Ver- 
klaring resp. in: K. B. van 22 Mei 1860 (Staatsblad no. 19) en K. B. van 16 
Augustus 1855 (Staatsblad no. 176). 

4) Goedgekeurd door de Wet van 28 Dee. 1858 (Staatsblad no. 119); in het 
Staatsblad geplaatst door het K. B. van 4 Maart 1859 (Staatsblad no. 11). 

5 



66 



Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 1 ); dit 
werd echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na 
eerst nog enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn 
verlengd, den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld 2 ). 

Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel 
daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van 
Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een 
verdrag door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, 
daar de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer 
niet zou verwerven. 

De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land 
beperkt zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze be- 
scherming is nog binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten 
verhinderen alleen den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige 
werken (art. 1), dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, 
ook dien van muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt 
door deze tractaten in het geheel niet verleend. Het tractaat met 
België is in dit opzicht zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien 
van het Fransche zou men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 
wordt bepaald, dat het auteursrecht („het recht van eigendom of van 
kopij"), hetwelk de wet van het ééne land waarborgt of in het vervolg 
zal waarborgen, op het grondgebied van het andere land kan worden 
uitgeoefend „gedurende denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen 
als in dat andere land het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de 
schrijvers van de aldaar uitkomende werken van gelijken aard is 
toegekend". Deze rechten kunnen echter niet uitgebreider zijn dan die, 
welke de wetgeving van het land waartoe de schrijver of zijne recht- 
verkrijgenden behooren, toekent. Nu wordt in Frankrijk het uitsluitend 
vertalingsrecht weliswaar niet uitdrukkelijk in de wet erkend, doch 
wél bestaat in dat land eene vaste jurisprudentie, volgens welke 
onder de réproduction, die in strijd is met het auteursrecht, ook 



1) Goedgekeurd door de Wet van 27 Juni 1863 (Staatsblad no. 86); in het 
Staatsblad geplaatst door het K. B. van 9 Juli 1863 (Staatsblad no. 115). 

2) Staatscourant 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30 en 264. 
In het werkje van mr. Veegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche 
wetgeving, dat in 1895 uitkwam, wordt het tractaat met Spanje abusievelijk als 
nog van kracht zijnde behandeld, pp. 178 sqq. 



67 



moet verstaan worden reproductie in eene andere taal. 1 ). Feitelijk 
bestaat dus een uitsluitend vertalingsrecht volgens het Fransche 
recht en wel een van even langen duur als het auteursrecht op het 
oorspronkelijke werk. Men zou dus hieruit kunnen afleiden, dat volgens 
ons tractaat met Frankrijk de in dat land uitgekomen werken ook 
in Nederland tegen vertalingen zijn beschermd, voorzoover tenminste 
ook volgens Nederlandsch recht een vertalingsrecht zou bestaan, dus 
niet langer dan vijf jaar na de uitgave. Bij de beraadslagingen over 
het tractaat in ons parlement is echter door den minister vanbuiten- 
landsche zaken herhaaldelijk en met nadruk betoogd, dat het uitgeven 
van vertalingen van Fransche werken in ons land door het tractaat 
niet wordt verboden. Het, m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd 
aangevoerd, was dit, dat de Fransche Regeering, die eerst van de 
Nederlandsche de erkenning van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte 
te bedingen, later, toen hiertegen van onze zijde bedenkingen waren 
ingebracht, uitdrukkehjk verklaard heeft, dat zij van haar vroeger 
verlangen afzag. Als gevolg hiervan werd in het tractaat eene uit- 
drukkelijke bepaling ten aanzien van het voorbehoud van het ver- 
talingsrecht, die in tractaten, welke Frankrijk met andere landen 
had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen 2 ). Men mag het er 
dus voor houden, dat het tractaat het vertalen geheel vrijlaat en 
daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming, welke het verleent, 
in de practijk weinig beteekent. 

Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Pro- 
clamatie van 20 November 1899 van den President der Vereerngde 
Staten van Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu 
vervangen door die van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt 
toepassehjk verklaard. Het zou mij te ver voeren de betee- 
kenis hiervan volledig uiteen te zetten; het zij voldoende hierbij aan 
te stippen, dat de Nederlandsche auteurs als gevolg hiervan voor 
hunne hier te lande verschenen werken onder bepaalde voorwaarden 



1) Cf. : Droit d' Auteur 1895 pp. 50, 51. 

2) Men zie de: Memorie van Beantwoording van den minister vast Hall 
Bijlagen Tweede Kamer 1854-1855 p. 795; en zijne rede in de vergadering 
van 22 Juni 1855, Bijblad Tweede Kamer 1854—1855 p. 1012. Cf. ook: Bijblad 
Eei-ste Kamer 1854-1855 p. 1909 en Bijblad Tweede Kamer 1855-1859 pp. 
468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in : Het letterkundig eigendoms- 
regt in Nederland I pp. 67 sqq. 



68 



(o a die dat binnen een zekeren termijn eene nieuwe uitgave van 
het werk in de Vereenigde Staten verschijne) aldaar ^ beschermmg 
der wet genieten. Daar echter Nederland geenerlei verplichting daa - 
tegenover heeft op zich genomen, worden de onderdanen der Ve - 
eenigde Staten hier te lande, wat de erkenning van hun auteursrecht 
betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld als die van alle andere 
staten,' waarmede geen tractaten zijn gesloten. 

Dez Ifde oppositie, die zich hier te lande tegen het ^en van 
doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b.v. dat met Duitschland 
in 1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erken- 
ning van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uit- 
gekomen werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu 
toe niet bij de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste 
Conferentiën van Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel ver- 
tegenwoordigd, al door den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook 
het in 1885 'vastgestelde Ontwerp heeft onderteekend De bekrach- 
tiging van Nederland is echter uitgebleven. 

Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe 
was uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd. 

Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders van 
onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde der 
eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging 
gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast 
vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende mvloedrijke 
vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905) 
kwam de Vereniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam 
zich ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aan- 
sluiting »). In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der 
Vlugt die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door 
dezen afgevaardigde werd ingediend'), waarin aan de Regeering 



2 Men Z ie o.a. het Rapport der Commissie, benoemd dom- ^^f^ 
15 Februari 1905, om van voo-lichting en raad te dienen ™f' d <*"™ 
Conventie, aan de algemeene vergadering der Veree^ng van 
gehouden 5 Juni 1905. Opgenomen in het Nieuwsblad voor den Boekhandel 1905 
nos. 87, 88 en 89 en in de Kroniek 1905 nos 564, 565 en 566. 

3) Handel. Tweede Kamer 1905-1906 p. 1070. 



69 



werd verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk' de noodige stappen te 
doen, is echter nooit in behandeling gekomen. 

De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk 
is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk, van 
onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door afgevaar- 
digden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land is aldaar 
vertegenwoordigd geweest door : Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissen- 
kerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom, 
Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant, 
Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen 
en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts 
ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne 
tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder 
van Wissenkerke legde er namens de Neder landsche Regeering de 
verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te bevor- 
deren, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie af 
zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen *). De andere ter 
Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat zij 
hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk 
met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling 
werd opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond 
wenschen toe te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat 
zij gedwongen zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden. 

Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt 
uit het in dit najaar verschenen Oranjeboek 2 ), waarin de indiening 
van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding 
van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit 
vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen. 



1) Actes 1908 pp. 150, 151 en 217. 

2) Overzicht der voornaamste van 1 Januari— 15 September 1909 door het 
Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor openbaarmaking geschikte 
aangelegenheden p. 68. 



HOOFDSTUK II 
GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER 



§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën 

ln velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke 
verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het 
tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging, dat 
de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht 
der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het 
auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld 
vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende 
eeuw l ) en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt 2 ) nader 
uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of intellec- 
tueelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten invloed 
op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef ik 
slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur 
van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden 
een eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al 
spoedig van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland. 
waar onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopen- 
hauer zijn te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; 



1) Cf. Kohler, Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für civilistische 
Praxis 82 pp. 166 sqq. 

2) Cf. Fernand Eenouard, Essai sur la nature du, droit d'anteur, Geneve 

1869 pp. 38 sqq. 



71 



in Frankrijk vond zjj vooral in Renouard een gevaarlijken tegen- 
stander; toch blijft men daar nog steeds spreken van propriété littéraire 
et artistique, en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteurs- 
recht als een van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht 
ontwikkeld, het is nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar 
van de oude theorie is blijven voortbestaan *). 

Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut 
recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht, te 
construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens welke 
het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend 
beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar yan een boek de 
kooper gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een 
eenigszins beteekenenden aanhang kunnen verwerven 2 ). 

Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, 
maar een recht dat tot bescherming van den persoon diende; repro- 
ductie van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking 
der persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer 
leer zou men lm. Kant kunnen noemen, die met het oog op het 
auteursrecht een boek beschouwde als een rede tot het publiek, die 
zonder volmacht van den schrijver niet door een ander in het open- 
baar mag worden herhaald 3 ). In den laatsten tijd komen de theorieën, 
die uitsluitend of althans voornameiijk op de persoonsrechtelijke 
elementen van het auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op 
dén voorgrond 4 ). 

Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie met 
bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de auteurs- 



1) Cf. o.a. Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, These pour 
le doctorat. Paris 1904 p. 29: „Toutefois, malgré les arguments juridiques invo- 
qués par le second système (dat den letterkundigen eigendom bestrijdt), il ne 
peut être contesté k notre avis, que 1'auteur ait sur son oeuvre un véritable 
droit de propriété." 

2) Men zie hierover o.a. : Dr. H. Ortloff, Das Autor- und Verlagsrecht als 
strafrechtlich zu stützendes Recht in Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 323 sqq. 

3) Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, 1 Theil, II Haupst., 
3 Abschn., § 31 II. 

4) Men zie o.a. Otto GlERKE, Deutsches Privatrecht I (systematisches Hand- 
buch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding, 2de afd. 3de 
deel) pp. 702 sqq. 



72 



bescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door anderen 
aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen sprake is, 
daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve rechten kan 
worden ingedeeld. 

Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een 
reflex van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief 
recht der auteurs ten grondslag kon worden gelegd J ). Ook Jolly 
kwam tot de conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen 
andere juridische vorm was te vinden dan deze, dat de handeling 
waarmede er inbreuk op wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een 
delict wordt verklaard 2 ). 

Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een mono- 
polie, met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, 
dat het alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige 
middel was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor 
hun arbeid te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en 
wetenschappen noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, 
wiens zienswijze uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem 
den 5den Februari 1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk 
blijkt : „It is desirable that we should have a supply of good books : 
we cannot have such a supply unless men of letters are liberally 
remunerated; and the least objectionable way of remunerating them 
is by means of copy right" 3 ). 

Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische beschou- 
wingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren, toen 
de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort 
overzicht moge hiervan volgen. 

De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie 
van Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was 
verzocht, haar oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering 
van de belangen des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te 



1) Von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und Verlegers 
in: Jahrbücher f. d. Dogmatik II pp. 359 sqq. 

2) Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck Mach dm Beschlüssen des 
deutschen Bundes dargestellt. Beilageheft zum Archiv für civ. Praxis Bnd. XXXV 
(1852) p. 91. 

3) Macaulay, Speeches (Tauchnitz Edition) vol. 1 p. 277. 



73 



spreken, leverden weinig belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd 
slechts door enkele leden aangeroerd en maakte „geen bepaald voor- 
werp van redetwist" uit 1 ). 

Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche Juristen- 
Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de orde 
was gesteld: „Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten 
van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen ?" 

Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en 
Mr. J. Preseman Viëtor. 

Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraag- 
stuk had uiteengezet 2 ), ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht 
op de vruchten van hun arbeid. Hy wilde het auteursrecht beschouwd 
zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut, 
„op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel té 
verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te 
maken" 3 ). 

Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aanslui- 
ting met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift 
had gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde: 

„Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice den 
rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan 
als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der 
bedoelde auteurs" «). Ook volgens dezen schrijver steunde de bescher- 
ming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met economische 
beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend, nader werd 
uitgewerkt. 

In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel 
uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging. 

De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen 
van de negen en veertig stemmen. 

De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: 



1) Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. 
Afd. Letterkunde, deel VI p. 349. 

2) Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en Gemeente-Bestuur in 
Nederland XV (nieuwe serie II) pp. 1 eqq. en 113 sqq. 

3) Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 35. 

4) Hand. Ned. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 97. 



74 



„dat de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder, 
die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot 
teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen 
en de leer van het „stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden 
bij den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te 
hebben gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het 
gekochte onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er 
niet toe te zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde 
gebezigd" vond slechts één enkelen aanhanger. 

Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen 
en drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling: 
„dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende 
reproductie moet worden gegeven" 1 ). 

Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. 
Dat er geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige 
klaarheid in het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. 
Welke voorlichting kan er voor wetgever of rechter te vinden 
zijn in de wetenschap, dat een aantal rechtsgeleerden het auteurs- 
recht „in het algemeen belang" acht? 

Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juri- 
dische voorlichting op dit gebied ontbreken. 

De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen, 
waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd wordt, 
zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne recht-op-loon- 
theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben gevonden 2 ), 
en Mr. O. Belinfante, die in een Themis-artikel 3 ) het recht dei- 
schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde af te leiden, 
vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans zóó afdoende 
bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef 4 ). 



1) Handelingen Nederl. Juristen-V ereeniging 1877 II pp. 70, 71. 

2) De verschillende opstellen van den heer de Savoknin Lohman, waarin 
zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: Themis 1862 pp. 213 sqq., Rechts- 
geleerde Bijdragen 1864 pp. 140 sqq., Bijdragen tot de kennis van Staats-, Pro- 
vinciaal en Gemeentebestuur in Nederland XVI (nieuwe serie UI) pp. 6 sqq. en 
72 sqq. Men zie ook: Weekbl. v. h. Recht, no. 2916 en Hand. Ned. Jur.Ver. 
1877 II pp- 5 sqq. en 43 sqq. 

3) Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur. Themis 1877 pp. 204a sqq. 

4) Men zie hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van mrs. de Ktdder 



75 

Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen- Vereeniging 
het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het 
Eechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz *) werd van de overwinning 
van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt ; 
het slot van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs: 

„Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met 
alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien» 
hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht 
zal worden toegepast" 2 ). 

Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote 
meerderheid toch nog altijd „het algemeen belang" zich verzetten, 
gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht. 

Dit bewees o. a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids 
over onze aansluiting bij de Berner Conventie 3 ). Na te hebben ver- 
klaard, dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteurs- 
recht vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht 
uitsluitend op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze 
schrijver bij de bespreking der internationale bescherming aldus voort : 
„Behoort men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling 
van het auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort 
nadruk van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Neder- 
land te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk beves- 
tigend zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van 
het auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken 
is, naar mijne meening niet het geval". 4 ). Langs deze redeneering 
komt de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreem- 
delingen (auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de be- 
scherming hier te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons 
voordeeliger uitkomt. 

Aan dezen raad heeft men zich — zooals bekend is — tot nu toe 
in ons land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die 



en Freseman Viëtor, nog van den laatste : Kantteekeningen op het ontwerp van 
wet tot regeling van het auteursrecht. Utrecht 1877 pp. 6 sqq. 

1) Mr. S. Katz, Het Auteursrecht. Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq. 

2) T. a. p. p. 328. 

3) Mr. J. D. Veegens, Nederland en de Berner Conventie. De Gids 1896 III 
pp. 411 sqq. 

4) T. a. p. p. 413. 



76 



zich tegen het deelnemen van Nederland aan de internationale rege- 
ling van het auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het 
auteursrecht is geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de 
wetgever het aan den een onthouden en den ander toekennen, al 
naar mate het „algemeen belang" hiermede gediend is. 

Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die 
zich met de uitspraak „dat in het algemeen belang een recht tot 
uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden 
stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van 
het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming 
te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: „niet 
eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui genens" ); 
dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede Kamer, 
dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar dat 
het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend recht 
was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige uit- 
drukking moest worden gegeven ; a ) en in sommige aan het auteurs- 
recht gewyde monographieën worden naast het algemeen belang 
ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt 
er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de 
in ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen 3 ). 
Doch het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der 
genoemde schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te 
werken, dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het 

auteursrecht. 

Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van 
het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te 
werk gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen 
der van ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk 
was, schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen 
en verdere onderzoekingen overbodig te achten. 



1) Handelingen Tweede Kamer 1880/81 pp. 1628, 1644. 

2) Ibid. pp. 1628, 1642. 

3) Men zie o.a. : mr. Heney Viotta, Het auteursrecht van den componist. 
Amst 1877 pp. 8 sqq. ; Mr. J. van de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland. 
Leiden 1885 pp. 8 sqq.; Mr. A. G. N. SwART, Opmerkingen betreffende auteurs- 
recht op werken van beeldende kunst. Leiden 1891 pp. 27 sqq. 



77 



Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu 
eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch 
men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. 
In de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men 
er meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan 
nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen 
eigendom is 1 ); eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men het 
blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter 
van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort, dan 
maken sommigen zich er af door te antwoorden : het is een jus mi 
generis ; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft en waarvan 
met een Pransch schrijver kan worden gezegd: „un pareil aveu est 
peu compromettant et laisse la question dans le même état" 2 ); 
anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar 
toch nog te weinig zeggend étiquet: „absoluut vermogensrecht" 3 ). 

Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het 
auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitsch- 
land, hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toe- 
gelegd op de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formu- 
leeren van vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen 
in deze materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van 
dit recht, in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig 
kunnen worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats 
kan worden aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten 
toekomt. 

Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd de Berlijnsche 
hoogleeraar dr. J. Kohier met zijne Immaterialgüterrechts-theorie. 
Evenals de theorie van den letterkundigen eigendom gaat deze leer 
van het beginsel uit, dat schrijvers en kunstenaars, die een origineel 



1) Men zie b.v.: Opzoomee, Het Burgerlijke Wetboek verklaard III p. 205; 
Assee en VAtr Hetjsde, Handleiding tot de beoefening van het Nederl. Burg. 
Recht II p. 57; Land, Verklaring van het Burgerlijk Wetboek II p. 2 (2de druk). 

2) Edouaed Laboulaye, geciteerd door Febn. Eenouaed t. a. p. p. 29. 

3) Zoo o.a. Mr. A. A. DE Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht vol- 
gens de Nedei'landsche wet in Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Aka- 
demie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde 3de reeks, deel XII pp. 5 sqq.; 
DE Kiddee t. a. p. p. 92; Land t. a. p. p. 2. 



78 

werk hebben voortgebracht, daarop een uitsluitend recht kunnen 
doen gelden. Dit wordt door Kohier aldus kort en krachtig geformu- 
leerd- Wer ein neues Gut schafft, hat das natürliche Anrecht 
daran" ") Op dit beginsel voortbouwende construeert hij het auteurs- 
recht als een recht op het geestelijk voortbrengsel. Naast de zaken 
in rechtskundigen zin hebben wij dus hier te doen met eene nieuwe 
categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter), die zich door hun eigen- 
aardig karakter van de overige onderscheiden; de rechten op 
immaterieele goederen (Immaterialr echte), waartoe behalve het auteurs- 
recht ook behoort de zoogenaamde industrieele eigendom, vormen 
een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten, wel van de 
zakelijke rechten te onderscheiden. 

Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de 
grondslag van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft 
de juridische constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur 
die ik haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, 
zal ik in de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal 
tevens gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Neder- 
landsche schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met 
een enkel woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij 
te beschouwen. 

§ 2 Recht of doelmatigheid? 

In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne 
boven aangehaalde rede aldus formuleerde: „Is this a question of 
expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht 
op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een, 
waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin 
dus alleen de doelmatigheid, „het algemeen belang", heeft te beslissen? 

Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat 
de meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin 
hebben beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op 
enkele conclusiën, die men gemeend heeft uit deze opvatting te 
kunnen trekken. Het schijnt daarom niet onnoodig, aan hunne voor- 
naamste argumenten eenige aandacht te wijden. 



1) Autorrecht p. 98. 



79 



Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld, 
behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over 
auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen 
schatten, is het allereerst noodig te weten, .dat hij behoort tot de 
school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag, of 
iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de doel- 
matigheid te laten beslissen, van „abstracte rechten", waarvoor om 
huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt 
gevraagd, wil hij niet weten 1 ). 

Het ligt niet in mijne bedoeling — het zou mij trouwens ook te 
ver van mijn onderwerp afvoeren — deze zienswijze hier te bespreken ; 
zoo aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmer- 
kingen te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor 
geen anderen grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan 
vraagt men zich af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om 
dit ten aanzien van het auteursrecht nog eens in 't bijzonder in 
het licht te stellen. Dat het auteursrecht alleen gegrond kan worden 
op het .algemeen belang" heeft het dan immers met alle andere 
rechten gemeen; dit behoeft daarom nog geen reden te zijn om het 
een privilegie te noemen, zooals mr. Viëtor verscheidene malen doet. 

Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, 
heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne nuttig- 
heidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen toe- 
passen : „Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet 
van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden 
van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" 2 ). 

Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet 
nuttig is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek „naar het al 
of niet rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het 
al of niet bestaan van eenig ander recht van schrijvers" 3 ) niet 
overbodig. 

Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn 



1) Men zie het reeds genoemde artikel van Mr. Freseman Viëtor in Bijdi: 
tot de kennis v. h. Staats-, prov. en gem.-best. in Nederl. XV {nieuwe serie TI) 
pp. 1 sqq. 

2) T. a. p. p. 6. 

3) T. a. p. p. 9. 



80 



onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel 
duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten „hoe het abstracte 
recht van den eigendom aan te toonen" x ), hoewel toch de eigendom 
behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne 
nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor 
den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om: 

„Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen 
belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, 
maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmo- 
gelijk te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of 
ik denk de geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof 
aan de harmonie tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, 
zoodra iets algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd 
gequalificeerd, een zwaar vermoeden heb, dat het ook werkelijk nut- 
tig en rechtvaardig is, — zoo durf ik hier van de onmogelijkheid 
van het niet bestaan van den eigendom te concludeeren tot het 
recht, tot het waarachtig nut van dat instituut. Ik buig mijne knie 
voor het „fait accompli", dat zich niet „non accompli" laat denken. 
Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht zegt (Utüitarianism^.79), 
zooveel grooter en zooveel tastbaarder, dat het verschil in graad 
een werkelijk verschil in soort wordt" 2 ). 

Hiermede meende mr, Viëtor een grondslag voor den eigendom te 
hebben aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteurs- 
recht, meent hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht 
worden. „Dat niet het gemis van het recht, maar integendeel het 
recht zelf eene onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders 
van dat recht zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren 
termijn of onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" 3 ). 

Valt nu werkeüjk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde 
overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en 
auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, dat 
het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet. 

In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van het 
auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het recht 



1) T. a. p. p. 22. 

2) T. a. p. pp. 22, 23. 

3) T. a. p. p. 23. 



81 



van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen kan 
blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht 
zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pre- 
texten noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader 
hoop uiteen te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaan- 
baar, maar het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan 
een eeuw lang, in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór 
had men dan toch de privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar 
toch in strekking vrijwel met het auteursrecht overeenkomende be- 
scherming boden. Bijna met evenveel recht als van den eigendom 
kan men ook van het auteursrecht zeggen, dat het „algemeen en in 
verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd". Dat de tijden, 
waarin men de noodzakelijkheid van het auteursrecht niet inzag, dich- 
terbij liggen dan die waarin men geen eigendom kende, bewijst in dezen 
niets ; het auteursrecht kreeg pas reden van bestaan na de uitvinding 
der boekdrukkunst, zooals ik dat in mijn historisch overzicht heb 
trachten aan te toonen; dat men voor dien tijd, toen de nu in zwang 
zijnde exploitatie-middelen van geschriften en kunstwerken nog niet 
bekend waren, aan geen auteursrecht dacht, kan nooit als argument 
gelden tegen de noodzakelijkheid van dat recht in onze tegenwoor- 
dige maatschappij. 

En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het 
auteursrecht met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat 
men zich deze moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook 
gaarne toegeven, dat aan het behoud van den eigendom oneindig 
veel zwaardere belangen zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden 
ook grootendeels hierin, dat iedereen zonder uitzondering er elk 
oogenblik persoonlijk mee in aanraking komt. Het auteursrecht daaren- 
tegen heeft betrekking op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen 
van personen (in het algemeen de auteurs en zij die hunne werken 
exploiteeren : uitgevers, tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden 
betrokken. De meeste menschen hebben niet alleen zelf nooit auteurs- 
recht gehad, maar ook het gebod om het auteursrecht van anderen 
te eerbiedigen is voor hen persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs 
de middelen missen om, gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht 
inbreuk te maken. De immaterieele goederen vormen slechts een 
uiterst kleine groep van rechtsobjecten in vergelijking met alles 
wat voorwerp is van eigendom, d. i. ongeveer de geheele stoffelijke 

6 



82 



wereld. Maar is dit nu een reden om de erkenning van het myn en 
dijn op geestelijk gebied in beginsel van minder belang te achten? 

Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan 
wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij 
betrokken belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving 
van het recht in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, 
maar naar de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten. 

En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteurs- 
recht niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. 
Inbreuk op auteursrecht wordt - misschien niet door de groote 
menigte, die zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft - 
maar wel door de belanghebbenden en degenen die van de verhou- 
dingen waar het hier om gaat eenig begrip hebben, evenzeer als 
een onrecht gevoeld als inbreuk op eigendom. En zoo opheffing van 
allen eigendom - gesteld dat dit mogelijk ware - de geheele 
maatschappij in wanorde zou brengen, omdat ieder daarvan terstond 
de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het auteursrecht zou, 
naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden, en binnen den 
kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen, niet tot minder 
ernstige gevolgen leiden. 

Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als 
men zich op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens 
conclusiën in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen 

Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog hét een 
en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zyn standpunt 
uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van 
Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman : Over de rechten der uüvinders 
De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag, of 
een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende te 
blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de instand- 
houding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het alge- 
meen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het 
■Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht 
door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het 
volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven 
tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is. 



1) In : Themis IX pp. 213 sqq. 



83 

Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hy hetzelfde 
onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe 
tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de 
Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, 
maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als 
maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of 
niet rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel 
buiten beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvol- 
ledig gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die 
des schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben. 

Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte 
verklaring op dit punt noodzakelijk. 

Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de 
omschrijving die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven 
heeft : .... de eigenschap van den menschelijken geest, die hem 
tegenover andere menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig 
doel te bereiken, maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in 
acht nemen" 1 ). Het doet zich aan ons voor als een in den mensch 
werkende kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van 
handelingen, zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen 
gedragslijn daartoe meewerken. 

Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als 
eene vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke 
omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij 
vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verschei- 
dene menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene 
groote overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levens- 
belangen zal de kring, waarin gehjkheid van rechtsbewustzijn wordt 
aangetroffen, het grootst zijn 2 ). Men kan daarom in vele gevallen 
spreken van een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechts- 
bewustzijn van alle leden eener maatschappij zich op een gegeven 
tijdstip ten aanzien eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt. 

Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden 



1) H. J. Hamakeb, Het rechtsbewustzijn en de rechtsfilosofie in: Verslagen en 
Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde, 
vierde reeks, deel IX p. 33. 

2) Cf. Hamaker t. a. p. p. 36. 



84 

verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten, 
of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende 
kracht moet worden toegekend. 

Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn, 
waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur onweer- 
staanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij, die, 
zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en 
oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel 
kan worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewust- 
zijn in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen 
belang is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid 
komt, geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt 
met 'doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; 
maar dit is allerminst een reden, om alleen met deze laatsten 
rekening te houden en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen 
factor te verwerpen. 

Er bestaan ongetwijfeld wettehjke regelingen, die door het rechts- 
bewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn; 
zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij 
voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht; 
doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen 
blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met 
rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden. 

Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de funda- 
menteel vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon 
worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu 
in het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou wülen aan- 
voeren, is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof 
dit eerie instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. 
Men krijgt daardoor den indruk - en dit is ook blijkbaar in overeen- 
stemming met de bedoeling van den schrijver - dat het auteursrecht 
niet anders is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige 
schepping van den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel 
dat ermede wordt bereikt, nl. instandhouding van kunsten en weten- 
schappen en dat het dus zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, 
indien er een ander middel werd gevonden om schrijvers en kunstenaars 
aan het werk te houden, of indien men tot de overtuiging kwam, 
dat het spottende gezegde van Heine waarheid bevat: „Autoren und 



85 



Mispeln gedeihen am besten, wenn sie einige Zeit auf dem Stroh 
liegen" 1 ). 

Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van 
een recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht 
van een of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de 
staatskas; dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen 
stellen met instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaks- 
verkoop of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren a ). 
Doch het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, 
ligt hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen 
door niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, 
die deze handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom 
zal men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet 
in twijfel getrokken, toch steeds bhjven beschouwen als eene min of 
meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid ; overtreding van 
hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder 
zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohier, 
aan wien ik dit voorbeeld heb ontleend: „ . . * dasz diese Eechts- 
schöpfungen nur artiüzieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon 
in dem Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzelrj, dasz 
sie, wie überhaupt artiflzielle schöpfungen, sich nicht mit derselben 
Naturgewalt aufdrangen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen, 
auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte". 

Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een „natur- 
ivüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop 
het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde in 
beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohier wijst, 
om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de nadruk 
als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van auteurs- 
recht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers aan- 
gehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: „Was soll das doch 
sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich 
raubt und stilt das seine und uuter einander euch verderbt? Seid 
ihr nu Straszenrauber und Diebe worden ? ..." enz. Kohier voegt 
hieraan toe : „Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich auszerte, 



1) Heinrich Heine, Ideen. Bas Buch le Grand. Kap. XIV, 

2) Cf. KoHiiEE, Autor recht pp. 209, 210. 




auch wenn man am Vorabend des Monopols stünde, so winde man 
nur unglaubig die Köpfe schütteln — das ist eben der ünterschied 
zwischen den naturwüchsigen und den artifiziellen Kechtsnormen" 1 ). 

Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohier talrijke getuigenissen 
aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den 
nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed 
vergrijpt 2 ); in zijn Idee des geistigen Eigenthums 3 ) heeft hij bovendien 
aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der jaren luider en 
duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam maar zeker heeft 
ontwikkeld die „Idee des geistigen Eigenthums", d.w.z. het denkbeeld, 
dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft voortgebracht, dat hij 
het het zijne kan noemen. 

Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, 
dat die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om 
ingang te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, 
die ik uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij 
schaarsch, doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. 
verwijzen naar de — boven reeds genoemde — voorrede van Poot 
voor den tweeden druk zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus 
uitlaat : „ . . . van der Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en 
meende toen, gelyk ik ook nogh meen, en misschien nogh lang sal 
blyven meenen, ten zy men my anders onderrechte, dat de eigendom 
der Kopye en het vaderrecht des geheelen werks, zonder verkoopen 
of overdragt, myn bleef." 

Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard 
uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel 
niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band, die 
tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij zoo eigen- 
aardig noemt „het vaderrecht"; anderen vonden misschien geene 
aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel hetgeen 
zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch hoe dit 
ook zij, ten slotte vond ook in ons land „die Idee des geistigen 
Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk als in 



1) Autorrecht p. 211. 

2) Autorrecht pp. 212 sqq. 

3) Archiv fik cwilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. Cf. ook: JoLLY, Die Lehre 
vom Nachdnick pp. 7 sqq. p. 87. 



87 



andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden het 
auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat den 
auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit zoo 
wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om 
beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan 
men herhaaldelijk de bewijzen zien. "Wel heeft het lang geduurd, 
voordat het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier 
te lande inzagen, dat ook voor hen een Kampf urn 's Recht te voeren 
is, niet alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te 
verkrijgen wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de 
laatste jaren is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschrift- 
artikelen, in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en 
kunstenaars op voor hunne rechten; een Vereeniging van Letter- 
kundigen is opgericht voornamelijk met het doel het auteursrecht 
harer leden te beveiligen, een Berner Conventie Bond om onze toe- 
treding tot de internationale Unie te helpen bevorderen. Deze geheele 
beweging kan niet verklaard worden uitsluitend als een strijd om 
materieele belangen; wat haar gaande houdt, wat daaraan ook 
personen doet deelnemen die er geen persoonlijk belang bij hebben, 
is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet kan gedoogen, dat 
geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd worden tegen 
den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij op te 
merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom, 
ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te 
toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zyn; Nederland 
wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie 
is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn 
werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet, 
heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich 
in een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvol- 
doende bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: 
„Excellentie, ik word begapt!" l ) 

Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven 
spreken van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt 
op het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Preseman 



1) Amsterdamsen Schetsboek door S. Falkland, Handelsblad 19 Jan, 1907, 
Avondblad, 3de blad. 



88 



Viëtor, het volks-rechtsbewustzijn niet „als rechter in hoogste ressort", 
kan men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunst- 
matige scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake 
was, en eene natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets 
anders toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en 
welke niets anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod 
voor onrecht wordt gehouden. 

Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over 
de rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen 
zijner medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor „het 
algemeen belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende 
worden gezegd. 

Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen rechts- 
beginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag 
gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescher- 
ming worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier 
wordt bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu 
eens schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, „dat de schrijver .... 
zonder positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen 
ageeren op grond van algemeene rechtsbeginselen" 1 ) ; dan weer heet 
het: „er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en 
kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" 2 ); mr. de 
Ridder stelt, dat „uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer" de 
auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne 
tweede stelling is : „Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct 
of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding 
dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-inte- 
resse der bedoelde auteurs" 3 ). Mr. Levy eindelijk redeneert aldus: 
„Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den 
staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl 
het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit 
werd nog niet aangetoond" *). En hieruit volgde, naar dezen spreker, 
dat aan het auteursrecht geen „civilistische grondslag" tot basis kon 



1) Freseman Viëtor t. a. p. p. 112. 

2) Freseman Viëtor, Hand. Nederl. Jur. Vereeniglng 1877 I p. 44. 

3) Hand, Jur. Ver. 1877 I p'p. 96, 97. 

4) Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 20. 



89 



worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden 
op economisch-politische overwegingen (dus: „het algemeen belang"), 
waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten. 

De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: 
„Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers 
en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen ?" En nu meen 
ik dat de conclusie, waartoe bovengenoemde schrijvers met de meer- 
derheid hunner medeleden kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen 
rechtsbeginsel, doch slechts het algemeen belang had te volgen, voor 
tweeërlei uitlegging vatbaar is of liever in twee verschillende stel- 
lingen gesplitst kan worden, welke ik aldus zou willen formuleeren : 

1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toe- 
kennen (dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers 
en kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van 
hun arbeid. 

2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, 
daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is 
te brengen. 

De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend 
recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in kwestie 
regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld) ; er wordt in verklaard, 
wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen wet op het 
auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de wetenschappelijke 
verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit, dat de rechtswetenschap 
het auteursrecht niet kent, dat er in het rechtssysteem voor dit 
recht geen plaats is. 

Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door 
de leden der Juristen- Vereeniging niet altijd goed in het oog is 
gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën, die zij 
bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den letterkun- 
digen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders dezer 
leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het auteurs- 
recht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren als 
een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar analogie 
met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom wordt 
gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als eigenaar 
van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt mij wen- 
schelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden; 



90 



daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken 
Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht 
hadden, zou - hierover zal ieder het wel eens zijn - het eenrge 
rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hnnner werken 
door derden te verzetten, ztjn de actie van art. 1401 B. W. De vraag, 
waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer, 
of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteurs- 
recht) zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. 
Zooals bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid 
omtrent de beteekenis van den term „onrechtmatige daad"; zonder 
mij in de discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te 
verklaren, dat ik m« schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking 
eene ruime uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een 
onrechtmatige daad door anders te handelen „dan in het maatschap- 
pelijk verkeer den eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders 
dan men met het oog op zijne medeburgers behoort te handelen" l ). 

Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen 
betoog meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den 
auteur diens werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of 
eene handeling den eenen mensch tegenover den ander in het maat- 
schappelijk verkeer al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of 
onrechtmatig, daarover kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en 
wij hebben gezien, hoe krachtig dit in het algemeen tegen nadruk- 
kers en consorten reageert. 

Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht 
de auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen 
degenen, die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben 
nagedrukt, uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst 
gezegd, dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als 
nu en dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoe- 
ver deze bescherming zich zou kunnen uitstrekken en - wat hier 
ook gevraagd kan worden - hoever in onze jurisprudentie die be- 
scherming waarschijnlijk zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden 
laten. Waar ik slechts op heb willen wijzen is, dat er geene speciale 
wetsbepaling noodig is, om de onrechtmatigheid van den nadruk uit 
te spreken. 



1) Prof. W. L. P. A. Molengraaf* in: Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 386. 



91 



Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers 
met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime 
uitlegging van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond a ). 

Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 
1401 zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet 
anders dan door — met blijkbare instemming — eene zinsnede, die Mr. 
Lohman zich had laten ontvallen aan te halen: „dat het kopijrecht 
„de rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" 
verkort, „het recht namelijk om boeken te drukken"" 2 ). Het ant- 
woord hierop kan kort zijn. 

Er bestaat geen „recht om boeken te drukken" evenmin als een 
recht om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er 
bestaat slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang 
het recht ze toelaat. Maar „natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat 
worden „in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, 
mits het maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar 
veeleer in dien van het recht om niet in onze eer persoon of ver- 
mogen aangetast of beschadigd te worden, in dien van het recht op 
eerbiediging van onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen 
arbeid." „Alleen de vrijheid dus opgevat" — voegt prof. Molengraaff, 
aan wien ik deze woorden ontleen, hieraan toe — „mag gezegd 
worden geen erkenning noodig te hebben om te gelden, maar een 
verbod om niet te gelden" 3 ). 

Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen 
geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken* 
is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud 
slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de 
bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. "W. huldigen, is 
zjj waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter niet 
om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag — hierboven reeds 
toestemmend door mij beantwoord — of eerbiediging van de rechten 
der auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, 
als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. 
En dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het 



1) O.a. mr. G. Belinfante in Themis 1865 p. 341. 

2) Bijdragen enz. XV p. 20. 

3) Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 390. 



92 



hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag, 
welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen 
eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met 
den grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit 
niet te maken Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, 
direct of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het 
algemeen kan worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even 
onontbeerlijk is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons 
burgerlijk wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor 
de eigenaars. 

De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: „Het auteursrecht 
is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen 
der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is 
niets tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechts- 
begrippen, die de Komeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens 
en voor altijd zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tyden 
toekunnen. In de tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden 
met het vormen van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechts- 
regels bestonden de middelen van exploitatie van geschriften en 
kunstwerken, waardoor het auteursrecht noodzakelijk is geworden, 
nog niet. Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat men, alleen 
door logische redeneering uit deze begrippen en regels, geen ant- 
woord kan vinden op de vraag, of het iemand vrijstaat een anders 
boek na te drukken of reproducties van een anders schilderij of 
teekening te vervaardigen. Pogingen in deze richting zijn genoeg 
beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip de bevoegdheden 
der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs de specificatio 
bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich van exploitatie 
van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een verbintenis 
voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren ; ook de 
theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een Romein- 
schen rechtsregel: „nemo cum damno alterius locupletior fieri debet." 
Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het auteurs- 
recht liet zich langs dezen weg niet „bewijzen". Dit is door de meeste 
Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder door 
de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der 
Juristen- Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner 
beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zooge- 



93 



naamde .juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn ge- 
slaagd, wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke 
daarbij dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft 
nauwlijks te worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, 
dat het auteursrecht alleen op utiliteits-motieven kan worden ge- 
baseerd ; dat het eigenlijk geen recht is, waarop de auteurs aanspraak 
kunnen maken, maar een privilegie, om redenen van „algemeen be- 
lang" (d. i. instandhouding van kunsten en wetenschappen) hun ver- 
leend. Toch schijnen sommigen dit te hebben gemeend. 

„Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht 
romanistisch konstruiren lasst, kein gutes Recht zu sehen vermag" x ). 
Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer toepasselijk. 
Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der Juristen- Vereeni- 
ging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd valt de begripsver- 
warring, waar Gierke op doelde, eenigszins te constateeien. De vol- 
gorde der vragen was zoodanig, dat eerst de verschillende pogingen 
om het recht „romanistisch" te construeeren aan het oordeel der 
vergadering werden onderworpen; voor het geval geen dezer con- 
structies bevredigend zou blijken, had men tenslotte een vierde vraag 
opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een recht tot uit- 
sluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er, na het ont- 
kennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of onrecht 
geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere of 
mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was 
ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde : 
het autersrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus: 
het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen 
belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond voor 
de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te ver- 
vallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische ont- 
wikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht 
gewijd 2 ); trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld, 
of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen 
hij, ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het „zooge- 
naamd auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe : 



1) Otto Gierke, Deutsches Privatrecht t. a. p. p. 756. 

2) Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 57. 



94 



„Deze mijne bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. 
Naar rechten evenwel hebben zij thans nog slechts theoretische 
waarde (of onwaarde). Sedert 1881 bezitten wij eene wet op het 
auteursrecht" l ) Van de wettelijke erkenning van dit recht m ons 
land vóór 1881 scheen deze schrijver dus niet te hebben geweten. 

Wat nu de stelling betreft, „dat in het algemeen belang door de 
wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," 
welke tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid 
der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een 
positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt, niet 
bereikt. Indien men onder „algemeen belang" dient te verstaan 
doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze tegen- 
over right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling 
met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat 
men het auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene 
plaats voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen 
niets; evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te 
zijn, op positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling 
niet in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een 
bijzonder weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.1. : 
„naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers 
en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?" Het is 
een antwoord, dat eigenlijk gelyk staat met de erkenning, dat de 
rechtswetenschap hier geen voorlichting weet te schenken. 

Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeni- 
ging kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde 
zich tot het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, 
zonder iets anders daarvoor in de plaats te stellen. 

Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten 
te bereiken, meen'de men gevonden te hebben in de economie. In 
zijn prae-advies schreef mr. de Eidder: „ ... al moeten we ook met 
een zucht afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel 
te vinden, wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die 
wetenschap, welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer 



1) Nederland en de Berner Conventie door mr. J. A. Levy in: Het Paleis van 
Justitie 9 Aug. 1898. 



95 



onderzoekt en de leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de 
wetgever zich leent tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden 
in het rechte spoor, dat der sociale behoeften" *). 

Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle, welke 
mr. de Eidder op het oog had, zal ik in de volgende paragraaf 
spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische 
beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit 
de plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte 
aan een scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht 
kon worden gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. 
Toen men tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad 
rechtsregels en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het 
auteursrecht kon dienen, had men niet „met een zucht" van alle 
verdere pogingen in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan 
zoeken in de economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechts- 
wetenschap, maar het is de taak van deze laatste alles wat zich als 
recht voordoet te verklaren. En wanneer dus voor een recht geen 
plaats blijkt te kunnen worden gevonden in het bestaande rechts- 
systeem, dan zal men dit laatste hebben te herzien, zoodat de plaats 
worde gemaakt. Doch nooit mag de conclusie luiden: het nieuwe 
recht hoort in het van ouds bestaande systeem niet thuis en derhalve 
erken ik het niet als een recht. 

§ 3 Economische theorieën 

De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf, 
d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen waar- 
neembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van econo- 
mische beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping 
voor den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stof- 
felijke wereld manifesteert. 

Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver 
in economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een econo- 
misch product: 

„L'écrivain, 1'homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins 



1) Hand. Jur. Ver. 1877 I p. 68. 



96 



que son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une 
portion de richesse" 1 ). En: „A tous les points de vue, la production 
industrielle et la poduction littéraire nous apparaissent donc 
identiques" 2 ). 

Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit op 
de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de eigen- 
lijke voortbrenging in economischen zin begint pas - krijgt althans 
pas beteekenia — wanneer zgn boek geëxploiteerd wordt, dus in druk 
verschijnt. "Wat nu wel „une portion de richesse" uitmaakt, is het 
duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift wordt vervaar- 
digd, maar dit is niet „het voortbrengsel" van den schrijver. Wat 
de schrijver heeft voortgebracht is een product van intellectueelen 
aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring van den 
econoom. 

Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de 
zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur 
voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver 
zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch 
wal, wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voort- 
brengselen plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie 
geen recht meer op zijne schepping heeft : 

„Les lois de 1'échange sont : que les produits s' échangent les uns 
contre les autres ; que leur évaluation ou compensation a lieu dans 
un débat contradictoire et libre, désigné p ar les mots offre et demande; 
que 1'échange opéré, chaque échangiste devient maïtre de ce qu'ila 
acquis comme il 1'était de son propre produit, en sorte que, la 
livraison faite et 1'ëchange consommé, les parties ne se doivent rien" 3 ). 

„Ces lois sont universelles ; elles s'appliquent a toutes les espèces 
de produits et de service, et ne souffrent pas d'exception," voegt 
Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij 
„lois d'échange" noemt, geen bindende regels zijn, die voorschrijven 
wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en de boer die zijn 
aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun voortbrengsel 



1) P. J. PROUDHON, Les Majomts littéraires (Oeuvres complètes, tome XVI) 
p. 11. 

2) T. a. p. p. 13. 

3) T. a. p. p. 17. 



97 



kunnen doen gelden, is niet omdat de door de economen opgespeurde 
wetten van het ruilverkeer dat zoo willen, maar omdat de wet, die 
den. privaten eigendom van brood en aardappelen erkent, dit gevolg 
aan hunne handeling verbindt. Indien de schrijver, evenals de bakker, 
zijn product kon inruilen, dan zou het auteursrecht-vraagstuk geen 
moeilijkheden meer opleveren, of liever : door dit te beweren, plaatst 
men zich op het standpunt, dat het vraagstuk al opgelost is ; immers 
het begrip ruiling veronderstelt de erkenning van privaten eigendom 
op het voorwerp, dat verruild wordt, en het gaat hier juist om de 
vraag, of er een recht op het intellectueele product verleend zal worden. 
Met eene „economische" theorie als deze komt men dus niet verder i ). 

Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over 
het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende 
argumentatie: „D'ailleurs, quelle que soit la part de tous dans la 
pensée de chacun, on ne niera pas du moins que la pensée ne tire 
de la publicité toute sa valeur. Que vaut la pensée dans la solitude?" 

„II n'est donc pas besoin de savoir d'oü vient V origine des 

productions de 1'esprit, il suffit de savoir d'oü vient leur valeur, pour 
comprendre qu'elles ne sauraient être le patrimoine de personne. 
Si c'est la société qui leur confère une valeur, c'est a la société seule 
que le droit de propriété appartient. Reconnaitre, au profit de 1'individu, 
un droit de propriété littéraire, ce n'est pas seulement nuire a la 
société, c'est la voler" 2 ). 

Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. 
Op dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van 
locomotieven of van piano's zijne producten aan ieder gratis moet 
afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde 
streek waar geen treinen zn'n? Hier is het evengoed de maatschappij, 
welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal 
niet gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op 
een onbewoond eiland voor zou worden gegeven! 



1) Behalve zijne economische beschouwingen gaf Peoudhon over het auteurs- 
rechtvraagstuk nog: „Considérations morales et esthétiques" en „conséquences 
sodales". 

2) Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du travail, 5me e d. 
Paris 1848 pp. 234, 235. 

7 



■ 



■ 



98 

Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht 
in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle *). Deze 
schrijver beschouwt den auteur niet als zelfstandig voortbrenger, 
maar als mede-arbeider in eene onderneming, en hij maakt eene 
vergelijking, niet tusschen geestelijke en stoffelijke producten, maar 
tusschen wat hij noemt: „Symbolische Güter", , Güter der Dar stellung 
und der Mittheilung" en „Nüzliche Güter". Beide categorieën van goede- 
ren vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; het 
onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan ge- 
rekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen enz.) 
het geestelijk element overwegend is. 

De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende 
neer. De uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) 
is eene onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals 
bij elke andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en 
kapitaal aanspraak op belooning, indien het voortgebrachte product 
in eene economische behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar 
termen voor zyn, ook ondernemerspremie) 2 ). Doch zoolang het ieder 
vrijstaat het uitgekomen boek na te drukken, is het den oorspron- 
kelijken uitgever niet mogelijk deze vergelding (speciaal de onder- 
nemerspremie) te genieten. De oorzaak hiervan ligt in de eigenaardige 
eigenschappen van het voortgebrachte product in het economisch 
verkeer. Hier komt nu het onderscheid uit tusschen de „symbolische" 
of „darstellende Güter" en de „nüzliche Güter". Beiden vereenigen 
in zich, zooals gezegd, een materieel en een geestelijk element en 
bij beiden wordt het geestelijk element na korter of langer tijd gemeen- 
goed. Het verschil is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van 
het „geestelijke") bij de goederen van de tweede soort langzamerhand 



1) De door mij geraadpleegde werken van SCHAEFFLE zijn: Die ausschlies- 
senden „Verhaltnisse" mit besonderer Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autor- 
recht, Patent-, Muster- und Markenschuz in Zeitschrift für die gesammte 
Staatswissenschaft 1867 (Band 23) pp. 113—218 en 291—476, en: Uebei- die 
volkswirthschaftliche Natur der Güter der Darstellung und der Mittheilung in 
hetzelfde tijdschrift 1873 (Band 29) pp. 1—70. 

2) Ik heb gemeend het woord „Unternehmei--Rente" dat Schaeffle hier 
gebruikt, te moeten vertalen door „ondernemerspremie" en niet door „onderne- 
mersrente" , zooals b.v. mr. de Kiddee deed. Cf. mr. N. G. Pieeson, Leerboek- 
der Staathuishoudkunde I pp. 230 sqq. 



99 



geschiedt, bij de „darstellende Güter" echter in eens. Om een boek 
na te drukken behoeft men geene proeven te doen, men behoeft zijne 
arbeiders er niet afzonderlijk voor te doen africhten, in één woord: 
het is niet noodig de tijd en geld kostende voorbereidselen te maken, 
die bij zuiver industrieele producten dengeen die ze het eerst op de 
markt bracht een voorsprong op de namakers geven. De nadrukker 
heeft te beschikken over een „ . . . mechanisch- und chemisch-tech- 
nischen, unmittelbar schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher 
Vollendung, wie derjenige des Original-verlegers ist" 1 ). 

Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden 
van het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop 
van tijd de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit 
op de markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te 
krijgen, is dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, 
die volgens de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten 
uitgever moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel- 
ongunstige eigenschappen van zijn product. 

Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het 
economisch verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die 
„symbolische Güter" voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen 
van loon en premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. 
Dit is het best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk 
monopolie, waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt 
geroepen, die in andere takken van economische voortbrenging vanzelf 
intreedt. 

Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht 
aangewezen: het is te beschouwen als een : „vorlaufig unentbehrliches 
künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeitdesfreien Verkehrs" 2 ). 
Wat het karakter van het recht betreft, het is een monopolie: het 
geeft niet de uitsluitende beschikking over een bepaald goed, maar 
de beheersching van eene bepaalde markt (Absatz-Verhaltniss). 

Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den 
arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische 
zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle's leer, waarvan ik de 



1) T. a. p. Band 23 p. 346. 

2) T. a. p. Band 23 p. 347. 



100 



voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te 
geven, vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, 
dat men daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht 
heeft laten vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën 
rechtvaardigt met betrekking tot den omvang en den aard van het 
auteursrecht. 

Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in 
kwestie brengt de theorie uit den " aard der zaak niets bij ; van 
economisch standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten 
van kunst en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in 
verband daarmede het auteursrecht te karakteriseeren niet als een 
recht op een goed maar als een monopolie, een recht om eene 
bepaalde soort van goederen alleen te mogen verkoopen, daarmede 
is ten aanzien van de juridische verklaring van het recht nog niets 
gezegd. Al is een voortbrengsel van het intellect geen economisch 
goed, daarom kan het nog wel object van een vermogensrecht zijn. 
Een rechtsleer, waarbij, op voorbeeld van deze economische theorie, 
niet de geestelijke scheppingen opzichzelf zouden worden beschouwd 
maar alleen de stoffelijke goederen, die aan deze scheppingen het 
aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht in het wezen van het 
auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohier van zijne leer 
schrijven: „Die hohe Bedeutung der Immaterialrechtstheorie aber 
liegt darin, dasz das Eecht eben mit einem Gedanken, der aus vielen 
Verwirklichungsformen sich ableiten laszt, in Beziehung gesetzt ist, 
dasz es mithin nicht an eine Verwirklichungsform gekettet wird, 
dasz es das Geistige in allen seinen Pormen und Metamorphosen 
erfaszt und erfüllt" *). 

Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie, 
geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht 
uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht 
niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men 
met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men 
den grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat hij den 
alleenverkoop van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt- 

Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als 
b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten 



1) Archiv für civilistische Praxis Band 82 p. 20S. 



101 



als eigendom en auteursrecht is al gewezen 1 ). Doch met dit verschil 
wordt in de theorie van Schaefüe geene rekening gehouden. Dat het 
auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde staten wordt erkend, 
dat het een eisch van het rechtsbewustzijn is, dat schrijvers en 
kunstenaars de uitsluitende beschikking hebben over de exploitatie 
hunner geestesproducten, daaraan werd bij deze economische be- 
schouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers de theorie gaat uit van 
een „vrij" economisch verkeer, waarin de nadrukkers vrij spel hebben, 
en het auteursrecht heet een „künstliches Surrogat der Distributiv- 
gerechtigkeit des freien Verkehrs". Doch deze „Distributivgerechtigkeit", 
welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan zonder recht; eriso.m. 
voor noodig dat private eigendom wordt erkend en gehandhaafd, dat 
geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan dwingen tot het 
nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. "Wil men nu, 
sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend 
het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan 
daartegen geen bezwaar bestaan — er is trouwens bijna geen 
economische theorie waarbij dit niet wordt gedaan — ; doch bij deze 
instellingen, wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort 
evengoed het auteursrecht. In het „vrije" verkeer, dat Schaeffle als 
uitgangspunt neemt, is het geoorloofd het product van een anders 
arbeid vrijelijk te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die 
vrijheid een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene 
„vrijheid", waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden 
en die trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat. 

Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle, 
maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met 
zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het 
economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op 
bijzondere wijze beschermd dienen te worden ; doch naast de historische 
en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk 
betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk 
voor te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft 
hij van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is 
geen „kunstmatig surrogaat" van de gerechtigheid, die in het vrije 
verkeer bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat;' doch het 



1) Cf. hierboven pp. 85 sqq. 



102 



is, evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, 
door de rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regel- 
matig verkeer. 

Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt, 
een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk 
punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een individueel 
geestesproduct het licht te laten vallen Hierdoor wordt de een- 
zijdigheid van Schaeffle's theorie wel eenigszins weggenomen; doch 
niettemin wordt aan diens economische beschouwingen door mr. de 
Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis gehecht, Volgens zijne 
boven aangehaalde woorden meende deze schrijver in de theorie te 
hebben gevonden: „een beginsel, dat zoo de wetgever zich leent tot 
deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, dat 
der sociale behoeften." Dat echter het „beginsel", hetwelk de eco- 
nomische theorie van Schaeffle aan de hand doet, den wetgever 
slechts zeer weinig houvast geeft, zal niemand kunnen ontkennen. 
Wil hij de theorie volgen, dan is zijne taak, den auteurs een recht 
van zoodanige afmetingen in te ruimen, dat zij een even groote 
kans op het verkrijgen van ondernemers-loon en premie hebben als 
andere ondernemers, of, zooals mr. de Ridder het uitdrukt: „dat de 
verhouding tusschen het verdiende gemiddelde loon en de mogelijke 
loonsrente behouden blijve" 2 ). Met deze wetenschap toegerust ga de 
wetgever nu maar aan den arbeid en trachte hij in het „rechte spoor" 
te blijven, waar vragen zijn op te lossen, als bv.: behoort tot het 
auteursrecht van een geschrift het uitsluitend vertalingsrecht, en, 
zoo het een tooneelstuk is, het opvoeringsrecht ? Welk is het recht 
van den vertaler? Is auteursrecht mogelijk op brieven, op dagblad- 
berichten? Hoever gaat de bevoegdheid om, zonder inbreuk op het 
auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk van een ander over 
te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in het licht te geven? 
Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing te komen van 
deze vragen en van vele andere van dergelijken aard, zal men ver- 
geefs in Schaeffle's theorie zoeken. 



1) Men zie: Hand. Ned. Jur. Vereeniging 1877 I pp. 75 sqq. en: Eenige 
beschouwingen over kopierecht pp. 96 sqq. 

2) Eenige beschouwingen over kopierecht p. 8. 



103 



Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken 
naar aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie 
van Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar 
niet als eene „ecomische" bedoeld; toch meen ik er eenige verwant- 
schap met de economische theorieën in te ontdekken en om deze 
reden schijnen mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde 
wijden, hier het best op hare plaats. 

Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels : 
„niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken" 
en: „de arbeider heeft recht op het loon van zijn arbeid." Uit ver- 
schillende bepalingen uit ons positieve recht tracht hij aan te toonen, 
dat onze wetgever deze twee beginselen, al zijn zij niet met zooveel 
woorden in de wet geschreven, toch steeds in hun vollen omvang 
heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal ik niet ingaan; het 
is trouwens reeds door meerdere schrijvers besproken en op vele 
punten bestreden *). 

De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, 
laat ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te on- 
derzoeken, of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk 
aankomt, een juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den 
grondslag van het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder 
meende gevonden te hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, 
dat den wetgever in het rechte spoor kon houden, wilde ook de 
Savornin Lohman met zijne leer geven: 

„Zoolang de ware grondslag" (scil. van het auteursrecht) „niet 
gevonden is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid 
moeten verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maarmogt 
een vast beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij 

in staat zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur 

toekomt." 

Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat 
de auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van 
het auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder 
grond zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken. 

Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ont- 



1) Men zie o.a. : Fkesemaïj- Viëtob in Bijdr. enz. XV pp. 27 sqq. en Mr. J. 
A. Lbvy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II pp. 16 sqq. 



104 



werper er mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord 
te geven op de vraag, wat moet worden verstaan onder het loon van 
schrijvers en kunstenaars. Dit wordt als volgt gedefinieerd: „Onder 
„het loon" van schrijvers en uitgevers verstaan wij dus datgene, wat 
al de koopers tezamen voor het nieuwe voorwerp betalen, boven de 
kosten, aangewend ter vervaardiging van elk exemplaar, zooals 
drukloon, fabrieksloon, enz." *). Elders drukt de schrijver zich zóó 
uit : „ . . het loon, dat voor een verkeerswaarde bezittenden arbeid 
betaald wordt, moet den arbeider ten goede komen" 2 ). 

Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in 
het verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den ateur ten 
goede komen ; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteurs- 
recht worden berekend. 

In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen 
trouwens reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het be- 
grip verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt ; 
immers zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunste- 
naars geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De 
redeneering berust dus op eene petitio principii : de » verkeerswaarde", 
welke de heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, 
is de waarde, Welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door 
eene wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. 
Daarom kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang 
van het auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten. 

Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van 
de theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs 
al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin 
die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch 
wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer 
Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat 
hem in staat zou stellen „juist en bepaald te omschrijven wat den 
auteur toekomt." Met behulp der theorie moest dus aangetoond 
kunnen worden, niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te 
worden, maar ook in welken omvang; dus welke de bevoegdheden 
zijn van een schrijver, hoe lang dit recht moet duren, enz. 



1) Bijdragen enz. XVI p. 58. 

2) Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 47. 



105 



Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit 
schijnt de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben 
ingezien; althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij 
zich als volgt uit: „Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk 
deel van het loon hij" (scil. de auteur) „moet ontvangen voor den 
arbeid, dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer zeker 
. moet hij een deel daarvan hebben" J ). Met deze verklaring is feitelijk 
erkend, dat de theorie niet kan geven wat de heer Lohman ermede 
had willen bereiken. Want hoe zal het beginsel „de auteur heeft 
recht op het loon van zijn arbeid" den wetgever als een „veilig 
kompas" kunnen dienen, indien eerst langs anderen weg moet wor- 
den uitgemaakt, hoeveel dit loon bedraagt? 

De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar 
mijne meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product 
van den schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het 
product; in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor 
den arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur 
heeft recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn 
arbeid maar : de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet 
over de resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. 
Zoolang dit uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn „waarde" 
en „loon" louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen 
die nog in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Ge- 
steld dat men naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van 
hem die zich deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand 
eraan denken ten antwoord te geven : de visscher heeft recht op het 
loon van zijn arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het ver- 
keer waard is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van 
de door hem gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze 
waarde verrijken, verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder 
zou inzien, dat met deze redeneering een noodelooze omweg wordt 
gemaakt, en dat men zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, 
indien men de „waarde" geheel buiten beschouwing liet en dadelijk 
sprak van een recht op het door den arbeid verworven goed, in 
casu de gevangen visch. Wel zou in dit geval de practische con- 



1) T. a. p. p. 10 



106 

clusie uit de leer, ondanks de foutieve redeneering, niet onjuist noch 
onbruikbaar behoeven te zijn ; doch de oorzaak hiervan is, dat hier 
de omvang van het te verleenen recht wél geacht kan worden a 
priori vast te staan. Er is moeilijk verschil van meening denkbaar 
over de vraag, welke de bevoegdheden zijn, die tot het uitsluitend 
recht op een visch behooren; daarom maakt het practisch weinig 
onderscheid, of men spreekt van de waarde van den visch of van 
den visch zelf, indien slechts in het oog wordt gehouden dat het, 
woord „ruilwaarde" bij anticipatie wordt gebruikt, daar vóórdat het 
uitsluitend recht een voldongen feit is van geen ruiling en derhalve 
evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn. 

Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat 
het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd is 
gekozen. Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de begripsver- 
warring die het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt, aan 
dezelfde eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In 
zijn betoog merkt de schrijver ergens op : „ ... wij juristen vragen 
slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de 
opbrengst?" *) en het schijnt wel of deze regel hem steeds bij zijne 
beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in een 
recht niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het vertegen- 
woordigt ! 

De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten ; 
van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde — 
ook waar men met vermogensrechten heeft te doen — slechts van 
ondergeschikt belang. "Want het recht dient ook ter bescherming van 
niet op geld waardeerbare belangen. Met deze laatste wordt in de 
theorie van den heer de Savornin Lohman geene rekening gehouden ; 
als eenig doel van het auteursrecht wordt vooropgesteld, dat schrij- 
vers en kunstenaars iets met hun arbeid zullen verdienen. Deze 
overweging schijnt bij den schrijver zoozeer overheerschende te zijn 
geweest, dat het eigenlijke onderwerp zijner beschouwingen, n.1. het 
auteursrecht, er soms door op den achtergrond geraakt. Dit was b.v. 
het geval in de beschouwing, die ik hier laat volgen, gehouden in 
de vergadering der Juristen-Vereeniging. Na te hebben uiteengezet, 
wat te verstaan was onder „het loon" van den schrijver van een 



1) Bijdragen enz. XVI p. 51. 



107 



boek, — n.1. datgene wat de verkoop der exemplaren opbrengt boven 
de kosten aan drukloon, papier enz. — ging de heer Lohman na, 
wat „het loon" is, in het gaval, dat die opbrengst niet meer bedraagt 
dan de kosten van de vervaardiging der exemplaren: „Mr Viëtor 
beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist bedraagt „den 
kostenden prijs", (waaronder hij dan verstaat kosten voor papier, 
drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het is alsof men 
zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen, omdat men 
dan juist met de kosten „zal kunnen uitkomen I" M. i. is er, wanneer 
een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en is het 
billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan het 
boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen, dat 
de fabriekant van het papier en de drukker het eerst zullen worden 
betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den auteur overschiet, 
deze eenvoudig ledig huiswaarts kan gaan" 

Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd te 
houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met deze 
redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers duidelijk, 
dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver nooit eenig 
geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie van het 
geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor bedragen; 
derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend exploitatie- 
recht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven dan de 
mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is de auteur 
gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht, dat men 
zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukkker kunnen 
dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of — zooals het in 
mr. Lohman's redeneering heet — hen te bewegen, met hem in 
het verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een 
soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen 
ten aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de 
slechte gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet 
meer opbrengt dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer 
van de producten enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal 
hier geen pacht kunnen bedingen, noch op eenige andere wijze 
geldelijk voordeel uit zijn goed kunnen trekken ; evenals de ongeluk- 



1) T. a. p. p. 10. 



108 

kige auteur, waarvan hierboven sprake was, is ook hij noodzakelij- 
kerwijze degeen, die „het laatst betaald wordt." Doch evenmin als 
in het eene geval de bepalingen over den eigendom op onroerende 
goederen, kunnen in het andere geval die op het auteursrecht aan 
deze omstandigheid iets veranderen. 

Met aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij 
voor anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, 
maar aan het product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het 
auteursrecht is niet een recht „om mede te deelen in het loon, dat 
het publiek bereid is te betalen voor de handelswaarde die gepro- 
duceerd is" maar een recht op de geestelijke schepping zelf. Dit 
denkbeeld moge nu in de volgende paragraaf eene nadere uitwerking 
vinden. 

§ 4 Het auteursrecht als recht op een 
onlichamelijk goed 

De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. 
Dit is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten 
grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal 
niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig 
is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan is 
degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is, 
ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met 
hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal even- 
min ernstige tegenspraak ontmoeten ; zij zijn de scheppers, de 
„makers" bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het 
woord poëet). 

Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product 
van een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van 
een uitsluitend recht kan dienen. 

Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn, 
is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht 
van schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel 
van het eigendomsrecht op het handschrift ; volgens deze zienswijze 



1) T. a. p. 11. 



109 



had men dus wel eene lichamelijke zaak, die object van het recht 
was, n. 1. het papier waar de schrijver zijn letters en de componist 
zijn noten op heeft geschreven. De eigendom — zoo werd gerede- 
neerd — geeft het vol genot over eene zaak; waar het dus een 
handschrift geldt, omvat dit genot ook de uitsluitende bevoegdheid 
van reproduceeren, omdat hierin juist de waarde ervan is gelegen 

Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet 
in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift 
is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts 
een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare) 
schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang 
het geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig 
uit ; het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs 
van het bestaan van het auteursproduct ; het voortbestaan van dit 
laatste is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop 
het door middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de 
eigenaar van het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over 
het lot van het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, 
zoodra er meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, 
die in handen van verschillende personen komen. 

In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op 
wettige wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift 
vervaardigt en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk 
op het recht van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat 
geheel buiten het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van 
dit laatste is zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig. 

De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een 
manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich 



1) In dezen zin o. a. reeds: Edotjard Labotjlaye, Etudes sur la propriété 
littéraire en France et en Angleterre, aangehaald door Fernand Benotjabd, 
t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de eigendomstheorie in dezen vorm voor- 
gedragen door mr. G. Belineante, Eet recht van den auteur, Themis 1877 pp. 
204a sqq. Eenigszins afwijkend is de leer, door dr. O. BaHE verkondigd in 
Archiv für Bürgerliches Recht VH pp. 150 sqq.; hij beschouwt niet het auteurs- 
recht als uitvloeisel van het eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar 
hij betoogt, dat daar waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift 
van een reeds lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift het 
recht toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken. 



110 

kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van 
dien eigendom niet meer bestaat ? En hoe zal het gaan, wanneer de 
auteur zijn werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt 
een redenaar eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf 
zijne redevoering uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, 
als eigenaar van het handschrift, het reproductierecht? Op deze en 
andere dergelijke vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord 
geven. 

Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.1. 
het recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voort- 
gebracht, dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van 
het recht te laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, 
maar met geestelijke scheppingen ; dit geldt - zooals hieronder nog 
nader zal worden aangetoond — niet alleen voor de scheppingen 
in taal en muziek, maar ook voor de werken van beeldende kunst; 
in het auteursrecht hebben wn' dus te zien een recht op een onlicha- 
melijk goed. 

Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de 
eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen 
of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen het 
begrip „geestelijken eigendom" in te brengen moge zijn, deze theorie 
had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door werd 
geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de 
voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het 
voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseer en; 
zij moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de 
andere materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van 
het intellect waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak 
immaterieel) goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te 
zijn. Hier ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken 
eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht, maar 
waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën, uit den weg 
is gegaan. In dit opzicht, n.1. wat de constructie betreft van het auteurs- 
recht als een recht op het geestesproduct, heeft Kohler's Immaterial- 
recht-theorie de leer van den intellectueelen eigendom tot voorbeeld 
genomen; de eigenaardige en van die der overige rechtsobjecten op vele 
punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele goederen leidden er 
echter toe, de erop gevestigde rechten als een afzonderlijke groep, niet 



111 



onder, maar naast eigendom en de andere zakelijke rechten, te be- 
schouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk -een scherp omlijnd 
begrip van het auteursrecht vast te stellen. 

In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort 
schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik 
stil te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherp- 
zinnige voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert 
ongeveer als volgt: *) Als ik een boek koop, word ik eigenaar van 
het bedrukte papier en daar dit maar één eigenaar kan hebben, 
neemt het recht van den schrijver daarop een einde. Waar ik ook 
eigenaar van kan worden, is van de in het geschrift vervatte ge- 
dachten, doch dit is geen uitsluitende eigendom, want ieder bezitter 
van een exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich de noodige 
moeite geeft, kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten kunnen dus 
meerdere eigenaars naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch het 
boek (in den materieelen zin van het woord) noch de gedachten 
voorwerp van het eigendomsrecht, dat het uitsluitend recht van 
drukken inhoudt, daar de schrijver bij de uitgave den uitsluitenden 
eigendom daarop verliest. 

Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden 
genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene 
wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met 
elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers 
eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen 
toeeigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik van 
zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan hij 
niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever het 
boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik 
van eens anders eigendom. 

Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht 
niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des 
geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift 
zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den auteur 
bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed denkbeeld. 



1) Beweis der Vnrechtmassigkeit des Büchernachdrucks. Sammtliche Werke 8 
pp. 224 sqq. 



112 



Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt Fichte te 
hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in de wijze 
van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in het 
voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen, 
dat hij met het volste recht kan spreken van zvjn manier van schrij- 
ven, van zyn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrek- 
king, die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord 
ongeveer niets gemeen heeft. 

Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht als 
een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen, dat het 
immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als een 
geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem 
bestaat, moet worden gedacht. 

„Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien 
Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches, 
aber ebenso sehr kann er ihnen durch die Aeusserung ein ausser- 
liches Dasein geben und sie veraussern, wodurch sie unter die 
Bestimmung von Sachen gesetzt werden" 1 ). Deze gedachte wordt 
echter niet zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling 
krijgt van het immaterieele object van den eigendom. 

De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete ge- 
dachten en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron 
geworden van groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders dei- 
eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder be- 
teekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben, 
aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen bepaalde ge- 
dachten openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het auteurs- 
recht kan zijn, dat b.v. de door een staatsman geuite denkbeelden 
over den politieken toestand, die van een historie-vorscher over een 
of ander tijdperk der geschiedenis niet het uitsluitend eigendom zijn 
van degenen, die ze het eerst verkondigd hebben, zoodat anderen, 
die over hetzelfde onderwerp schrijven, van die denkbeelden geen 
gebruik zouden mogen maken, behoeft wel geen betoog. Eene derge- 
lijke strekking wordt nergens aan het auteursrecht toegekend en 



1) Hegel's Grundlinien der Philosophie des Rechts § 43; men zie ook §§ 68 
en 69. 



113 



daarom heeft het ook geen zin om het te verwijten, dat het de ge- 
dachten in haar vrijen loop belemmert 1 ). 

Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden, 
die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de wijze 
waarop de auteur die denkbeelden in „het kleed der taal heeft 
gestoken" den vorm en dan te zeggen: de inhoud is gemeen goed, 
de vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader te 
definieeren, komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen 
reeds de groote verscheidenheid van geschriften maakt eene nauw- 
keurige omschrijving van hetgeen men met „vorm" en „inhoud" 
bedoelt, noodzakelijk. Men kan niet zonder meer de onderscheiding 
toepassen zoowel op een roman als op een wetenschappelijk werk, 
zoowel op een lyrisch gedicht als op een tooneelstuk. Doch ook als 
men slechts ééne bepaalde soort geschriften op het oog heeft, dient 
men de beteekenis, aan de woorden „vorm" en „inhoud" te hechten, 
beter vast te stellen, dan gewoonlijk door de schrijvers over auteurs- 
recht wordt gedaan. Zooals die termen thans dikwijls worden gebruikt, 
zijn zij eerder geschikt om verwarring te brengen dan om mede te 
helpen tot eene juiste karakteriseering van het immaterieele object 
van het auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering van vele schrijvers, 
die echter wegens hare oppervlakkigheid alle waarde mist, is b.v. 
de volgende: Het auteursrecht beschermt alleen den vorm; wanneer 
een geschrift wordt vertaald geeft de vertaler er een nieuwen vorm 
aan; derhalve kan de auteur zich niet verzetten tegen de uitgave 
van eene vertaling van zijn werk; het auteursrecht omvat dus niet 
het uitsluitend vertalingsrecht 2 V 

Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk ; de zaak 
is echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren, 
schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma 
beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar 



1) Zoo b.v. mr. J. A. Levy in Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 p. 2 : „Genoeg, 
dat gij met uw ellendig auteursrecht, benepen gewrocht van kleinzielige opvatting, 
er in geslaagd zijt haar, de gedachte, ten halve te kortwieken . . ." enz. 

2) Zoo b.v. mr. J. A. Levy, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. J. D. Veegens, De Gids 
1896 III p. 416; J. D. Dooeman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd (Leiden 
1885) p. 9; J. H. Kok, Auteursrecht en de Berner Conventie (Rotterdam 1905) 
p. 41. 

8 



114 



wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking 
tot bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als 
hij in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij eiken grond. 

Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan 
bewijzen, mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet 
alle geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohier — 
vooral in zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische 
Kunstwerk und sein Autorschutz - duidelijk in het licht gesteld. Hij 
noemde dit werk: „eine juridisch-asthetische Studie" en gaf het tot 
motto een regel, dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele 
schrijvers over auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl. : „Der 
richtige Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkennt- 
nisz der Kunst hindurch". Hieruit valt reeds op te maken, dat men 
in dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over „vorm" en 
„inhoud" heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. 
Het is Kohler's streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen 
van de verschillende soorten kunstwerken en geschriften door te 
dringen en eene waardevolle methode te vinden om ze te analyseeren 
en zoodoende in elk werk die bestanddeelen aan te kunnen wijzen, 
welke tezamen de schepping van den auteur en dus tevens het object 
van zijn recht uitmaken. Op Kohler's methode en hetgeen ermede 
kan worden bereikt, kom ik hierondèr nog terug. Wat ik er hier van 
wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men werkelijk langs systematischen 
weg tot de vaststelling van omvang en strekking van het auteurs- 
recht komen, „juridisch-aesthetische" beschouwingen als de hier be- 
doelde niet alleen van zeer veel nut, maar beslist onontbeerlijk zijn. 

In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar hunne 
innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden, openbaart zich 
reeds het groote verschil tusschen de rechten op stoffelijke en die 
op onstoffelijke goederen. Bij de eerste brengt de vraag, wat object 
van het recht is, in den regel niet de minste moeilijkheid mee; het 
stoffelijk goed, zóó als het in het gewone leven kan worden waar- 
genomen, is de zaak in rechtskundigen zin. Bij de rechten op onstof- 
felijke goederen daarentegen zijn de rechtsobjecten niet eenvoudig 
gegeven; het begrip dat ieder zich kan vormen van een geschrift of 
een kunstwerk is niet identiek met dat van het immaterieele goed 
dat zulk een geschrift of kunstwerk kan vertegenwoordigen. Vele 
geschriften en kunstwerken zijn in het geheel geen voorwerpen van 



115 



auteursrecht, van een immaterieel goed is daarbij dus geen sprake; 
en degenen die het wél zijn, zijn het niet alle in dezelfde mate. 
Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets, die eene getrouwe 
copie is van een andere ets, geen voorwerp van auteursrecht zijn. 
Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij, dan zal zij wel 
voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit geval is het 
recht van den etser van beperkte strekking. Slechts indien de ets 
een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur daarop het 
volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken, die door den 
gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis zullen worden 
geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen, zoodra men 
ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht beziet. In 
het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan dan een 
reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed 
voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de 
beide laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand ge- 
komen; doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechts- 
object op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van 
het recht in beide gevallen aanmerkelijk verschilt. 

Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik 
eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip 
van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, 
eene bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden 
meebrengt, die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke 
goederen' niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding 
kunnen zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten 
eene afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet 
den naam .eigendom" te geven, waardoor het onder de zakelijke 
rechten zou moeten worden gerangschikt. 

Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen 
auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet 
alleen vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter 
ver van elkander afwijken. 

Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een 
lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteurs- 
recht ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan 
bij het eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide 
rechten verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt, de 



116 



eigendom niet. Op deze belangrijke verschilpunten is door vele 
eigen „ ftt 1 ons land - reeds herhaaldelijk gewezen. Ik 

^ ï er onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht 
ZoZZ ^s ontbreekt wat den eigendom 1™^^ 
Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt 
zi ch ten slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een 
benaa d goed aan één persoon met uitsluiting van ieder ander vooi- 
behouden Wil men nu elk uitsluitend recht, onverschillig van welken 
aard het object zij, eigendom noemen »), zoo behoeft Ertegen op 
zSLlf nog geen bezwaar te worden gemaakt, indien men slechts 
Thet oog houdt, dat men zoodoende aan het woord eigendom eene 
Tndefe beteekeni; geeft, dan waarin het gewoonhjk in * 
taTwordt gebruikt. In het dagehjksch leven gaat men dikwuls met 
het gebruik van de woorden „eigendom» en „bezit" nog veel verder ; 
h m n g eg t bv. dat iemand een goede gezondheid, eene slechte reputatie 
eT of dat hvj eene uitgebreide kennis zijn «pndo» kan 

noemen, zonder dat daarbij natuurlijk gedacht wordt aan de rechts- 
instituten van denzelfden naam. 

Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigen- 
d0 m zondeTdat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aan- 
ging te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit dat het 
^Product den schrijver toebehoort, dat hij *—»*f^ 
recht heeft; terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in 
genste ling met andere rechten kenmerken, in het midden worden 
Xe Vele voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom 
en mei name Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling 
hebban gehTd. Hun léer gold niet zoozeer het Juridisch karakter a s 
wel den grondslag van het auteursrecht; het was hun doel aan te 
Tonen dat de auteurs recht o P bescherming hebben, en om te doen 
z en dat zij het met dit recht, dat aanvankelijk door memgeen ont- 



1) ^^F^^flTi Molenzee, Rechtsgeleerd 

2) Cf. in dezen zin: rrot. mr. v> . u. i ■ ^ 

Magazijn VI pp. 376, 377. 



117 



kend werd, ernstig meenden, noemden zij het, naar het recht «ar* e£ 0%^ 
eigendom. Dat in de hierboven vermelde beschouwing van Fichte 
b.v. het woord eigendom niet in den stfeng-juridischen zin moet 
worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat hij het ook gebruikt met 
betrekking tot de gedachten, welke men zich bij het lezen van een 
boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog, dat eigendom hier 
niet wordt bedoeld in den zin van een recht, dat tot object zou 
hebben „de gedachte" en tot subject „de persoon die haar denkt." 
Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen, dat een „geestelijke 
eigendom" van deze soort (een eigendom dus op den schat van 
kennis, die men zich heeft verworven) niet die is, welke hij voorde 
auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te wijten, dat bij 
latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt is blijven heer- 
schen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen de eigendoms- 
theorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de publicatie van 
zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten, daar hij niemand 
kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit zelfs niet zou willen, 
gesteld dat hij het kon, omdat het immers juist zijne bedoeling is, 
dat zijne gedachten de eigendom worden van anderen Met der- 
gelijke redeneeringen voert men een strijd tegen windmolens; het is 
mij althans niet bekend, dat er ooit iemand beweerd heeft, dat de 
letterkundige eigendom de strekking zou hebben, aan anderen te 
verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken. 

Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot 
ongerymde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van: 
uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit 
mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën 
met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de uit- 
drukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip 
eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als categorie, 
tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van de 
andere, geen waarde heeft. „Es ist das ein Begriff ', zegt Kohier 
hierover, „so vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu 
bestimmten besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa 



1) Men zie b.v. in dezen zin: Evebtsen de Jonge t. a. p. p. 23; Feeseman 
Viëtor, Bijdr. enz. XV p. 16; mr. J. A. Levt in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 
II p. 15.. 



118 



mit den Begriffen Wasser, Feuer, Luft und Erde, durch welche man 
ehedem die Dinge der Welt begreifen und erfassen wollte. Das Autor- 
recht als Eigentumsrecht nimmt sich etwa so aus, wie das Leuchtgas 
als Luft und die üüssige Kohlensaure als Wasser. Mit dieser Gestal- 
tungsweise laszt sich auf die Dauer nicht durchkommen" *). 

Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. 
De aangehaalde woorden van Kohier geven, in verband met de 
beschouwingen die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, 
waarom het begrip letterkundige of geestelijke eigendom in eene 
juridische verhandeling onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het 
bovenstaande reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler's leer 
van het Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigen- 
domstheorie zijn in te brengen, tegemoet komt. 

Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohier wellicht 
de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk 
bespreken. 

In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor 
sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren, 
zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. 
Zeer beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: „ . . . dasz aber 
irgend een Eecht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an einer bloszen 
Vorstellung, an einem lediglich und allein in den Gedanken existi- 
renden Dinge ohne alles auszerliche Substrat stattflnden solle, das 
ist etwas, was meiner Ansicht nach weder nach irgend einem 
positiven Rechtssysteme, noch vom Standpunkte einer philosophischen 
Rechtsbetrachtung aus zugegeben oder auch nur mit voller Klarheit 
gedacht werden kann" 2 ). 

Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende 
vraag uitdrukt : „Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig 
product op zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, 
later als gedrukt exemplaar) een bestaan heeft — laat staan een 
lichamelijk — dat den auteur, om zóó te zeggen, kan worden tegen- 
over gesteld?" 3 ) 



1) Urheberrecht p. 24. Men zie ook: Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 
141 eqq. 

2) Die Lehre mom Nachdruck pp. 37, 38. 

3) Eenige beschoimingen over kopierecht p. 77. 



119 



Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de 
gedachten bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in 't geheel 
niet. Iets dat niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een 
uitsluitend recht zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die 
men aan het woord „bestaan" geeft. Indien men alleen datgene als 
bestaande aanmerkt, wat eene plaats in de ruimte inneemt, dan 
moet inderdaad van de scheppingen van den geest worden getuigd, 
dat zij niet bestaan. Een bestaan in dezen zin hebben dan alleen het 
papier, waarop de schrijver letters heeft geschreven of laten drukken 
en het doek, waarop de schilder eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd 
(dus wat Schaeffle noemde de symbolische Ciüter), maar niet datgene, 
waarvan deze, opzichzelve onbelangrijke, verbindingen en vervor- 
mingen van de stof de middelen van uitdrukking zijn. De schepping 
van den schrijver en kunstenaar wordt zoo herleid tot een aantal 
verschijnselen, die zich in de stoffelijke wereld voordoen, te beginnen 
met verplaatsingen in de hersenmassa van den auteur bij de conceptie 
van het werk, gevolgd door bewegingen van zijn lichaam (bij het 
spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna de vervaardiging door 
hem of door anderen van exemplaren (van papier, inkt, doek, verf, 
enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer exemplaren ook 
bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein voordoen als 
bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of meer met 
elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van de 
materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen, 
waardoor zij zijn teweeggebracht. 

Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, ver- 
dichtsel en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden? 

Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan 
de realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons 
op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld 
vormen, volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid 
zou dus gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, 
en wat daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan. 

Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen, 
dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig 
van hetgeen „alleen in de voorstelling bestaat" ten scherpste wordt 
onderscheiden, nog geen absolute werkelijkheid is, d.w.z. dat daaraan 
geen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van ons denken, mag worden 



120 

toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke als onlichamelijke, bestaan 
slechts voor ons voor zoover wij er ons eene voorstelling van hebben 
gevormd; van beide soorten geldt gelijkelijk, dat zij niet rn de ervaring 
zijn gegeven, .maar ondersteld om de ervaring te helpen begrijpelijk 
maken" De voorstelling van het „ding" of voorwerp moet dus in 
onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen ons niet meer 
brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het ding zelf of 
deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest van zijne 
aanwezigheid. 

Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de 
grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding 
bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de 
eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot 
de overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffe- 
lijke dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit 
de door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische ge- 
gevens, opbouwen. 

Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke 
zaken als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar 
of minder met de „werkelijkheid" overeenstemmend zijn dan die van 
de lichamelijke voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste 
geval niet en in het tweede wel het uit de gegeven verschijnselen 
(mits deze natuurlijk werkelijk zijn waargenomen en niet gefanta- 
seerd) geconstrueerde „ding" als bestaande mogen aanmerken? 

Op de door Mr. de Bidder gestelde vraag, of men zou meenen dat 
het letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de 
voorwerpen waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exem- 
plaren), aarzel ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De 
constructie van het auteursrecht als een recht op een immaterieel 
o-oed berust dus niet op eene fictie; zij is evenzeer in overeenstem- 
ming met de feitelijke verhoudingen als die van eigendom, vrucht- 
gebruik hypotheek, enz. als rechten op lichamelijke zaken. En wat 
het door Jolly aangevoerde bezwaar betreft, dat men zich dit niet 
met volkomen helderheid zou kunnen denken, dit geldt dan zeker 
nog in verhoogde mate tegen de toch vrijwel algemeen geldende 



1) Dr. J. P. N. LAKS, Meiding tot de wijsbegeerte 2de druk 's Gravenhage 
1900 p. 109. 



121 



leer, volgens welke rechten als zaken worden beschouwd; waardoor 
men komt tot de constructie van een recht, hetwelk tot object heeft 
een ander recht. Indien men zich dit begrip duidelijk voor den geest 
kan stellen, dan behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht evenmin 
eenige moeilijkheid op te leveren 

Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te be- 
zwaren, maakt juist de theorie van Kohier het verkrijgen van een 
goed inzicht in de op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten 
zeerste gemakkelijk. In plaats van een aantal los van elkander be- 
staande bevoegdheden, (kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en 
uitvoeringsrecht enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, 
verkrijgt men één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voort- 
vloeien, het recht nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting 
van ieder ander over het geestesproduct te beschikken. Weliswaar 
blijft dan nog de moeilijke vraag te beantwoorden, waar de grenzen 
dienen te worden getrokken, binnen welke het uitsluitend beschik- 
kingsrecht is te beperken ; doch men heeft althans het voordeel, dat 
met behulp der theorie deze vraag stelselmatig onder de oogen kan 
worden gezien. In het algemeen kan worden gezegd, dat het uit- 
sluitend recht van den auteur het volle gebruik van het werk naar 
zijne economische bestemming omvat, hetgeen dus hierop neerkomt, 
dat in beginsel alle exploitatiemiddelen, waarvoor het werk zich 
leent, alleen door den auteur of zijne rechtverkrijgenden mogen 
worden aangewend. En waar op dit beginsel beperkende uitzonde- 
ringen zijn te maken, zal men den grond voor deze uitzonderingen 
weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf, dat immers 



1) Men heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een recht op een 
onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf als object aan te nemen r 
maar „het recht van reproduceeren" of „de reproductie". Zoo b.v. mr. A. A. de 
Putto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, 
Versl. en Mededeelingen der Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterk. 3de 
reeks 12de deel p. 17, die schrijft: 

„Tot die rechten" (n.1. rechten op onlichamelijke zaken) „behoort nu onge- 
twijfeld . . . het auteursrecht, waarvan het object, de reproductie van een werk, 
is onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk zelf reeds een materieel 
bestaan heeft." Juister en duidelijker is het m. i. in plaats van „de reproductie 
van het werk" het werk zelf als object te beschouwen. De reproductie is de 
handeling, waartoe het recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de inhoud 
van het recht. 



122 



naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft, dx een al 
te volstrekt (b.v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht met t ela ten. 
De nadere uitwerking hiervan behoort echter m de volgende hoofd- 

St H^auteur S s'recht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object 
heeft h~en auteur voortgebrachte, «™»^^^ 
kunst of letterkunde. Doch - en hiermede kom ik tot het tweede 
pun dat ik hier nog wenschte te bespreken - niet alle bevoegd- 
bid n der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlnk 
Ïot het auteursrecht worden gerekend, zijn als een ui Moei** jan 
net recht o P het geestelijk product te verklaren. Naast het verin gen - 
recht bestaat nog een ander recht, door de Duitsche schavers -Mm- 
aualrecM ot Per sönlicmüsr echt, door de Franschen rmnder mis t « 
moral genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen 
aanduiden met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds 
door enkele onzer schrijvers wordt gebruikt Onder Persoonlijk- 
heidsrecht heeft men in het algemeen te verstaan het recht op 
eerbiediging der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het 
e M op een bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men 
daarom kan noemen „Eecht an der eignen Persen" in tegenstelling 
me t de rechten aan zaken en de rechten aan andere personen »). 
De obiecten van dit recht noemt Gierke Persönlichkeüsgüter, d w.z. 
goederen, die onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. 
huisvrede, eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene 
m .i. zeer aannemelijke constructie geleverd van een subjectief rcht, 
dat tevens als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbe- 
scherming tegen een aantal onrechtmatige handelingen zooa s die 
b v in ons recht door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. 
Het. wederrechtelijk gebruik van eens anders naam het bmnendrmgen 
in een huis tegen den wil van den bewoner, het openbaar maken 
van hetgeen in vertrouwelijken kring is gezegd of ^schreven en 
vele andere „onrechtmatige daden" van dien aard zal men dus h b- 
l n te beschouwen als zoovele inbreuken op het persoonhjkhei s- 
recht van dengeen, tegen wien zij gericht waren. Doch Gierke brexdt 



« Oa Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaf*, Rechtsgeleerd Magazyn 1887 
p Prof m, D. Sxmons, Leerboek van het Nederland Strafrecht lip- 65. 

2) O'. Gierke, Deutsches Privatrecht I t. a. p. pp. 260 sqq. 



123 



den kring der persoonlijkheidsrechten te ver uit, door ook het geheele 
auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte rekent hij de geestes- 
producten tot de „Persönlichkeitsgüter" ; hetgeen dus zou moeten 
beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig bestaan hebben, 
doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van de persoonlijk- 
heidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar, dat schrijvers 
en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt, „iets van zichzelf' 
in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen recht om te zeggen: 
de auteur en zijn werk zijn één. Eeeds het feit, dat hetgeen in het 
binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft, maar tot een 
kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld treedt eö 
aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven, doet de 
onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur met zijn 
werk. Treffend is de opmerking van Kohier in dit verband: „eine 
jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und 
dem Geschaffenen" J ). Dat dit ook door Gierke niet geheel over 
het hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object 
van het auteursrecht is, aanduidt als „ein Geisteswerk, das kraft 
seiner Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner 
auszerlichen Fixierung ein unabhangiges Dasein und kraft seiner 
Beschaffenheit als unleibliches Gut einen selbstandigen Werth hat" 2 ). 
Hiermede is moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoon- 
lijkheidssfeer van den auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet 
Gierke, om zijn leer met de mogelijkheid van overdracht van het 
auteursrecht in overeenstemming te brengen, toegeven, dat het 
geestesproduct als object van het auteursrecht, een ,von der Person 
ablösbares Persönlichkeitsgut" is 3 ), waarmede m. i. een van de 
meest karakteristieke eigenschappen van het „Persönlichkeitsgut" 
wordt losgelaten. 

Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht 4 ), maar een 
vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand 
goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals 



1) Urheberrecht p. 5, cf. ook p. 1. 

2) T. a. p. p. 765. 

3) T. a. p. p. 767. 

4) Tegen de leer van Gierke zijn door Kohler nog verschillende andere 
bezwaren ingebracht. Men zie: Urheberrecht pp. 1 sqq., Archiv für bürgerliches 
Eecht X pp. 246 sqq. 



124 



reeds is opgemerkt, een aantal, met het auteursrecht in meer of 
minder nauw verband staande, rechten, die men vergeefs zou trachten 
als bestanddeel van dit vermogensrecht te verklaren. Hiervoor nu 
kan de theorie der persoonlijkheidsrechten goede diensten bewijzen. 
Als uitvloeisel van het persoonlijkheidsrecht van den auteur zal men 
b. v. hebben te beschouwen de bevoegdheid om zich tegen de publi- 
catie van niet voor het publiek bestemde geschriften (zooals brieven, 
dagboeken, onvoltooide letterkundige werken, enz.) te verzetten. 
Hier is werkelijk een Persönlichkeitsgut te beschermen, n. L de ver- 
trouwelijke uiting, hoogstens voor een kleinen kring van vrienden 
en verwanten bestemd, of wel de onvoldragen letterkundige schepping, 
waarvan de auteur zich nog niet heeft weten los te maken. 

Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het ge- 
bruik van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing 
worden gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld 
zullen worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen 
kunnen verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander 
openbaar wordt gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem 
afkomstig is, op zijn naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel 
moest men zich, zooals wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen 
maar laten welgevallen, in de laatste jaren echter komt men meer 
en meer tot het inzicht, dat het tot de taak van het recht behoort, 
de eerbiediging der persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen ver- 
zekeren. 

Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen 
het openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder 
voorkennis van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook 
hierdoor wordt hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in 
dien gewijzigden vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat 
zijnen naam als kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen. 

Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van 
den auteur ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel 
dient te worden onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijk- 
heidsrecht en het auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste 
als het ware in het laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid 
dezer onderscheiding niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een, 
goed begrip ook daar wenschelijk, de twee rechten uit elkander te- 
houden. Wij hebben in die gevallen, zooals Kohier het uitdrukt, met 



125 



een Doppélrecht te doen, d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde 
handelingen bescherming verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den 
auteur een werk, dat deze nog in manuscript heeft, uitgeeft, maakt 
inbreuk zoowel op het auteursrecht (uitsluitend exploitatie-recht) als 
op het persoonlijkheidsrecht (recht om te beslissen of het geschrift 
al dan niet openbaar zal worden gomaakt). Ook met eigendom kan 
het persoonlijkheidsrecht op eene dergelijke wijze samengaan. Het 
binnendringen in een huis b.v. kan tegelijkertijd zijn een schending 
van het eigendomsrecht en van het persoonlijkheidsrecht (recht op 
huisvrede) *). Practische beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht 
eerst, wanneer er geen ander recht is, waaruit hetzelfde verbod is 
af te leiden. Huisvredebreuk kan b.v. ook gepleegd worden tegen 
iemand, die niet het minste recht op het door hem bewoonde huis 
kan doen gelden; dan is het dus alleen het persoolijkheidsrecht, 
waarop inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook het persoonlijkheids- 
recht van den auteur voorkomen zonder auteursrecht; wanneer b.v. 
dit laatste is vervreemd of indien het een werk betreft, dat niet tot 
de beschermde auteursproducten is te rekenen, zoodat er in het 
geheel geen auteursrecht heeft bestaan. 

In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in 
verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; 
wat hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen 
zien, dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht 
hebben te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde 
strekking kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestand- 
deel daarvan uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust 
en een eigen rechtskarakter vertoont. 



1) Cf. Kohxee, Urheberrecht p. 16. 



HOOFDSTUK III 
DE OBJECTEN 



§ 1 Algemeen overzicht en groepeering 

In het algemeen kunnen de producten, die voor bescherming door 
auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met de, ook 
in verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking : werken van kunst 
en letterkunde. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook opgevat, wordt 
het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een belangrijke groep 
van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als „Immaterial- 
güter" zijn te beschouwen, vallen er buiten, nL: uitvindingen en 
modellen van nijverheidsproducten, de voorwerpen van het zoogenaamde 
„industrieele eigendomsrecht." 

Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten van 
overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde, nl. be- 
scherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied tegen 
onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en 
strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men 
echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk 
zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling- 
betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht 
de Conventie van Parijs van 20 Maart 1883 voor den industrieelen 
eigendom *). Dit zou weüswaar opzichzelf nog geen reden behoeven 



1) Ik blijf mij van den gebruikelijken term „industrieele eigendom" bedienen, 
hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen de uitdrukking- 
, letterkundige eigendom". 



127 



te zijn, om ook bij eene wetenschappelijke beschouwing deze twee 
rechten zoo scherp uit elkander te houden ; doch naast de practische 
redenen, die verschillende voorzieningen eischén, bestaat er ook een 
verschil in karakter van de rechtsobjecten, dat bij het bepalen van 
het begrip van elk dezer rechten het trekken van een grenslijn 
tusschen beide rechtvaardigt. Hiermede is echter niet gezegd, dat 
de juiste plaats van deze grenslijn overal even gemakkelijk is aan 
te wijzen. 

Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin 
hebben te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van 
industrieelen eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver 
intellectueelen arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich 
hebben. Bij de meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg 
overwegend zijn (zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, 
muziek, verzen, romans en tooneelstukken) terwijl de werken, 
waarmede dit niet het geval is (b.v. wetenschappelijke geschriften, 
werken der bouwkunst), slechts in zooverre onder de beschermde 
auteursproducten zijn te rekenen, als zij eene, meer of minder be- 
langrijke, aesthetische schepping vertegenwoordigen. Geen voorwerp 
van auteursrecht kan dus zijn wat alleen de vrucht is van het 
koel-overleggend en berekenend verstand, ook al is daarbij nog zoo- 
veel arbeid of vindingrijkheid te pas gekomen. Daarmede is tevens 
gezegd, dat uitvindingen buiten het auteursrecht vallen; niet alleen 
de uitvindingen op het gebied der nijverheid, waaronder men de 
objecten voor den industrieelen eigendom heeft te zoeken, maar ook 
die op elk ander gebied. 

Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen 
auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op, minder 
gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de grens ligt 
tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het woord kunst- 
nijverheid wijst reeds op het bestaan van eene groep voortbrengselen, 
die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe zijn onder 
meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en luxevoorwerpen, 
weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk, meubelen, 
versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In de 
wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige 
landen door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van 
kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits 



128 



een voortbrengsel een kunstwerk kan worden genoemd (dit woord 
hier op te vatten in zijne allerruimste beteekenis), moet het volgens 
deze opvatting, indien het ook overigens daarvoor in de termen valt, 
voor een object van auteursrecht worden gehouden, ook indien het 
aan practische doeleinden dienstbaar is gemaakt. Dit beginsel vindt 
men o. a. in de loi-type der Association, welke op dit punt reeds in 
enkele wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het 
ontwerp is toepasselijk op alle werken van plastische of graphische 
kunst „quels que soient leur mérite, leur emploi et leur destination" 
{artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder gelegenheid zijn, op deze 
kwestie terug te komen ; hier worde slechts aangestipt, dat men door 
het terrein van het auteursrecht in deze richting uit te breiden, de 
moeilijkheid, die het vinden van eene nauwkeurige grensscheiding 
tusschen auteursrecht en industrieelen eigendom oplevert, niet opheft, 
maar slechts verplaatst. 

Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot 
eene nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht 
kan zijn, dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen, eenige 
groepeering te brengen in de bonte menigte „werken van kunst en 
letterkunde". 

De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken 
aan, waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste 
plaats is de onderscheiding te maken tusschen de werken der 
beeldende kunsten, die met hjnen, vormen en kleuren aesthetische 
indrukken pogen te wekken door middel van het gezicht en die, 
welke men met Schuster *) zou kunnen noemen werken der 
„sprekende" kunsten, omdat zij onmiddellijk door geluid, en slechts 
middellijk door schrift-teekens waarneembaar worden gemaakt, nl. 
de voortbrengselen der woord- 2 ) en der toonkunst. Tot deze laatste 
groep zal men echter ook moeten rekenen de werken, waarin niet 
door middel van letterteekens en noten, maar met Ujnen, kleuren en 



1) Dr. Heenrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonlcunst in Oesterreich, 
Deutschland und andern europdisehen Staaten p. 1. 

2) Hier en in het vervolg gebruik ik het woord woordkunst in den ruimen 
zin van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel gebruikt. Cf. hierover: 
Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsehe Letterkunde Haar- 
lem 1907 Inleiding p. XLII. 



129 



figuren iets wordt beschreven of uiteengezet. In deze werken, waartoe 
b.v. gerekend moeten worden: landkaarten, platte gronden, graphische 
voorstellingen, doorsnede-teekeningen van gebouwen en machines enz., 
vervullen de lijnen en kleuren een soortgehjke rol als letters en 
woorden in een geschrift. „Auch hier" — schrijft Kohier over deze 
soort werken — „handelt es sich um eine Sprachkunst, da auch hier 
nicht nur die technisch richtige Anwendung der sinnbildlichen Mittel, 
sondern die weise Auswahl des Wichtigen aus der Ueberfülle des 
Vorhandenen für die Brauchbarkeit and üebersichtlichkeit entscheidend 
ist" 1 ). "Wij hebben hier dus te doen met eene taal, die niet hoorbaar 
kan worden weergegeven. 

Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen 
aard; nl. pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting 
worden gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zicht- 
bare teekens : gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen 
ook in schrift worden gebracht door middel der choregraphie, een 
woord dat het eerst schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, 
dansmeester te Parijs, die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat 
tot titel voert : Choregraphie, ou l'art oVécrire la danse par caractères, 
figures et signes de'monstratifs. Ook ten aanzien van deze werken 
bestaat er dus reden te spreken van eene taal, die gedanst kan 
worden en geschreven, maar niet gesproken. 

Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel 
zij daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld : de bouwkunst, 
de verschillende soorten van kunstnijverheid of technische kunsten 
en de photographie. 

Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten: 

I De werken, waarbij als materiaal eene taal dienst doet, en wel: 

a) de woordtaai (geschriften van allerlei aard); 

b) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van tech- 
nischen of wetenschappelijken aard; 

c) de taal der muziek (werken der toonkunst); 

d) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische werken); 

II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden vallen : 
a) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in twee 

afmetingen) als plastische (in drie afmetingen); 

1) Urheberrecht p. 131. 

9 



130 



b) de kunstnijverheid; 

c) de photographie ; 

d) de bouwkunst. 

Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder 
een van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal 
is de bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. In 
sommige landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische 
werken, terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën 
en de producten der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde 
auteursproducten worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofd- 
groep .werken van beeldende kunst" onbeschermd is, staat echter 
in dit opzicht onder de beschaafde staten alleen. 

In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende 
auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook 
werken zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ont- 
staan te danken hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben 
tusschen de kunst van het woord en die van het beeld (geïllustreerde 
geschriften, teekeningen, inzonderheid caricaturen met onderschriften) ;. 
tusschen dans en muziek (bij bijna alle pantomimes en balletten 
behoort muziek); maar vooral is zij van belang tusschen de woord- 
en de toonkunst. Tekst en muziek kunnen op verschillende wijzen 
met elkander in verbinding worden gebracht tot de vorming van 
een geheel. Het meest los van elkander blijven zij daar, waar het 
geschrift (vers of prozastuk) slechts de aanleiding is geweest voor 
het ontstaan van eene zelfstandige muzikale compositie; waar de 
componist er dus naar heeft gestreefd eene verklanking in tonen te 
geven van hetgeen door een ander (of door hemzelf) in woorden was 
uitgedrukt. Men spreekt in die gevallen van programma-muziek in 
tegenstelling van de dusgenoemde absolute muziek. De band is reeds 
nauwer, waar de muziek als begeleiding van het gesproken woord 
optreedt. Dit voert tot het zoogenoemde melodrama, een kunstvorm 
die in de laatste jaren weer meer in zwang schijnt te komen. De 
innigste samensmelting van woord en toon vindt men echter in de 
vocale muziek, composities voor de menschelijke stem, al of niet 
met instrumentale begeleiding. Hoewel het altijd mogelijk blijft,, de 
twee elementen, waaruit deze werken bestaan, muziek en tekst, van 
elkander te scheiden, zijn zij toch meestal te beschouwen als één 
geheel, zoowel uit aesthetisch oogpunt (men denke b.v. aan de muziek- 



131 



drama's van Richard Wagner) als met het oog op de exploitatie. 
Ten' aanzien van het auteursrecht is dit 'in verschillende opzichten 
' van belang »); in dit verband is het voldoende erop te wijzen, dat 
naast het recht op de muziek en dat op den tekst bij deze werken 
ook kan bestaan een recht op het geheel, zoodat dit laatste in het 
auteursrecht als een afzonderlijk rechtsobject is te beschouwen. 

Iets dergelijks is het geval met de „verzamelwerken", d. w. z. 
werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen, zooals b.v. 
bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze samen- 
stellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste 
wetten (ook onze wet: art. 2 lid la, en 2) het auteursrecht toe op dit 
geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp 
van auteursrecht. 

Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin 
aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die zich in 
abstracte zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend exploitatie- 
recht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de praestaties 
van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers, instrument- 
bespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke schepping 
niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de „creatie" van 
een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat zich ten aanzien van deze 
kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht van exploitatie in het 
verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, kan misschien voor 
een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot nu toe slechts 
in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, deze kunst- 
praestaties buiten toedoen van den „auteur" te exploiteeren. Doch 
evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de behoefte aan kopie- 
recht heeft doen ontstaan en de verschillende reproductie-methodes 
van prenten en schilderijen tot het verleenen van auteursrecht op 
werken van beeldende kunst hebben geleid, is het niet geheel onmo- 
gelijk, dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van soort- 
gelijken aard zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee uitvindingen 
van de laatste jaren, die in dit opzicht niet geheel zonder gevolg 
zijn gebleven, n.1. de phonograaf of grammophoon en de kinematograaf. 
De eerste dient, zooals bekend, tot het reproduceeren van klanken, 



1) Men zie b.v. : Schustee t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 sqq. 



132 



die door middel van een naald, die op bepaalde wijze op de geluids- 
trillingen reageert, in een cylinder of plaat zijn gefixeerd. Vocale en 
instrumentale muziek en ook de sprekende menschelijke stem worden 
door middel van de daarvan gemaakte phonogrammen nauwkeurig 
hoorbaar weergegeven 1 ). 

Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige belissing 
van het Hof van Berlijn, waarbij erkend werd het „auteursrecht" 
van den zanger op zijne stem. Een zanger had liederen gezongen in 
een phonograaf en de door hem „bezongen" rollen waren in den 
handel gebracht. Hiervan werden nu zonder zijne toestemming door 
een derde nieuwe reproducties gemaakt. Het Hof nam aan, dat het 
ten gehoore brengen van gezang voorbereidenden intellectueelen 
arbeid vereischt en dat het product van dezen arbeid, evengoed als 
een geschrift of eene muzikale compositie, als object van auteurs- 
recht is te beschouwen volgens de (toen nog van kracht zijnde) wet 
van 11 Juni 1870 2). 

Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, 
vooral indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat 
met eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebaren- 
spel en mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinemato- 
graaf maakt het mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk 
hoorbaar en zichtbaar weer te geven. 

Een Congres de Vart théatral, gehouden te Parijs in 1900, heeft 
reeds den wensen uitgesproken, dat de tooneelspeler tegen de repro- 
ductie zijner interpretatie zou worden beschermd 3 ). Ook de Association 
heeft zich met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook 
ter sprake, of niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering, 
i. e. w. de „aankleeding" van een stuk, voorwerp van een uitsluitend 
recht behoort te zijn 4 ). Wat dit laatste betreft bestaat er een arrest 



1) Men zie over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf in ver- 
schillende opzichten voor het recht kan hebben: J. Woltekbeek Muller, De 
Phonograaf in het rechtsleven, Proefschr. Leiden 1895. 

2) Droit d' Auteur 1901 p. 128. 

3) Men zie: D. A. 1900 p. 111. 

4) Congres van Vevey, Aug. 1901, D. A. 1901 p. 104. Op het congres van 
Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming der uit- 
voerende kunstenaars wederom door Ostekkieth ter sprake gebracht en werd 
tot nadere bestudeering ervan besloten. D. A. 1907 p. 117. 



133 



van 30 Dec. 1898 van het Cour d'appel van Parijs, waarbij wordt 
beslist, dat aan het théatre de la Porie- Saint-Martin het auteursrecht 
toekomt op de mise-en-scène van het dóór die schouwburg-onder- 
neming vertoonde stuk Cyrano de Bergerac. Na de overweging, dat 
de decors als kunstwerken zijn te beschouwen, die de bescherming 
der wet genieten, wordt in het arrest verder gezegd : „ . . . qu'il en 
est de même de la mise en scène, comprenant les costumes et le 
groupement des personnages, dont le plan général et la conception, 
le plus souvent réglés par un livret manuscrit ou inprimé, sont une 
oeuvre de 1'esprit susceptible d'être protégée par la loi. Qu'il suit de 
la que la reproduction *), soit des décors, soit de la mise en scène, 
ne peut être faite sans le consentement du propriétaire" 2 ). 

Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn, 
welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betref- 
fende bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de 
Fransche wet van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen 
aldus te beslissen, kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch 
slechts de vraag onder de oogen te zien, of het in het algemeen 
aanbeveling verdient het begrip .kunstwerk" in het auteursrecht zoo 
ver uit te breiden, dat daaronder ook de praestaties van zangers, 
tooneelspelers, regisseurs enz. gerekend zouden moeten worden. Voor- 
alsnog bestaat er m. i. alle reden, deze vraag in ontkennenden zin 
te beantwoorden. 

Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft, 
hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van 
een kunstwerk, ten eenenmale. Kohier merkt hierover zeer juist op: 
„Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht blosz aus den Auf- 
zügen und Gewandern, sondern auch aus dem Arrangement der 
Zimmer, aus der Gruppirung der Naturobjecte - diese ist aber 
ebenso wenig ein Kunstwerk, als ahnliche Arrangements im Leben 
es sind" 3 ). Hij maakt dan nog verder de opmerking, dat een enkel 
stuk van het decor, een schilderij, dat in de kamer, welke het tooneel 
verbeeldt, is opgehangen, een gobelin enz. wel als werken van beel- 



1) De reproductie was in dit geval geschied door de photographie. Een geïl- 
lustreerd tijdschrift had afbeeldingen opgenomen van enkele tafereelen uit het stuk. 

2) D. A. 1899 p. 20. 

3) Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz p. 61 noot. 



134 



dende kunst object van auteursrecht kunnen zijn, doch dat het feit, 
dat zij tot de aankleeding van het stuk behooren, daarbij niet in 
aanmerking is te nemen. Dit komt imj voor, de juiste opvatting te 
zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal zittend, binnen het raam der 
tooneel-opening aanschouwen, is niet de in beeld gebrachte voor- 
stelling van een kunstenaar, maar een stukje werkelijkheid ; de lijnen 
en kleuren, die wij in het tafereel bewonderen, zijn die van de voor- 
werpen en van de personen zelf, welke zich op het tooneel bevinden. 
Het schikken en groepeeren kan dus niet als het scheppen van een 
kunstwerk worden beschouwd, ondanks de artistieke talenten, die 
eraan ten koste kunnen zün gelegd. Om dezelfde reden vallen ook 
buiten den kring der kunstwerken in den hier bedoelden zin : tableaux- 
vivants, gecostumeerde optochten uitstallingen voor winkelruiten 
of op tentoonstellingen enz. enz. 

Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals 
reeds werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping 
in zich hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen 
zijn - het behoeft nauwelijks te worden gezegd - niet maar te 
beschouwen als instrumenten in de hand van den schrijver of com- 
ponist. Het ten gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur 
moge tot in de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, 
hoe de ideale hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en 
dit ook min of meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt 
vooral voor muziekwerken); de verwerkelijking hiervan moet hij aan 
anderen, de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk 
niet weg, dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en 
een drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler ; beide kunsten zijn 
in dat geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van 
elkander te onderscheiden. 

In denzelfden geest laat Kohier zich over de uitvoerende of repro- 
duceerende kunsten uit ; hij wijst er tevens op, dat eene uitvoering 
of voordracht wel te beschouwen is als „ . . . eine Augenblicksausze- 
rung mit allen Zufalligkeiten des Augenblicks in Bezug auf Stimme 



1) Dat een gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan zijn vol- 
gens het Zwitsersehe recht, werd uitgemaakt door het Hof van Cassatie te Ziirich 
27 Aug. 1890, D. A. 1390 pp. 136 sqq. Cf. ook: Kohlee, KnnstwerTcrecht pp. 
31 en 32. 



135 



Betonung, Ausdrucksweise ;" doch dat dit nog geen reden is om het 
als object van auteursrecht te verwerpen, daar ook van sommige 
„Autorwerke" (als voorbeeld noemt hij dé improvisatie) hetzelfde 
kan worden gezegd Deze verwijzing naar de improvisatie was 
m.i. niet eens noodzakelijk; ik zou zelfs meenen, dat in het alge- 
meen het werk van uitvoerende kunstenaars niet meer dan dat van 
de „scheppende" in engeren zin onder toevalligheden als b. v. de 
stemming van het oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en 
de componist komen ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet 
met hun werk onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefe- 
ningen en overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de 
technische moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te over- 
winnen zijn, maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, 
hunne vertolking te ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig 
en onbezonken in mocht zijn geweest. Met een improvisator zou 
m.m. te vergelijken zijn de pianist, die een hem onbekend stuk d me 
in de concertzaal zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar 
is zoo iets echter niet licht te verwachten. 

Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van 
meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohier 
opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars 
niet als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: „Wohl aber 
kann an allem diesen (d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook 
b. v. die van den orkest-leider) ein Persönlichkeitsrecht bestehen, 
denn es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische 
Nachaffung ihrer Augenblickstatigkeit zu bewirken und ihrhierdurch 
dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, namlich die „Gunst" 
des Augenblicks." 

In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, 
hoewel ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het 
recht der uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond be- 
staat, geen auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker 
waar, dat een zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande 
schepping vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet 
los te maken van hun persoon ; wat zij te bewonderen geven is niet 
iets dat zij hebben gemaakt, maar hetgeen zij doen. Met het oog 



1) Urheberrecht p. 137. 



136 

hierop is Kohler's karakteriseering van de reproductie hunner kunst 
als „Nachaffung ihrer Augenblickstatigkeit" zeer goed te aanvaarden. 
Ik meen echter, dat dit niet steeds zoo behoeft te blijven. De repro- 
ductie-middelen, welke hier ten dienste staan (speciaal grammophoon, 
phonograaf en de „Mignon"-piano), zijn nog betrekkelijk gebrekkig; 
behalve de stem of de muziek die zij weergeven hoort men nog 
storende bijgeluiden, en de rollen en platen die worden gebruikt zijn 
te klein, om werken van eenigszins langeren adem zonder af te breken 
ten gehoore te brengen. Indien men echter nagaat, welke vorderingen 
de techniek reeds heeft gemaakt, is de verwachting niet zonder grond, 
dat men ook deze gebreken in den loop der jaren zal weten te ver- 
helpen. 

Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, 
zal ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie 
der uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. 
Wat het woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het 
muziekschrift voor de componisten, zal het klankschrift worden voor 
de kunstenaars van het geluid: een middel om hunne kunstschepping 
buiten hun persoon te belichamen en haar zoodoende voor anderen 
waarneembaar en genietbaar te maken, zonder dat deze in persoon- 
lijk contact met den kunstenaar behoeven te komen. Indien men er 
eenmaal in slaagt, door middel van het phonogram eene aesthetische 
genieting te verschaffen, die gelijk komt aan die welke door het 
aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven, dan zal men niet 
meer kunnen spreken van «mechanische Nachaffung ihrer Augen- 
blickstatigkeit." Het zal dan niet meer zijn eene nabootsing van 
hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik deed, maar zijn 
werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. En daarmede zal 
het principieele verschil tusschen werken van dezen aard en die van 
de scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels zijn ver- 
vallen. Ik zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang en 
spel dan niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten 
rekenen, als geschriften, muzikale composities en werken van beel- 
dende kunst. 

Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en vei> 
houdingen, waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit zullen 
intreden en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. Het 
zou dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband hier- 



137 



mede reeds nu van een auteursrecht, toekomende aan zangers, voor- 
dragers, tooneelspelers enz. te spreken. Het doel mijner opmerkingen 
was slechts, te doen uitkomen, dat de kring der objecten van auteurs- 
recht nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat de grenzen, zooals 
wij die nti hebben te stellen, waarschijnlijk binnen niet al te langen 
'tijd reeds te eng zullen blijken. 

§ 2 Geschriften 
a Kenmerkende eigenschappen 

De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van auteurs- 
producten, waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van de 
geschriften, juister gezegd: van de werken der woordkunst. Want 
ook daar, waar niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in 
taal voorhanden zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare 
afbeelding van hetgeen in de taal is gewrocht en geen essentieel 
bestanddeel daarvan. Er bestaat daarom geen reden om onderscheid 
te maken tusschen de werken, welke de auteur in schriftvorm 
waarneembaar heeft gemaakt, en die welke op andere wijze tot 
uiting zijn gekomen. De auteur kan zijn werk hebben voorgedragen 
voor een grooter of kleiner publiek; indien het een tooneelstuk is, 
kan hij aan eiken tooneelspeler diens rol mondeling hebben ingeprent; 
en ook is het geval denkbaar (al zal het in werkelijkheid wel tot 
de groote zeldzaamheden behooren), dat hij zijn geestesproduct - een 
gedicht b.v. — alleen aan den phonograaf heeft toevertrouwd. In al 
deze gevallen is er aan een werk in woordtaai het aanzijn gegeven, 
zonder dat er ook maar één letter behoeft te zijn geschreven. Doch 
men zal inzien dat deze omstandigheid niets afdoet aan de vraag, 
of deze werken al dan niet object van auteursrecht kunnen zijn! 
Waar het alleen op aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze 
tot uiting is gekomen en dus niet alleen in den geest van den auteur 
bestaat, maar door anderen hetzij waargenomen is, hetzij buitenden 
auteur om waargenomen kan worden. 

Niet elke uiting in woordtaai kan echter als een auteursproduct 
worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar 
van auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping 
tot stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er 



138 



moet zijn, wat Kohier met eene, moeilijk te vertalen uitdrukking 
noemt: „ein künstleriches Gebilde der Sprache" *). Hiermede wordt 
niet bedoeld, dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de zoo- 
genaamde „schoone letteren" (belletrie, „literatuur" in engeren zin). 
Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel hebben aesthetische 
aandoeningen te verwekken (b.v. in wetenschappelijke verhandelingen), 
valt eene zekere „.woordkunst" niet te miskennen. „Zu den Kunst- 
werken," — schrijft Kohier,. — „mindestens zu den Kunstwerken in 
thesi, zu den bestimmungsgemaszen Kunstwerken gehören auch 
diejenigen literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes 
sind, auch diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke 
verfolgen: denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels 
der Sprache, die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische : 
sie ist eine Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit 
der Freiheit des Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache 
nicht dem bloszen Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke 
setzt, sei es auch nur die Zwecke der Belehrung oder der Massen- 
wirkung. Allerdings: die Belehrung und die Massenwirkung als 
Zweckwirkung ist nicht Esthetisch, denn die Kunst ist nothwendig 
zwecklos, sie darf wenigstens direkt keinen anderen Zweck ver- 
folgen, als die Zwecke des Schönen; wohl aber ist hierbei die 
Benützung der Sprache eine künstlerische, weil die Sprache über 
ihre ursprünglichen Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes, sich 
erhebt, weil sie dadurch ihre eigentlichen Zwecke abwirft und relativ 
zwecklos wird" 2 ;. 

Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt, 
b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in 
gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht 
geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal 
zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo 
te zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat : „eine dem ordentlichen 
Kreis des Lebensverkehrs entzogene abgerundete Darstellung" — 
zooals Kohier het elders uitdrukt 8 ). 

Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik, dat van 



1) Urhéberrecht p. 128. 

2) Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz p. 7. 

3) Urhéberrecht p. 138. 



139 



de taal kan worden gemaakt, het „künstlerische'' en het „nicht ~ 
künstlerische", heeft Kohier een juist en doeltreffend criterium aan 
de hand gedaan om te beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot 
■de auteursproducten is te rekenen *). Vele schrijvers hebben zich 
met deze vraag beziggehouden ; want dat niet alles wat gesproken 
of geschreven kan worden een door auteursrecht beschermd „geschrift" 
is, daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om 
de kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. 
Gierke stelt b.v. als eisch: „Urn aber ein Schriftwerk (n.1. volgens 
de Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss die Merk- 
male eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch Formgebung 
individualisirter Gedanken-inhalt darstellen," en eenige regels verder ; 
„Es muss sich als originale geistige Schöpfung effenbaren, die so nur 
aus der Arbeit eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte" 2 ). 
Dat Gierke het kenmerk vooral in het persoonlijke karakter van de 
gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk met zijne theorie der „Persön- 
lichkeitsrechte", waartoe ook het auteursrecht volgens hem behoort, 
samen. Overigens is hetgeen hij als vereischte stelt voor een geschrift 
om voorwerp van auteursrecht te zijn, niet onjuist, al laat m. i. 
Kohier beter het licht vallen op datgene, waar het voornamelijk op 
aankomt. 

Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder 
goedgekozen en niet ter zake doende kenteekonen opgegeven ter 
beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wensche» 
sommigen alleen die geschriften als .auteursproducten te beschouwen, 
welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver 
daarvoor zijn bestemd 3 ). Doch de eigenschap, welke hier als kenmerk 



1) De onderscheiding is niet alleen mot het oog op liet auteursrecht vun 
belang. Men zie b.v. Gustav Gebbek, Die Sprache als Kunst, 2e Aufl. Berlin 
1885 I p. 48, waar onderscheiden wordt tusschen : „die Sprache des Bedürfnissee" 
en „die der freien Darstellung". Van de eerstgenoemde zegt Gerber; „Diese 
Sprache des Bedürfnisses, die Prosa der Sprachkunst, gehort aber gar nicht in 
der Litteratur: sie wird, wenn nicht scharf, doch genügend, als Sprache des 
gewShnliehen Lebens bezeichnet." 

2) Gierke t. a. p. p. 770. 

3) Men zie b.v.: Daddb, Léhrbuch des Deutschen Urhéberrechts p. 13 ; Mandey, 
Kritische Vierteljahrschrift VII pp. 40 sqq.; Jolly t. a. p. pp. 115 sqq.; 
Besei.ee, System des gemeinen deutschen Prwatreehts III p. 335. 



140 



moet dienstdoen, vindt niet zoozeer haar oorsprong in de gesteldheid 
van het werk zelf, dan wel in daarbuiten liggende omstandigheden, 
als b.v. de smaak en de ontwikkeling van het publiek, de uitgebreid- 
heid van het gebied der taal, waarin het werk is geschreven, enz. 
Deze omstandigheden zijn bovendien aan verandering onderhevig: 
een geschrift, dat op het tijdstip zyner voltooiing niet „verlagsfahig" 
is, kan dit later worden en omgekeerd. Dit criterium mist dus allen 
vasten grond. 

Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt als 
„vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp van 
kopierecht te maken." Behalve dat het werk een „individueel letter- 
kundig geestesproduct" moet zijn (eene omschrijving, die niet onjuist, 
maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog: „dat 
(het) mechanisch kan worden gereproduceerd" (iets dat voor een 
geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat „deze verveelvoudiging 
een vermogensvoordeel kan opleveren" 1 ). Door dit laatste wordt 
wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, 
maar eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandig- 
heid tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, 
die hierbij wordt gegeven 2 ), niet volkomen duidelijk geworden, hoe 
moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogens- 
voordeel te behalen al dan niet bestaat. 

Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Neder- 
landsen schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de — door onze 
wet beschermde — geschriften. Een geschrift moet volgens dezen 
schrijver zijn „een letterkundig geestesproduct" en dit laatste wordt 
omschreven als: „product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, 
als geheel, van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waar- 
aan men, wegens vorm of inhoud, waarde hechten kan" »). Op deze 
definitie zijn verschillende aanmerkingen te maken. De „schrifte- 
lijke vorm" is, zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel 
bestanddeel van een „geschrift" en had dus in de definitie niet 
behooren opgenomen te worden. Dat een werk, om beschermd te 



1) N. DB Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 95, 96. 

2) T. a. p. pp. 102 sqq. 

3) J. G. Robbees Jr., Het Auteursrecht, Opmerkingen en beschouwingen, Am- 
sterdam 1896 p. 13. 



141 



zijn, van „individueelen geestelijken arbeid" moet getuigen, kan 
worden toegegeven, doch de uitdrukking is, behalve vaag (wat betee- 
kent eigenlijk „individueel" in dit verband?) te veel omvattend, daar 
elke individueele geestelijke arbeid nog geen auteursarbeid is; men 
denke bv. aan het moeitevol ontcijferen van een handschrift of aan 
het werk van den stenograaf, die eene snel-uitgesproken redevoering 
in schrift heeft te brengen. Ten slotte moet aan het geschrift, volgens 
mr. Robbers, „wegens vorm of inhoud" waarde kunnen worden ge- 
hecht. Dat eene onbestemde uitdrukking als deze niet bevorderlijk 
is tot het verkrijgen van een scherp omlijnd begrip behoeft nauwelijks 
te worden gezegd. M. i. ware dan ook deze laatste zinsnede beter 
geheel weggelaten. De beteekenis kan niet anders zijn dan deze, dat 
de geestelijke arbeid, die aan het werk is besteed, althans eenig 
resultaat moet hebben gehad, dat er iets, al is het nog zoo weinig, 
door tot stand moet zijn gekomen, dat door een redelijk wezen ge- 
waardeerd kan worden. Waar dit niet het geval is — b.v. bij de 
uiting van een krankzinnige — kan men moeilijk spreken van een 
„product des geestes". De geest heeft zich misschien wel afgetobd, 
maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben voortgebracht. 
Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging van woorden en 
„zinnen" zonder organisch verband geen „geschrift" is, in den zin 
waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse hoop 
steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had, 
dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze 
(scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou 
echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen 
lezen, dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in 
aanmerking komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken 
of aesthetischen aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, 



1) Als voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een brief van een 
krankzinnige, medegedeeld door dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 
2e druk p. 460 noot 1 : „Aangezien ik tot heden geene constitutioneel honig 
ontving, vermeen ik, dat de gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, 
te veronderstellen, dat er eene honige constitutie bestaat." Eene dergelijke zin, 
of eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan geen voorwerp van 
auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in voor tegen de taal- en stel- 
regels. Men heeft hier te doen, niet met eene gebrekkige, maar met eene mislukte 
uiting in woordvorm. 



142 



zijn de bezwaren ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond 
om gebrekkige of weinig belangrijke geschriften van de bescherming 
uit te sluiten; het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf 
te vinden, waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het let- 
terkundig of wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten 
beschouwing te worden gelaten *) ; de eenige eisch, die mag worden 
gesteld, is, dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe 
opzettelijk kunstmatig bewerkte taal. 

Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohier gegeven 
begripsbepaling, die ook daarom boven anderen te verkiezen is, omdat 
zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat aan de auteurs- 
bescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: belooning van 
den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht op het 
voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, 
waar iets is voortgebracht, waar eene schepping — of zoo men liever 
wil: een maaksel — van den geest voorhanden is. De meerdere of 
mindere volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; 
evenmin komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning 
toe noodig is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid 
hebben wij te maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteurs- 
recht te zijn, eene kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding 
of ontdekking); en daar wij hier alleen met werken in woordvorm 
te doen hebben: eene kunstschepping in taal, „ein künstlerisches 
Gebilde der Sprache". 

Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men 
eene uiting in woordtaai tot de auteursproducten rekenen. Doch hier- 
mede is nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele 
goed, dat object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets 
meer dan enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal 
wordt uitgedrukt hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit 
kan eene aesthetische schepping zijn, die, zij het dan ook slechts 
bij benadering, ook met andere woorden of in eene andere taal zou 
kunnen worden uitgedrukt. Dit stelt ons voor eene andere vraag, 
niet minder belangrijk dan de voorgaande, nJ. hoever reikt in elk 

1) Mr. Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet spreekt van 
letterkundige waarde, daar hij dit een te subjectief begrip acht; het is mij echter 
uit zijne toelichting niet volkomen duidelijk geworden, welke eigenschappen van 
vorm of inhoud hij hier dan wél in aanmerking wenscht te zien genomen. 



143 



geval de schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve 
de taal, als het maaksel van den schry ver .te beschouwen ? Eerst 
wanneer deze vraag naar behooren is beantwoord, kan men zich een 
zuiver denkbeeld vormen van den omvang van het door den auteur 
voortgebrachte goed en dus tevens reeds eenigermate van den omvang 
van zijn recht. Want steeds is vast te houden aan het beginsel, dat 
de auteur alleen datgene het zijne kan noemen, wat zijn scheppend 
talent heeft voortgebracht. 

b Vorm en inhoud 

Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers over 
auteursrecht met de woorden „vorm" en „inhoud" omspringen en 
over de geringe waarde die daarom aan hunne reden eeringen is te 
hechten, heb ik reeds met een enkel woord gesproken. Het ergst van 
allen maakt het zeker wel mr. J. A. Levy, die in een kort opstel 

— voor zoover mij bekend het eenige geschrift van zijne hand dat 
over auteursrecht handelt *) — zich aan zóóvele onnauwkeurigheden 
en onjuiste redeneeringen schuldig maakt, dat het mij niet overbodig 
voorkomt, er de aandacht op' te vestigen ; vooral daar wij hier te 
doen hebben met een jurist van groot gezag, wiens uitspraken gretig 
worden aangehaald door degenen, die zich — om welke reden ook 

— op hetzelfde standpunt plaatsen, in casu de tegenstanders van 
onze aansluiting bij de Berner Conventie 2 ). 

Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de 
uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte 
gedachte tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort: 

„Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom van den vorm 
der gedachte. Welnu, dit is in goed Hollandsch : huichelarij. Er be- 
staat bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag : of ge- 
dachte en taal identiek („spreken is overluid denken, denken is stil 
spreken"), dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter gedachte 
en woord een innig samenhangend, onverbreekbaar bijeenbehoorend 



1) Nederland en de Berner Conventie in: Het Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 
pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het debat op de bovenbesproken ver- 
gadering der Nederl. Juristenvereeniging. Cf. hierboven pp. 88 sqq. 

2) Men zie b.v.: J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 
1905 p. 42. 



1U 

samenstel zijn, daaraan twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te 
denken van een rechtsstelsel, dat den frontaanval: de gedachte tot 
eigendom te verklaren, niet durft te wagen, en nu geniepig zijn doel 
bereikt, door te scheiden, wat de wetenschap één verklaart ?" 

Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte 
(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander verbonden, 
dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander niet; 
bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming 
van het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee 
leidt dus tot niets. 

Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder 
verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde 
onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: „Door den 
vorm tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud 
aan den vorm ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoo- 
danig reeds juridisch verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij 
tusschen inhoud en vorm onderscheiden wilt, moet de eerste, niet 
de laatste den toon aangeven." 

Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. 
De vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van 
auteursrecht zyn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom 
wezen, omdat ... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit 
thema gaat de schrijver nog eenigen tijd door: , ... het op den voorgrond 
sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij daardoor 
wordt ontzield". . . . „Ongeraden blijft het steeds van rechtswege de 
meening te doen postvatten, dat het bij de letterkunde slechts om 
den vorm, het golvende kleed der zwierige phrase, en minder om 
den inhoud te doen is. Wie weet, in hoeverre onze bestaande auteurs- 
wet verantwoordelijk is voor den klinkkank en den zingzang, onvol- 
dragen vruchten eener aanstormende bent, die Neerlands drukpersen 
doet zwoegen, terwijl Apollo het aangezicht zich omsluiert?" 

Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het 
auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te 
doen hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteurs- 
recht als een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te 
eerbiedigen, zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen ; 
want het privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders 
hetzelfde zijn. Op dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor 



145 



de wet nog verder dan de wet zelf, die de meeste buitenlandsche 
werken onbeschermd laat (artt. 27 en 28). Deze eerbied strekt zich 
echter niet tot het' uitsluitend vertalingsrecht uit, dat toch ook — 
zij het dan in beperkte mate — door onze wet wordt erkend (art. 5). 
Op de vraag, of het auteursrecht ook het vertalingsrecht omvat, wordt 
ten antwoord gegeven: „Neen en beslist neen. Zoo min als ik mijne 
persoonlijke overtuiging nopens de ijdelheid van alle auteursrecht — 
tegen de wet in, die ik naleven moet — prijs geef, zoo min wy'k ik, 
nopens het beweerd vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, 
hoe rumoerig zij ook optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalings- 
recht met een staketsel van spitsvondigheden ; men plaatse daarvoor 
eene lijfwacht van uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der 
lompheid beter hanteeren dan den degen der bewijsvoering, — het 
vertalingsrecht is eene aanmatiging, een hersenschim." 

Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst 
doen uit het Lehrbuch der Psychologie van F. Jodl (Stuttgart 1898 
pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft 
Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist 
weer met hetgeen hij erop laat volgen: „Wat hij (scil. Jodl) leert, 
is: de vertaler arbeidt met zyn eigen gedachtensfeer, met zyn eigen 
voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de vertaler, op als 
gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den invloed, den 
weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking is een 
logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders dan 
bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem, 
met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan 
dien arbeid des geestes de e^ewschap van eigen te zijn? enz." 

Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen 
bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van „vrije vertaling" en „bewerking" 
gesproken als van synoniemen en worden beide voor „een logen" 
uitgemaakt, terwijl in de volgende zin deze uitspraak ten aanzien 
der „vrije vertaling" wordt bevestigd, doch ten aanzien der „bewerking" 
wederom weersproken door de bewering: „nooit wordt zij anders 
dan bewerkt", m. a. w. elke vertaling is eene „bewerking". 

Doch vooral in verband met de beschouwingen over „vorm en 
inhoud", die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het ver- 
talingsrecht opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is 
eene bescherming van den inhoud en niet van den vorm, en zou 

10 



146 



dus door Mr. Levy, indien deze zich consequent betoond had, als 
het minst verwerpelijke bestanddeel van het auteursrecht beschouwd 
hebben moeten worden. Wij zien hier echter juist het tegenovergestelde 
geschieden. De groote nadeelen, die uit het „op den voorgrond sleepen 
van den vorm" ten koste van den, veel meer belangrijken, inhoud, 
voortspruiten, schijnt Mr. Levy weer te zijn vergeten, waar hij schrijft : 
„Voor „auteursrecht" klampt men zich vast aan den vorm. Hier 
ontzinkt u ook deze, want des vertalers vorm is de vorm van den 
vertaler. Wat blijft er over?" En in een naschrift, naar aanleiding 
van eene repliek van den heer Plemp van Duiveland aan het opstel 
toegevoegd, wordt dit nog eens, met een beroep op het feit, dat ook 
onze wet alleen den vorm beschermt, herhaald: „Wij waren het er 
immers over eens, niet waar, dat onze wet den vorm alleen beschermt? 
Valt dit object van bescherming weg, naardien immers een blinde 
ziet, dat des vertalers vorm zijn eigendom is, wat blijft er dan, in 
's hemels naam, te beschermen over?" 

Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. 
Wat er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin 
van zijn opstel den „inhoud" genoemd heeft, dus datgene wat over- 
blijft, als men het geschrift „het golvende kleed der zwierige phrase" 
heeft uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van „klinkklank en 
zingzang". 

Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica 
in Mr. Levy's betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt 
beweerd, dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar 
geheel vormen en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. 
Terstond daarop wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen 
iets onbestaanbaars zou zijn, indien de eerste stelling waarheid be- 
vatte) afgekeurd, op grond dat daardoor de letterkunde wordt „ont- 
zield" enz. En dit betoog loopt tenslotte uit op eene veroordeeling 
van het uitsluitend vertalingsrecht, waarvoor als voornaamste argument 
moet dienen, dat het auteursrecht (en speciaal het auteursrecht van 
onze wet) . . . alleen den vorm beschermt ! Wat eerst als iets onmogelijks 
wordt voorgesteld en daarna ten scherpste wordt afgekeurd, datzelfde 
is nu plotseling een vanzelf sprekend feit geworden : „immers een 
blinde ziet, dat des vertalers vorm syjn eigendom is . . ." ! 

Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde 
bewijzen en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op apo- 



147 



dictischen toon worden verkondigd, is inderdaad niet te vinden. En 
indien het waar is, wat mr. Levy beweert: dat slechts aan zijne 
zijde met den „degen der bewijsvoering" wordt gestreden, terwijl 
zijne tegenstanders geen ander wapen hebben dan „den knuppel der 
lompheid", dan kunnen deze laatsten zich tenminste troosten met 
de gedachte, dat het edele wapen, waarmede zij worden aangevallen 
doch dat z\j zelve missen, weinig kwaad kan, zoolang er — zooals 
hier — slechts gaten mee in de lucht worden geprikt. 

Doch laat ons thans het vraagstuk van „vorm en inhoud" wat 
meer van nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met 
de verhouding tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door 
de wetenschap één worden verklaard? 

De stelling: „spreken is overluid denken, denken is stil spreken" 
is inderdaad door sommige geleerden verdedigd l ), doch door een 
zeker niet minder groot aantal met groote beslistheid tegengesproken. 
Dat denken en spreken één zijn, dat er dus geen denken zonder 
spreken mogelijk zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. 
Mannen van grooten wetenschappelijken naam hebben het tegendeel 
betoogd niet alleen, maar argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. 
moeilijk voor weerlegging vatbaar zijn. 

Steinthal 2 ) b.v. noemt een groot aantal gevallen op, waarin gedacht 
wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van denkende wezens 
die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de dieren, en wat 
een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook normale 
menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand wordt 
gephantaseerd — hetgeen ook een intellectueel handelen kan worden 
genoemd — zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van 
ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarby 
wij een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons 
opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp 
onzer beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens 
zonder hulp der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche tee- 
kens, die in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen 



1) Men zie b.v.: Ludwig NoieÉ, Max Muller und die Sprach-Fhilosophie, 
Mainz 1879 pp. 36 en 81. 

2) Dr. H. Steinthal, Abriss der Sprachmssenschaft (erster Teil, Die Sprache 
im Allgemeinen) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq. 



148 



en op het Chineesche schrift, waarbij het meer aankomt op het zicht- 
bare teeken dan op het klankbeeld, welk laatste de Chineezen soms 
zelfs niet eens schijnen te kennen. Het denken - schrijft Steinthal — 
moge ons met behulp van woorden gemakkelijker vallen, dit komt 
dan hierdoor; „weil wir an diese Krücke gewöhnt sind" *). 

Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. Land 2 ). 
Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen volgens dezen 
schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de opgewekte eigen 
werkzaamheid van den hoorder of lezer. „Keeds dat schetsachtige 
van alle spreken en schrijven, en de behoefte aan tegemoetkoming 
van den anderen kant, maakt de vereenzelviging van denken en 
spreken, als ééne zaak met een binnen- en een buitenzijde, onaan- 
nemelijk". Ook deze schrijver geeft toe, dat het denken, uit kracht 
der gewoonte, wel meestal met spreken of althans met voor zichzelf 
in woorden brengen, gepaard gaat. Doch hij wijst erop, dat dit nog 
geen .denken in" de eene of andere taal beteekent. Want hoe dik- 
wijls zou men niet wenschen verschillende talen door elkander te 
mogen gebruiken, om elk deel van hetgeen men denkt goed tot zyn 
recht te laten komen, en hoe dikwijls moet men niet iets van de 
schakeering zijner gedachten opofferen om de taal zuiver te houden 3 ). 

En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige 
aan te halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden 
rede 4 ) over de vraag: „Is denken zonder woorden mogeUjk?" aldus 
uit: „Ik meen echter, dat het antwoord zeer beslist moet luiden: 
denken zonder woorden is mogelijk, geschiedt zelfs door ieder mensch 
iederen dag." Men moet daarbij onderscheid maken tusschen bewust 
en onbewust denken ; alleen van het eerste kan gezegd worden dat 
het meestal — dus niet eens nog altijd — met woorden geschiedt. 
„Dat er echter" — gaat dr. Woltjer voort — „een denken zonder 
woorden is en in en door ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo dikwijls 
voorkomende geval, dat wij naar een woord of naar het juiste woord 



1) T. a. p. p. 51. 

2) Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk. 's Gravenhage 
1900 p. 457. 

3) T. a. p. p. 459. 

4) Het woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Bede gehouden bij de overdracht 
van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October 1908 door Dr. J. Woltjer, 
Hoogleeraar in de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14. 



149 



voor een gedachte of eene voorstelling moeten zoeken. Uit het zoeken 
zelf blijkt, dat wij de voorstelling of wat het ook zij, wel hebben; 
wij beoordeelen daarnaar verschillende woorden, die ons door associatie 
of op eenige andere wjjze voor het bewustzijn komen; wij beoor- 
deelen ze naar den maatstaf, of ze passen om uit te drukken wat 
wij uitdrukken willen; passen ze niet, dan zoeken wij een ander 
woord, totdat wij het juiste gevonden hebben en zeggen: dat is het. 
We hebben dus de gedachte, maar het symbool voor de gedachte, 
het woord hebben we niet" 1 ). 

Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde af- 
komstig zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen 
om op hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt vol- 
doende rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor één 
èn hetzelfde; met Steinthal 2 ) meen ik te moeten onderscheiden 
tusschen den „darzustellenden Gegenstand" en de taal, die „den Gegen- 
stand darstellt"; dus tusschen datgene wat de schrijver heeft te 
zeggen en de reeks van woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd 
heeft. Noemt men nu het eerste den inhoud en het tweede den vorm 
van het geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, 
dat de inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden is, 
maar dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, 
dat het niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen 
vorm te vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onver- 
anderd terugvindt. 

Het „geven van een anderen vorm aan den inhoud" geschiedt 
voornamelijk bh' het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal 
één is met hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, 
die immers andere woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodza- 
kelijkerwijze andere gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan 
de oorspronkelijke schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel 
nieuw werk zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oor- 
spronkelijke vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van 
Mr. Levy te zijn blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch 
m. i. kan dit niet in ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegen- 
zeggelijk geschriften, waarvan de taal zoozeer een essentieel bestand- 



1) T. a. p. p. 15. 

2) T. a. p. p. 62. 



150 



deel uitmaakt, dat zij bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden 
weergegeven zóó dat hun wezen behouden blijft; doch zij vormen 
verreweg de minderheid; en reeds uit het feit, dat men deze ge- 
schriften „onvertaalbaar" pleegt te noemen, valt af te leiden dat 
men onder vertalen verstaat het getrouw en volkomen weergeven 
van hetzelfde werk in eene andere taal ; indien vertalen het scheppen 
van een nieuw werk was, zou immers elk geschrift „vertaald" kunnen 
worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of moeilijk te vertalen ge- - 
schriften voor een oogenblik uit, dan kan als algemeene regel worden 
gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten en gevoelens, die den 
inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken, nauwkeurig weergeeft. 
En al moge hier en daar een enkele gevoels- of gedachteschakeering 
verloren zijn gegaan, daar staat tegenover, dat de vertaler misschien 
op andere plaatsen uitdrukkingen heeft weten te vinden, welke die 
van den oorspronkelijken schrijver, die aan de middelen van zijn 
eigen taal gebonden was, nog in juistheid en duidelijkheid overtreffen. 
Wat het boek door de vertaling lijdt, is doorgaans zoo gering, dat 
het niet in aanmerking behoeft te worden genomen: men bedenke 
dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt beeld is van de diepste 
en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat de vertaling geen nieuwe 
gedachten brengt maar dezelfde als het origineel schijnt Steinthal 
zoozeer als iets vanzelf sprekends te beschouwen, dat hij de moge- 
lijkheid van vertaling als een argument gebruikt voor de splitsbaar- 
heid van taal en gedachte: „Die Fahigkeit der Uebersetzung aus einer 
Sprache in die andere zeigt doch wohl klahr, wie der Gedanke nur 
über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen lebt als in seinem 
Leibe" *). Eigenaardig is het, hiernaast eene opmerking van Schopen- 
hauer te leggen, waarin juist met behulp der door Steinthal ge- 
wraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot de taal als de 
geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en gedachte en 
de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt afgeschilderd : 
„Daher" (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het Latijn en in 
de moderne talen) „kann man sehr selten eine bedeutende Phrase 
aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen : sondern 
man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen, 
ganzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne 



1) T. a. p. p. 54. 



151 



alle Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder 
mit einem neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen 
Worten, die ihn in ganz andrer Formen wiedergeben ; so dasz z. B. 
was im Original durch Substantive, jetzt durch Verba ausgedmckt 
wird u. s. w." 1 ). Wat hier duidelijk als Schopenhauer's opvatting 
uitkomt, is dat — ondanks het groote verschil in constructie — toch 
de nieuwe, latijnsche zin denzelfden inhoud heeft als de oorspronke- 
lijke ; de geest is volgens zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist 
hij nu in een ander lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt 
gezegd, geldt natuurlijk nog in verhoogde mate van een geschrift in 
zijn geheel; sommige kleine onderdeelen kunnen in de vertaling 
minder zuiver zijn weergegeven, doch in de groote lijnen blijft het 
werk ongerept. 

Er zijn echter — zooals ik reeds opmerkte — geschriften, waarop 
het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is, n.1. die- 
genen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te zoeken 
in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf: de 
rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in 
poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel niemand 
willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral door 
de letterkundige beweging van '80 op den voorgrond gebracht, volgens 
welke bij de beoordeeling van een vers uitsluitend met deze twee 
factoren rekening moet worden gehouden. In poëzie zou dus geen 
inhoud bestaan, die van den vorm kan worden afgescheiden, of zoo 
dit al mogelijk is, dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, 
zonder eenige waarde zijn. Lk veroorloof mij, ter nadere kenschetsing 
van deze, ook voor het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele 
aanhalingen van hare meest bekende voorstanders. 

„Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, weêrgegeven in 
geluid . . . Dat toch de poëzie niet alleen ligt in de beteekenis der 
woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. in een vers van 
Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders rangschikt, 
als de dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver logisch 
oordeel, is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging 



1) üeber Sprache und Woi-te, Parerga und Paralipomena II (Akthük Scho- 
PENHAUEB's sümmtliche Werke, herausg. v. Eduaed Geisebach V p. 602, 
variante). 



152 



verloren. Wel een bewijs dat de poëzie niet kan bestaan zonder de 
klankexpressie, 't gezongene van 't vers, in verband natuurlijk met 
de woordbeteekenis" *). 

„De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek van 
Kloos en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der „klank- 
expressie", door hen het eerst aldus genoemd, en gevestigd op de 
stelling dat als poëzy de gedachte zonder den vorm of klank volkomen 
zonder waarde is. Immers had de gedachte op zich zelve waarde, 
dan zou er niet een essentieel onderscheid zijn tusschen een slechte 
vertaling en een goed origineel, tusschen een schooljongens-inhouds- 
verslag der Comedia en het werk van Dante zelf, tusschen een 
leelyk fotografiesch portret en den levenden mensch" 2 ). 

„Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is het 
minst symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de allernauw- 
keurigste expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat 
melodie en zielstoestand éénzelfde ding is. 

Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zn'n. Want woorden 
zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan 
verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden — 
zoo goed als melodieën — en enkel door hun geluid en hun rhythme 
kunnen zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel zeker zal een 
woordenreeks expressiever zh'n naarmate zij minder zinnebeeld en 
meer muziek is. 

Het geluid van menschenwoorden kan zóó vol en innig zijn, dat 
deze schh'nen als melodiëen, geen symboliek, maar zielstoestanden 
zelf" 3). 

„Wat gij doen moet" (nl. bij het voordragen van verzen) „is 
alleen op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet 
gij laten hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den 
rhythmus noemt, en het geluid van de klanken ...Ik spreek nu 
gemakshalve van den vorm, om u duidelijk te maken wat ik bedoel. 
In rhythmus en geluid zit de geheele inhoud, zoodat men eigenlijk 
niet van een afzonderlijken vorm kan spreken. Vorm en inhoud van 



1) Willem Kloos, Nieuwere Literatuur-Geschiedenis I p. 197. 

2) L. VAN Deyssel, Verzamelde Opstellen 4de Bundel p. 260. 

3) Fredeeik van Eeden in de Nieuwe Gids (Tweemaandelijksch tijdschrift 
voor letteren, kunst, politiek en wetenschap) 4de Jaargang, 1889 deel II p. 118. 



153 



een gedicht zijn geen twee werkelijk bestaande en van elkander 
afgescheiden dingen; alleen kan men van inhoud en van vorm spre- 
ken in het abstracte" *). 

Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen 
laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat zjj 
grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de dichters 
zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe Gids-school 
bracht niet alleen nieuwe — of althans in ons land te dien tijde 
ongewone 2 ) — begrippen over de poëzie, maar zij gaf ook verzen, 
waarin het „nieuwe geluid" was te hooren, voor wie er ooren voor 
hadden. Tot deze laatsten behoorde blijkbaar niet mr. Levy, die het 
had over „ . . . den klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten 
eener aanstormende bent," enz., woorden, die moeilijk op iets anders 
dan op de Nieuwe Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over 
dit gebrek aan waardeering valt niet te strijden, en allerminst hier. 
Subjectieve opvattingen over kunst of literatuur zijn in eene ver- 
handeling over auteursrecht van geen belang. Doch behoeft men zich 
over de kunstwaarde, die men zelf aan een werk of aan een bepaald 
soort van werken hecht, niet uit te laten; wél noodzakelijk is het, 
dat men zich de bewondering of waardeering van anderen althans 
kunne verklaren. Didien men als een volslagen vreemde tegenover 
het werk staat, zal het moeilijk vallen, er de ontleding op toe te 
passen, die noodzakelijk is, om de bestanddeelen te kunnen aanwij- 
zen, welke tezamen het object van des auteurs recht uitmaken. 
Geen kritisch oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig inzicht in 
de kunstwaarde en het kunstbegrip dat aan de werken ten grondslag 
ligt. Dit objectieve standpunt hoop ik bij de enkele opmerkingen, 
welke ik over de leer in kwestie nog laat volgen, niet uit het oog 
te verhezen. 

Vorm en inhoud — dit kan terstond worden toegegeven - ver- 
houden zich in de poëzie anders tot elkaar dan b.v. in een weten- 



1) F. VAN DER GoES, De opleiding van Tooneelspelers in: de Nieuwe Gids 
enz. Jaarg. 5 (1890) deel II p. 279. 

2) Dat met name het begrip „klankexpressie" niet eene uitvinding was van 
Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. Is. van Dijk in eene 
voordracht getiteld „Stijl*, opgenomen in: Handelingen en Mededeelingen van de 
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar 1907— 1908, 
Leiden 1908 pp. 69, 70. 



154 



schappelijk geschrift. Het verschil in de beteekenis en de functie 
der taal in het eene en in het andere geval kan zelfs zóó groot zyn, 
dat men geneigd is het niet meer als een verschil in graad, maar 
als een in soort te beschouwen. De taal van den lyrischen dichter 
schijnt soms in wezen iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt 
wordt om te verhalen, te betoogen, enz.; geen woorden en zinnen 
waaruit de beteekenis moet worden geabstraheerd, maar geluiden die 
onmiddellijk hunne werking op ons uitoefenen. Het is dus, alsof de 
taal haar symbolisch karakter volkomen heeft afgelegd en daardoor 
eigenlijk geen taal meer is, maar muziek is geworden. Toch blijft 
er nog altijd een essentieel verschil tusschen poëzie en muziek, en 
het is niet juist, wat uit enkele der hierboven van Frederik van Eeden 
aangehaalde zinnen zou kunnen worden afgeleid, dat de woorden 
hun uitdrukkingsvermogen uitsluitend aan hun klank en rhythmus 
zouden ontleenen. Indien dit waar was, zou men immers de taal, 
waarin de verzen geschreven zijn, niet behoeven te kennen om ze 
te kunnen genieten; de poëzie zou, evenals de muziek, aan geen 
taalgebied zijn gebonden. 

Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar 
worden geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets 
heeft te maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber l ) aldus 
genoemde „naiven Lautspiele", dat zijn: „ . . die jenigen Lautspiele . . . 
welche entweder nur Laute verwenden oder sich doch der Worte nur 
als Laute bedienen." Als voorbeeld noemt hij het volgende liedje, 
dat door de Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde „aftikken" 
wordt gebruikt: 

Ene mene men 
Ti tukken tukken ten 
Karabutte, karabutte 
Witsch Watsch 
Ab, dran! 

Een ander voorbeeld, ook door Gerber meegedeeld a ) ; waarin meer 
bestaande woorden voorkomen, zonder echter eenigen zin te vormen, 
is nog het volgende: 



1) Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst II p. 345. 

2) T. a. p. p. 346. 



155 



Thaler 
Maler 
Kühchen 
Kalbchen 
Schwanzchen 
Dideldideldanzchen. 

Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele liedjes tot de 
poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit procédé ook niet te 
bereiken. De taal — indien dit woord hier nog kan worden gebruikt — 
is aangewend voor iets dat buiten haar gebied ligt en het kan nooit 
ter wereld iemand gelukken, er op deze wijze iets waardevols mede 
tot uitdrukking te brengen. 

Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der klank-expressie, 
die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de kenmerken 
der poëzie wordt gehouden. Klank- expressie moet men niet voor 
hetzelfde houden als welluidendheid ; zh' berust niet op rijm, allite- 
ratie enz., die als uiterlijke klankmiddelen alleen het lichamelijk 
gehoor aandoen *) Het is iets veel hoogers en „geestelijkers" ; in 
dien zin, dat er niet slechts zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke 
ontroering door wordt gewekt. Wij hebben hier te doen met een ver- 
schijnsel, dat ieder die oor heeft voor poëzie kan waarnemen, doch 
waarvoor eene verklaring niet is te vinden. Dit wordt door van 
Deyssel met een voorbeeld gedemonstreerd: 

„Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn sonnetverhef- 
fingen ten einde vloeit: 

„Als alles wat héél vèr is en héél schoon" 

Men weet, dat als er stond: 

„Als alles wat zeer ver is en zeer schoon" 
de regel heel zijn leven had verloren. 

Nu kan men dit van buiten af wel eenigszins verklaren door zijn 
indruk na te gaan en te zeggen: 't woordje „heel" is zacht van 
klank en „zeer" is hard, „heel" is bekoorhjk door natuurlijkheid, 
„zeer" is wijsneuzig deftig en in deez' regel waar een liefdeklacht 
ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars avondlied versterft, 
klinkt 't woordje „heel" alleen. 

1) Cf.: L. v. Deyssel, Verzamelde Opstellen IV pp. 257, 258. Men zie ook: 
ibid. V pp. 5 sqq. 



156 



Maar dit is niet met indringend bewijs verklaren hoe 't wézen 
zelf der dichtkunst van dit verschil afhankelijk is" *). 

Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische 
uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de ver- 
wisseling van de woordjes „heel" en „zeer", die in wetenschappelijk 
proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan 
te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot 
gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt 
nu nog niet, dat het woord „héél" in dit vers uitsluitend terwille 
van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking 
in het verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waar- 
van het het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus 
zijn geluid) zou ontleenen. De woorden „heel" en „zeer" gel- 
den wel voor synoniemen, maar in dü verband hebben zij zeer 
zeker niet dezelfde beteekenis, daar immers de uitdrukkingskracht 
van den regel van de keuze die men tusschen beide woorden doet 
afhankelijk is. De vervanging van „héél" door „zeer" zou dan ook 
in dit geval eene wijziging brengen niet alleen in den vorm maar 
ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de beteekenis waarin 
ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nL: vorm = taal; inhoud = 
datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). „De naakte gedachte, 
het zuiver logisch oordeel", is weliswaar precies hetzelfde gebleven 2 ), 
maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet; de dichter 
heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en zuiver 
logische oordeelen. Dihoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie, niet 
voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den vorm 
kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer 
der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder „inhoud" iets 
anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene 
„slechte vertaling" of in een „schooljongens-inhoudsverslag" van 
een werk als Dante's Comedia 3 ) niet — of slechts deerlijk gehavend — 
terugvinden. • 

Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere ge- 
schriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene voor- 



1) T. a. p. p. 259. 

2) Cf. de boven (p. 151) aangehaalde woorden van Kloos. 

3) Men zie het boven aangehaalde van L. VAX Deyssel (p. 152). 



157 



stelling te maken, want vooreerst is de grens tusschen beide moeilijker 
te trekken en bovendien is het dikwijls ondoenlijk den inhoud in een 
anderen vorm zuiver weer te geven. Maar dit mag geen reden zijn 
om aan het bestaan van dien inhoud, onafhankelijk van den vorm, 
te twijfelen. Hier geldt, wat Kohier ergens opmerkt : „ ... Die dar- 
stellungslose Idee" (hieronder heeft men in dit verband in het alge- 
meen te verstaan : den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van 
den vorm) „ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn es uns 
auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos „darzustellen" ; ebenso 
wie ein chemischer Stoff existirt und sich als einheitlich wirkende 
Macht kundgibt, wenn es auch nicht möglich ist, denselben für sich 
allein zur Darstellung zu bringen und aus den Verbindungen zu 
lösen" . . . „Die Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht 
rein darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deut- 
lichste kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel 
hindurch wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel 
immer dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zurGeltung 
kommt" i). 

Nu moge het — zooals reeds werd opgemerkt — niet gemakkelijk 
zijn den inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, 
onmogelijk is het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet den- 
zelfden indruk maken als de eigen woorden van den dichter, is nog 
geen bewijs van het tegendeel. Dikwijls voldoe\ de vertaler niet aan 
de vele zware en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar 
vooral moet men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische 
werking van een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan 
geen alles overwegend deel, berust op de taal, d. i. dus den vorm. 
De uiterlijke welluidendheid, teweeggebracht door het zintuigelijk 
waarneembare geluid van de woorden, is uit den aard der zaak in 
de vertaling eene andere geworden en als de vertaling in dit opzicht 
bij het oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te wijten aan 
het niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de minder- 
waardigheid van den nieuwen vorm in vergelijking met den oor- 
spronkelijken. 

"Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de 
„klank-expressie", waarvan hierboven sprake was. Dit mag, opper- 



1) Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorsehutz pp. 33, 34. 



158 



vlakkig bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, 
dat ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke, 
onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlpen, .geeste- 
lijken" klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het oog 
houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene 
andere taal wél aequi valenten vinden voor de uitdrukking van zuiver 
logische gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen 
en gevoelens vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van 
Deyssel, die in een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding 
van eene door hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. 
A. G. van Hamel eenige bedenkingen waren ingebracht, zich niet dub- 
belzinnig over deze kwestie heeft uitgelaten In dit opstel tracht van 
Deyssel aan te toonen, dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne ver- 
taling voorkomt uit het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen 
beiden bestaat. Die van Prof. van Hamel noemt hij de „linguistiesch- 
aesthetische", die van hemzelf de „alleen-aesthetische". Het verschil, 
dat trouwens volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te 
brengen, komt vooral hierin uit, dat de „kunstige geleerde", zooals 
van Hamel, die den „linguistiesch-aesthetischen" maatstaf aanlegt, 
bij het spreken over „klankgehalte van den volzin", „beweging van 
rhythme" enz. iets anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de 
waardeering van den eerste uiterlijk is, is die van den laatste 
geheel innerlijk. „De kunstenaar zal in zoogenaamd slecht gesteld 
werk wel eens beter rhythme kunnen vinden dan in de fraaist 
samengevoegde en geacheveerde vol-zin-geheelen en het klank-gehalte 
van den volzin wordt voor hem niet bepaald door de harmonieuse 
wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot het geheel 
van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich tot de 
harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van den 
steller, dat hij hoort in, of achter, de moevementen van de taal" 2 ). 

Die innerlijke klank, „het psychiesch geluid van den steller", 
kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. Om dit 



1) De vertaling van Akêdyssêril, L. VAN DEYSSEL, Verxamelde opstellen IV 
pp. 181 sqq. Het artikel van prof. VAN Hamel is te vinden in de Gids 1897 II 
pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel: „Aanteekeningen en opmerkingen' 1 
pp. 567 sqq. 

2) T. a. p. p. 183. 



159 



in zijne eigen vertaling van Villiers de L'Isle Adam's Akëdysséril te 
bereiken, heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen 
tekst niet letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen 
gebruikt, wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der 
oorspronkelijke Fransche woorden. Dit geschiedde dan „zeker niet om 
het proza van Villiers de 1'Isle Adam te verbeteren, maar om dat een 
niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza zuiverder 
te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen" En de 
opmerking van den heer van Hamel, dat de vertaler zich „in de 
beteekenis der woorden" wel eens „vergist" zou hebben, wordt als 
volgt beantwoord : 

„Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen ; 
maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending 
heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere 
beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor 
aangeven." 

Die „andere en hoogere beteekenis", welke alleen uit den klank 
van de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische 
verstand niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de 
meening van van Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele 
opstel blijkt, niet met de vertaling verloren te gaan 2 ). Wat in een 
geschrift alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen 
zin tot een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de taal. 

Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik 
meen, genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de poëtische 
taal en de „klankexpressie", had niet tot oorzaak het groote prac- 
tische belang der poëtische werken als objecten van auteursrecht. 
Want in dit opzicht is hunne beteekenis, vergeleken bij de geschrif- 
ten van anderen aard, waarvan het auteursrecht meestal veel 
grootere waarden vertegenwoordigt en daarom ook meer gevaar loopt 
niet geëerbiedigd te worden, betrekkelijk gering. Doch ik meende 
goed te doen juist aan deze werken de meeste aandacht te wijden, 
omdat te hunnen aanzien het vraagstuk van vorm en inhoud de 



1) T. a. p. p. 187. 

2) Men vergelijke ook, wat Willem Kloos opmerkt naar aanleiding eener 
Virgilius- vertaling, Nieuwere Literatuur- geschiedenis IV pp. 12 sqq. 



160 



grootste moeilijkheden meebrengt en den meesten grond oplevert 
voor bedenkingen tegen mijne zienswijze. Het. is daarom misschien 
niet geheel overbodig er nog eens aan te herinneren, dat de uitzon- 
deringen, welke op den algemeenen regel van de splitsbaarheid van 
vorm en inhoud zijn te maken, zich slechts tot zeer enkele werken 
beperken. Voor de groote meerderheid van geschriften, waartoe b.v. 
behooren alle wetenschappelijke en populair- wetenschappelijke werken, 
reis- en plaatsbeschrijvingen en verreweg de meeste romans, novellen 
en tooneelstukken, geldt, dat de inhoud niet onverbrekelijk aan den 
oorspronkelijken vorm is gebonden, maar dat hij ook in een anderen 
vorm (d. i. dus eene andere taal) zuiver en ongeschonden tot uit- 
drukking kan worden gebracht. 

Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het 
auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den 
„inhoud" van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan eene 
nadere beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten 
worden, of die inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping 
van den schrijver kan worden beschouwd en dus op zichzelf voor- 
werp van auteursrecht kan zijn ; want hiervan hangt het af, of het 
exploiteeren van den inhoud in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven 
van eene vertaling) een inbreuk op des schrijvers auteursrecht 
uitmaakt. Maar met het beantwoorden van deze vraag zijn alle 
moeilijkheden nog niet opgelost. De onderscheiding tusschen vorm 
en inhoud, die ik tot nu toe gemaakt heb, geeft nog geene voldoende 
ontleding van een geschrift. Ook de inhoud is niet één onverbreekbaar 
geheel; ook daarin zijn verschillende bestanddeelen te onderscheiden, 
die niet alleen alle tezamen, maar ook afzonderlijk in andere werken 
kunnen worden overgenomen. Naast de vertalingen, die den inhoud van 
het oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven, bestaan ook 
bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin het origineel niet 
op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een roman tot een 
tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven tot een in 
drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden, maar 
ook de inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den 
inhoud zijn uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen 
nu dergelijke bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen, 
zonder het karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van 
den auteur; zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn? 



è 



161 



Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld 
kan worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De 
analyse, die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten 
worden gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in bijzonder- 
heden moeten afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden 
vastgesteld, om voor alle werken, of ook maar voor alle werken 
van eenzelfde soort, gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, 
die reeds bestaan of nog geschreven moeten worden, zou men moeten 
vaststellen, welke bestanddeelen wél en welke niet als schepping 
van den schrijver zijn aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten 
van letterkundige producten, die elk toch een meer of minder individueel 
karakter vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt gemakkelijk 
in te zien. 

Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene 
stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet 
mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou be- 
hoeven te worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing 
gereed te hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, 
die bü het zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is 
een van de groote verdiensten van Kohier, den weg in deze richting 
te hebben aangewezen en het voorbeeld te hebben gegeven van eene 
werkelijk systematische behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem 
is eenvoudig, al moge de toepassing misschien niet altijd even 
gemakkelijk zijn. 

Hij onderscheidt aan alle werken: 

1° Den uiterlijken vorm, d. i. wat ik hierboven kortweg den „vorm" 
heb genoemd, dus de taal. 

2° Den innerlvjken vorm, waaronder men in het algemeen te ver- 
staan heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof heeft gerangschikt; 
de structuur van het werk, zoowel in de groote lijnen (systematische 
indeeling, periodenbouw), als ook in de onderdeelen (de wijze waarop 
de gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, waarbij naar gelang van 
den aard van het werk en de eigenaardigheden van den schrijver 
verschillende middelen kunnen worden gebruikt als b.v. : beeldspraak, 
vergelijkingen, dialoog-vorm, of wel streng-logische redeneertrant 
enz. enz.). 

3° Den inhoud van het geschrift, de kern, die onder den uiterlijken 
en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. datgene wat de auteur 

11 



162 



had te zeggen, los van alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich 
bediend heeft. 

Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die 
men heeft te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de 
schepping van den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden 
uitgemaakt, welk van de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke 
vorm, innerlijke vorm en inhoud) als auteurs-schepping en dus als 
object van auteursrecht is aan te merken. 

Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen 
hierover reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling 
der taal, wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer 
wordt aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige 
te beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans 
gedachten en gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aan- 
komt op eenvoudige toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, 
maar waartoe eenig scheppend talent in het opbouwen der zinnen, 
het vinden van de gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het 
geven van klank en rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. 
In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm 
van alle geschriften eene schepping van den auteur is en mitsdien 
hem alleen toebehoort. Eeproductie van een geschrift in denzelfden 
uiterlijken vorm is derhalve altijd inbreuk op het ^uteursrecht. Ook 
zelfs daar, waar niets anders dan de uiterlijke vorm van den auteur 
is, moet dezen een uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop 
berust de bescherming van den vertaler, die natuurlijk noch op den 
innerlijken vorm, noch op den inhoud eenig recht kan doen gelden, 
daar zijne schepping zich beperkt tot de inkleeding van het werk 
van een ander in zijne eigen taal. 

Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het 
werk van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen 
Kohier met dien „innerlijken vorm" bedoelt, is het noodig enkele 
soorten van geschriften afzonderlijk te beschouwen. 

Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappehjk werk. 
Wat de schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem 
gevonden waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid 
en de gronden waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den 
inhoud van het geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. 
bestaan uit de feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent 



163 



dat zij zich hebben voorgedaan en de omstandigheden, waaruit hij 
dit afleidt; in een rechtsgeleerd werk kan de inhoud zijn eene juridische 
constructie of de uitlegging van wetsbepalingen met de gronden 
waarop zij berust enz. enz. Wanneer nu de schrijver zijne voorstudiën 
zoover heeft volbracht, dat de wetenschappelijke inhoud van zijn 
werk hem helder voor den geest staat, zoodat hij weet wat hij heeft 
mee te deelen, dan begint eerst voor hem de eigenlijke scheppende 
arbeid. Die arbeid bestaat niet alleen in het stellen van de reeks 
van volzinnen waaruit zijn werk zal bestaan; voordat hij met schrijven 
aanvangt (voor een deel zal het ook onder het schrijven, geleidelijk, 
soms zelfs min of meer onbewust, geschieden) moet de stof, die de 
vrucht is van zijn studie en overdenking, nog eene andere bewerking 
ondergaan. Er moet gerangschikt en geordend worden ; uit den over- 
vloed van gedachten en feitenkennis, waarmede de schrijver over 
zijn onderwerp vervuld is, moet eene keus worden gedaan, en uit 
wat na deze schifting voor opneming geschikt schijnt, moet nu het 
werk tot een zoo harmonisch mogelijk geheel worden opgebouwd. 
Daarbij komt het met alleen aan op eene doelmatige systematische 
indeeling en groepeering van de onderdeelen, maar ook op eene juiste 
en treffende bewerking van die onderdeelen zelf. De verschillende 
argumenten en tegen-argumenten en de conclusies, die daaruit telkens 
worden getrokken, moeten zoodanig tegenover elkander worden gesteld, 
dat op - alles het juiste licht valt; de hoofdpunten moeten den lezer 
dadelijk in het oog vallen, terwy'1 de bijzaken meer in de schaduw 
moeten worden gehouden. Hier zal een voorbeeld of vergelijking dienst 
moeten doen, daar eene aanhaling van een anderen schrijver; opeen 
andere plaats is weer een korte historische terugblik noodig of eene 
herinnering aan de wijsgeerige beginselen, waarvan de schrijver is 
uitgegaan. 

Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante, 
die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden, 
welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst 
met behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk 
van de taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van 
het werk dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling 
van een wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur 
inbreuk op het auteursrecht is ; het is eene exploitatie van des auteurs 
schepping (innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm. 



164 



De inhoud van wetenschappelijke werken is echter niet beschermd. 
De waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet geschapen 
maar ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het uitsluitend 
recht van één persoon staan. Indien het tegendeel het geval was, 
indien dus hij die eene nieuwe theorie over een of ander weten- 
schappelijk vraagstuk heeft uitgedacht of daarover het eerst bepaalde 
opvattingen heeft verkondigd, ieder ander kon verhinderen diezelfde 
denkbeelden, ook in een anderen vorm, te publiceeren, dan zou aan 
het auteursrecht terecht kunnen worden verweten, dat het aan de 
vrije ontwikkeling der wetenschap in den weg stond. Het zou dan 
b.v. ongeoorloofd zijn om in een economisch leerboek eene uiteen- 
zetting te geven van de leer van Ricardo, van het stelsel van Marx, 
van de theorie van Malthus enz. enz., gesteld, dat op de werken van 
deze schrijvers nog auteursrecht bestond ; in een boek over geschiedenis 
zou men geen gebruik mogen maken van de navorschingen en archief- 
studiën van anderen; bij het maken van geographische kaarten van 
weinig bekende landen zou de eerbiediging van het „auteursrecht" 
van den ontdekkingsreiziger op de door dezen gemaakte opmetingen 
en plaatsbepalingen zelfs tot gevolg hebben, dat men gedwongen zou 
zijn, voor die streken nog witte plekken op de kaart te laten of er, 
tegen beter weten in, volgens de oude gegevens eene verkeerde 
teekening van te maken! 

Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het 
is het object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en 
er alleen datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur 
is, in dit geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud. 

In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming 
van den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud nog 
niet beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den inhoud. 
De hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een „op 
den voorgrond sleepen" van den vorm zou zijn en dat men hierdoor 
„van rechtswege" de meening zou doen postvatten, dat het slechts 



1) In eene Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk uitgemaakt, dat 
iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt eiland „ . . . must go through 
the whole process of triangulation, just if he had never seen any former maps ; . . ." 
etc, medegedeeld door: KoHLEB, Das literarische und artistische Kunstwerk 
p. 12. 



165 



om den vorm te doen is", heeft niet den minsten zin. Het is hier 
niet de vraag, wat men het belangrijkst acht of waaraan men de 
voorkeur geeft, doch slechts: wat is geschikt om object van auteurs- 
recht te zijn? Ook Louis Blanc haalt deze twee vragen dooreen. 
Als argument tegen een recht op den vorm, terwijl de inhoud onbe- 
schermd blijft, geeft hij het volgende voorbeeld: „Charles Fourier a 
cru devoir formuler en termes bizarres et peu intelligibles les idéés 
qui composent le fond de son système. Vient un badigeonneur litté- 
raire qui s'empare du système de Fourier, 1'expose daus un style 
clair, élégant si 1'on veut, et met le tout en vente. Vous voyez bien 
que, a cöté de Fourier qui va mourir de faim, le badigeonneur 
s'enrichira. Entendue de la sorte, qu'est-ce que la propriété? C'est 
le vol" *). 

Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden 
geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den „ba- 
digeonneur" meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de een nog 
wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger be- 
hoeft om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste als 
auteur iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier 
was niet een auteursproduct, maar eene uitvinding, en indien men 
uitvindingen van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten 
geschieden door patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik 
reeds meermalen gelegenheid had op te merken, niet het doel van 
het auteursrecht, aan alle intellectueele werkers een loon voor hun 
arbeid te verzekeren. 

Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van wetenschap- 
pelijke werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm beschermd 
zijn, en niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking „weten- 
schappelijke werken" niet te eng op te vatten; hetzelfde geldt ook 
voor geschriften van populairen aard, waarvan het hoofddoel is 
kennis te verspreiden of het oordeel van den schrijver mede te deelen 
over het een of ander onderwerp. Artikelen en redevoeringen over 
de politiek, plaatsbeschrijvingen, verslagen van gebeurtenissen van 
allerlei aard, in sommige gevallen ook kritieken en beoordeelingen 
op het gebied van kunst en letterkunde, behooren ook hiertoe te 
worden gerekend. 



1) Louis BlaiïC, De la propriété littéraire t. a. p. p. 234. 



166 



Anders is het echter gesteld met de letterkundige kunstwerken, 
waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die tot de „belletrie" 
of „schoone letteren" behooren, dus : poëzie, tooneelstukken, romans, 
novellen enz. Bij deze werken is niet alleen de uiterlijke en de 
innerlijke vorm, maar ook de inhoud, de eigenlijke kern, eene aesthe- 
tische schepping, en daarom reikt het auteursrecht hier verder dan 
bij de geschriften van wetenschappelijken aard. Dien inhoud, ont- 
daan van alle niet-aesthetische elementen, noemt Kohier „das imagi- 
naire Bild". Men zou het ook kunnen noemen de kunstgedachte, welke 
de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk heeft neergelegd; 
datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er het eigen, 
persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van andere 
werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk kunstwerk — althans 
elk kunstwerk in den hoogen zin van het woord — zulk een streng 
persoonlijk karakter vertoont en zich als iets bijzonders voordoet, 
maakt het zoo moeilijk om van die kunstgedachte, van dat „Imaginare 
Bild" — tenzij men één bepaald werk op het oog heeft — iets meer 
te geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier — nog meer dan 
ten aanzien der wetenschappelijke geschriften — blijven bij het aan- 
geven van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om 
te weten te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den 
auteur behoort. 

Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere 
werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke, 
ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten 
en gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is 
dit het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men 
denke b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom 
Toussaint) of aan de mythologie ; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, 
hetwelk de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel 
(zooals Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, 
of wel aan eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne 
schepping is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook 
door meerdere schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder 
dat zij daardoor in elkanders rechten traden. Doch ook indien de 
schrijver zijn verhaal zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp 
van zijn uitsluitend recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal 
gebeurtenissen, die den uiterlijken loop van een roman of drama 



167 



bepalen, is geen scheppende arbeid; het is slechts het vaststellen 
van een schema, dat op zichzelf geene aesthetische waarde heeft. 
„Wer nichts thate" - schrijft Kohier dienaangaande - „als die 
Fabel der Wahlverwandtschaften erzahlen, von zwei Paaren, diesich 
kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich so, das andere sich 
so benimmt und schlieszlich ein Kmd ins Wasser fallt und eine 
Dame, welche im üebrigen auch ein Tagebuch schreibt, sich durch 
Hungér den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht Göthes 
eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde" 

Waarin de eigenlijke schepping, afgezien van den uiterlijken en 
innerlijken vorm, het „Imaginare Bild" dus, in een roman of tooneel- 
spel bestaat, is natuurlijk niet met enkele woorden te zeggen. In 
het algemeen kan men m. i. wel met Kohier 2 ) aannemen, dat het 
de karakter-uitbeelding is der personen die in het boek voorkomen 
en de schildering hunner psychologische ontwikkeling in de gegeven 
fabel, hetgeen in verband met de gebeurtenissen en gedachten-stroo- 
mingen die daarop van invloed zijn, tevens kan zijn een karakterbeeld 
van het tijdperk en van de maatschappij waarin het verhaal speelt. 
Doch zoodra men dit meer in bijzonderheden wil gaan uitwerken 
dient men erop te wijzen - wat Kohier trouwens niet heeft ver- 
zuimd te doen - dat niet alleen iedere school (realisme, naturalisme, 
romantiek enz.) maar, men kan bijna zeggen, iedere schrijver, een 
eigen kunstideaal koestert en een eigen weg kiest om dit te bereiken. 
Al moge dus de boven gegeven karakteriseering van de schepping 
des auteurs op alle epische en dramatische werken 3 ) min of meer 
toepasselijk zijn, meer dan eene oppervlakkige aanduiding is z« niet 
en kan zij ook niet zijn, daar kunstenaars nu eenmaal niet naar 
vaste modellen plegen te werken. 

Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch 
liever de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor 
de oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven ; 
de vraag nl. of het zoogenaamde „dramatiseeren" van een roman, 



1) Das literarische und artistische Kunstwerk p. 83. Men zie ook de beschou- 
wingen van Av. Henki Kosmtni in denzelfden zin, D. A. 1895 pp. 21 sqq. 

2) Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 96, 97. 

3) Alleen de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud bestaat 
uit eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter, vallen hier buiten. 
Men zie daarover nog: Kohlee t. a. p. pp. 122 sqq. 



168 



d. w. z. de omwerking daarvan tot een tooneelstuk, en omgekeerd 
de bewerking van een tooneelstuk in romanvorm, een inbreuk op 
het auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke bewerking kan zijn een 
bijna woordelijk overnemen van het origineel, indien nl. de bewerker 
er zich toe bepaald heeft de zinnen, die de romanschrijver zijn 
helden in den mond legt, eenvoudig over te schrijven. De aanhalings- 
teekens behoeven dan slechts te worden weggelaten en in de plaats 
daarvan de namen der personen te worden gezet boven hetgeen zij 
te zeggen hebben, terwijl misschien hier en daar nog eene verschik- 
king of samenvoeging van enkele tooneelen noodig is, en de „bewer- 
king voor het tooneel" is gereed. Dat men door de uitgave van eene 
dergelijke bewerking in strijd komt met het auteursrecht, behoeft 
wel geen betoog, daar hier behalve de inhoud en de innerlijke vorm 
ook de uiterlijke vorm geheel of althans voor een groot gedeelte is 
gestolen. 

Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke 
als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard 
der zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in 
een roman. De romanschrijver kan de gesprekken en dialogen af- 
wisselen door lyrische gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene 
historische beschouwingen of zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, 
godsdienstig en ethisch gebied. Hij is niet — althans niet zoo absoluut 
als de drama-schrijver - aan tijd en plaats gebonden; hij kan 
desverkiezend bij sommige onderdeden wat langer stilstaan, zonder 
vrees den dramatischen loop daardoor te verstoren. 

De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele 
werk in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange 
uitweidingen en beschouwingen is geene plaats; alles moet door de 
woorden en gedragingen van de in het stuk optredende personen 
worden uitgebeeld. Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den 
inhoud van een roman in dramatischen vorm wil weergeven, rekening- 
te houden. Alle beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten 
waarin niet de personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, 
moeten noodzakelijk vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven dei- 
optredende personen, die tot typeering van hun karakter of ter 
verklaring hunner latere gedragingen door den romanschrijver ter 
geschikter plaats zijn medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op 
eene andere wijze te pas worden gebracht. Evenzoo zuUen de tijds- 



169 



omstandigheden en de historische gebeurtenissen, die op het stuk 
van invloed zijn, door andere middelen moeten worden afgeschilderd. 
Verschillende fijne schakeeringen, die de oorspronkelijke schrijver in 
den roman had weten te doen uitkomen, zullen daardoor in de 
tooneelbewerking moeten worden gemist ; doch daar staat tegenover, 
dat met eene plastische uitbeelding op het tooneel effecten zijn te 
verkrijgen die eene beschrijving niet kan geven. 

De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er 
hier slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk 
uit groeien, dat niet „rammelt" zooals de technische uitdrukking 
luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een andere 
is geworden. De bewerking gaat niet dieper - behoeft tenminste 
niet dieper te gaan - dan den innerlijken vorm, d.w.z. de structuur, 
die uitteraard in roman en drama verschillend is. Doch de inhoud, de 
karakters en hunne ontwikkeling, zal in de meeste gevallen dezelfde 
zijn gebleven, daar de bewerker er natuurlijk naar gestreefd zal 
hebben, dezen zoo gaaf mogelijk weder te geven. 

En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag gevonden. 
Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als „inhoud" heb gekarak- 
teriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien dus 
niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue, aan den 
roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling en de 
atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven of 
opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den 
oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is 
dan immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de 
bewerker daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven. 

c Practische toepassingen van het voorgaande 

In verband met de theoretische beschouwingen, die voorafgaan, 
wensch ik thans enkele vragen, die de geschriften als objecten van 
auteursrecht betreffen, meer uit het oogpunt van de practische 
toepassing door wetgever en rechter te bezien. Achtereenvolgens 
zullen hierbij ter sprake komen: 

I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object 

van auteursrecht te zijn; 
II Het recht van den vertaler; 



170 



III Het uitsluitend vertalingsrecht ; 

IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht. 

I Vereischten waaraan een geschrift 
moet voldoen om object van auteursrecht te zijn 

In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij nu ga 
bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording 
wordt overal overgelaten aan den rechter. 

Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en 
besproken *) ; het is in het kort dit, dat slechts daar van auteursrecht 
sprake kan zijn, waar eene schepping van den auteur valt aan te 
wijzen; terwijl de letterkundige of wetenschappelijke waarde of be- 
langrijkheid dier schepping buiten beschouwing moeten blijven. 

In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin ge- 
vestigd. 

Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets 
anders bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken, 
geen auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als „gees- 
telijke scheppingen." Dat zij zich tot eene winstgevende exploitatie 
leenen (het waren in dit geval brieven van Eichard Wagner) doet aan 
hun karakter niets af, doch is eene buitenstaande, toevallige omstan- 
digheid 2 ). Ook werd bescherming geweigerd, als zijnde geen „Schrift- 
werke" volgens de Duitsche wet, aan schouwburg-programma's, die 
eenvoudig de mededeeling inhouden van de stukken, die zullen worden 
gespeeld, de rolverdeeling, het aanvangsuur, de prijzen der plaatsen, 
enz. 3 ). Evenzoo werd beslist ten aanzien van formulieren voor het 
houden van kantoorboeken 4 ) en van prijscouranten, die niets anders 
bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor zij te 
koop zijn 5 ). 

In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de Jcrits" welke 
de wet op het auteursrecht beschermt : eene lijst van de vreemdelingen, 



1) Men zie pp. 137 sqq. 

2) Reichsgericht 28 Febr. 1898, D. A. 1903 pp. 29 en 30. 

3) Eeichsgericbt 27 Nov. 1906, D. A. 1907 p. 49, BörsenMalt 12 Dec. 1906 
evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, D. A. 1908 pp. 151, 152. 

4) Hoog Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, D. A. 1907 p. 140. 

5) Hanseatiscbes Oberlandesgericbt 12 Dec. 1898, D. A. 1899 p. 79. 



171 



die in de badplaats Oostende waren aangekomen (Tribunal de 
Commerce van Brussel 20 April 1894) ; nieuwsberichten (Hof van 
Brussel 1 Dec. 1853); programma's van wedrennen (Hof van Brussel 
20 Nov. 1866) en eene handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die 
dagelijks voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan 
de opsteller niets had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk 
werk zou zijn geworden (Tribunal de Paix van Luik 29 Mei 1896) l ). 

Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. ge- 
wezen ten aanzien van : een prospectus, waaruit waren overgenomen 
scheikundige analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige 
ligging en berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen 
industrieele onderneming 2 ); mededeelingen omtrent rechtspraak en 
administratie (Hof v. Parijs 2 Mei 1857) ; telegraphische nieuwsbe- 
richten (Seine-Rechtbank 12 Juni 1851 3 ); Hof van Cassatie 18 Maart 
1908) 4 ) ; eene lijst van de vermoedelijke winnaars van wedrennen, 
door een sportblad gepubliceerd 5 ). Ten aanzien van een postzegel- 
catalogus nam de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard 
alleen dan auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als „créations de 
1'esprit" zijn te beschouwen, „a raison de la conception esthétique 
ou scientifique qui ressort de leur plan général, de 1'érudition quise 
dégage des appréciations ou observations, même sommaires qu'ils 
contiennent, ou tout au moins de 1'originalité qui imprime un caractère 
personnel a 1'ensemble de la publication" 6 ). 

Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het er- 
kennen van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling 
werd gemotiveerd: „Attendu que le catalogue des oeuvres d'art 
ezposées chaque année au Palais de 1'industrie constitue, a raison de 
son importance et des recherches qu'il nécessite, une oeuvre littéraire 



1) Medegedeeld door: P. Wattvvermans, D. A. 1894 p. 73 en 1896 p. 150. 
Men zie ook denzelfden schrijver: D. A. 1901 p. 121. 

2) Hof van Parijs 2 April 1896 (Droit 2 Juni, Gazette du Palais 16 Juni, 
Gazette des Tribunaux 18 Sept. '96), medegedeeld door: A. Darras D. A. 1897 
p. 16. 

3) D. A. 1894 p. 73. 

4) D. A. 1908 p. 152. 

5) Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum) door 
A. Darras, D. A. 1892 p. 151. 

6) Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, D. A. 1896 pp. 42 en 84. 



172 

susceptible d'une propriété privée et représentant une valeur vénale 
relativement importante, enz." t ). Nóch de belangrijkheid van dezen 
catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd, nóch het 
feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde, maakten m.i. 
dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven zin. Over het 
algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het juiste beginsel, 
dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan niet eene „création 
de 1'esprit" aanwezig is. 

Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen 
bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In 
Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege 
de historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen, 
auteursrecht bestond *); en dat niet als object van auteursrecht waren 
te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan een dagblad- 
artikel was samengesteld 3 ). In Engeland werd ten aanzien van 
dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar alleen 
de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp van auteurs- 
recht is 4 ); ook ten aanzien van een prijscourant eener machine- 
fabriek werd in soortgelijken zin beslist 5 ). De Zwitsersche Bonds- 
rechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te erkennen: 
een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de uren 
van aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte °) 
en eene alphabetische lijst van de aangeslagenen in de belasting- 
te Zürich In Italië eindelijk maakte het Hof van Appel van Milaan 
uit, dat een eenvoudige prijscourant niet behoort tot de geestes- 
producten (opere dell ingegno) in den zin der wet op hef auteurs- 
recht, daar hiertoe alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen 
worden 8 ). 

Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer 



1) Tribimal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, D. A. 1892 p. 130. 

2) Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. D. A. 1901 p. 123. 

3) Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, D. A. 1902 p. 64. 

4) Hoog Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, D. A. 1893 p. 98. 

5) Hoog Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, D. A. 1892 pp. 
64 sqq. 

6) Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, D. A. 1895 pp. 37 en 38. 

7) Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, D. A. 1906 p. 61. 

S) Hof van Appel van Milaan 10 Dec. 1895, D. A. 1896 p. 74. 



173 



zouden zijn te noemen, die zich alle vrijwel in dezelfde lijn bewegen J ), 
valt het op, dat de Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch 
andere richting heeft gevolgd. 

Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van 
den Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad 
het auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten 
te Leiden in 1891 2 ) ; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene 
lijst van predikbeurten 3 ) ; door het Hof van den Haag en den Hoogen 
Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der Neder- 
duitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam 4 ). In geen dezer gevallen 
had men te doen met eene geestelijke schepping in den boven be- 
doelden zin : de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door den 
beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend „stadsnieuws", nl. de ver- 
melding van den aard der feestelijkheden en van uur en plaats, 
waarop zij zouden worden gehouden ; in de beide laatste zaken bestond 
het „auteursproduct" uit eene opgave van de namen der predikanten, 
met de kerken waarin en de dagen en uren waarop door hen Gods- 
dienstoefening zou worden gehouden. 

Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de 
wet geen onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van ge- 
schriften, en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, 
welke geene „letterkundige gedachte behelzen", (arrest H. R. 21 
Nov. 1892 W. 624) óf, zooals het in het arrest van den Hoogen 
Raad van 29 April 1895 (W. 6647) werd uitgedrukt: die welke 
„blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde" missen. Wat 
met de eerste uitdrukking wordt bedoeld, is mij niet recht duidelijk, 
zoodat ik over de juistheid of onjuistheid van dat argument geen 
oordeel durf uitspreken. Met de laatstgenoemde woorden wordt echter 
een zeer juist beginsel uitgesproken : de wetenschappelijke of letter- 



1) Opgave van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men nog bij : Kohleiï, 
Autorrecht pp. 160 sqq., Das literarische und artistische Kunstwerk etc. pp. 
17 sqq., Urheberrecht pp. 155 sqq.; Gierke t. a. p. pp. 770 sqq.; A. Daeeas, 
D. A. 1892 p. 150, 1906 p. 22; Potjillet, Traité théorique et pratique de la 
propriété littéraire et artistique et du droit de représentation, Paris 1879 pp. 34, 
37, 39 en 46. 

2) W. v. h. B. no. 624, Paleis van Justitie 1893 no. 6. 

3) W. v. h. B. no. 5512. 

4) W. v. h. B. nos. 6646 en 6647. 



174 



kundige waarde van een geschrift moet bij de vraag, of het al dan 
niet een auteursproduct is, niet in rekening worden gebracht. Doch 
hiermede is nog niet gezegd, dat een lijst van predikbeurten tot de 
beschermde geschriften behoort. Wie zich eenigszins rekenschap geeft 
van de beteekenis van het woord „auteursrecht" zal moeten inzien, 
dat hier nóch een auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. 
De H. R. nam in zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. 
te Rotterdam (die het blaadje „de Kerkbode" uitgaf) als rechtver- 
krijgende van het ministerie van predikanten bij de Nederduitsch- 
Hervormde gemeente aldaar zich het auteursrecht op de bedoelde 
lijst van predikbeurten kon voorbehouden. Volgens deze constructie 
zou dus het ministerie van predikanten de auteur zijn van ... de 
regeling der preekbeurten, welke die predikanten onder elkander 
hadden vastgesteld! Waarin hier de auteurs-arbeid van deze verga- 
dering van predikanten bestond, is moeilijk te zien. Zij beslisten 
eenvoudig, op welke uren en in welke kerken zij den volgenden 
Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping, ook al vraagt men 
niet naar blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde, was 
hier ver te zoeken. 

Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere 
uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken 
werd gegeven. M. i. volkomen ten onrechte. 

In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken 
van „letterwerken"; het woord „geschriften", dat in de tegenwoor- 
dige wet daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler oordeel 
van ruimer strekking zijn en ook „geschriften" als de boven bedoelde 
omvatten i ). Dit verschil van beteekenis kan ik echter niét inzien 
en in geen geval heeft men de bedoeling gehad den kring der be- 
schermde producten uit te breiden door het woord .geschrift" te 
gebruiken in plaats van „letterwerk". Dit blijkt m. i. ten duidelijkste 
uit de volgende zinsnede uit de memorie van toelichting 2 ) : 

„De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking 
heeft, stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boek- 



1) Men zie b.v. : Feesemast Viëtok, Kantteekeningen enz. p. 27, Veegens, 
t. a. p. p. 70, van de Kasteele t. a. p. p. 61, mr. A. A. de Pinto t. a. p. 
pp. 22 sqq. 

2) Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijlage 202. 



175 



handel voorkomen; echter is het min gebruikelijke „letterwerk" door 
het woord „geschrift" vervangen." 

Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord 
„geschrift" eene andere beteekenis te geven dan b.v. in Oostenrijk 
en Duitschland het woord „Schriftwerk" en in België en Frankrijk 
„écrit" hebben. In het gewone spraakgebruik moge men misschien 
een lijst ■ van predikbeurten en een programma van feestelijkheden 
„geschriften" noemen, dit is nog geen reden om dit ook hier te 
doen. Wat hier vóór alles in het oog moet worden gehouden, is, 
dat het woord gebruikt wordt in eene wet tot regeling van het 
auteursrecht, en dat alleen die geschriften bedoeld worden, welke 
eenen auteur hebben. 

Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze 
wet, die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den 
inhoud van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt ge- 
sproken van „berichten of opstellen"; van welke werken het auteurs- 
recht wordt erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De 
vraag is dus, of dit woord „berichten" ook, zooals beweerd wordt, 
eenvoudige mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht 
als scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord 
worden gegeven als boven ten aanzien van het woord „geschriften". 
Niet in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, 
maar in de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt 
wordt, aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van 
den wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der 
bepaling is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het 
eerste ontwerp kwam de bepaling niet voor; zij is er later door 
minister Modderman bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) 
wordt ervan gezegd, dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud 
van dag- en weekbladen wordt beschouwd als gemeengoed, en dan 
komt deze verklaring: „Er zijn echter uitzonderingen. Niet zelden be- 
vatten de nieuwsbladen stukken van meer blijvende wetenschappelijke 
of letterkundige waarde, bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich 
het auteursrecht niet wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp 
ruimte door te bepalen, dat men zich het auteursrecht van een in 
een nieuwsblad gepubliceerd stuk kan voorbehouden, mits men 
slechts aan het hoofd van dat stuk zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk 
kenbaar make." Hierbij werd dus blijkbaar aan losse berichten, die 



176 



niets anders dan mededeelingen van feiten bevatten, in 't geheel 
niet gedacht. Zonder tot verdere gedachtenwisseling aanleiding te 
geven, is de bepaling daarna overanderd in de wet opgenomen. Slechts 
één enkele opmerking, die bij de behandeling der wet in de Tweede 
Kamer werd gemaakt, zou kunnen doen vermoeden, dat aan het 
woord „berichten" een ruimere strekking werd toegekend. Het 
kamerlid van de Werk liet zich n.1. als volgt uit: „Of het niet beter 
geweest ware om voor de gewone korte losse couranten-berigten 
geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal ik niet terug- 
komen" i ). Deze opmerking werd echter gemaakt toen artikel 7 reeds 
zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit dat zij niet werd 
weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij, wat de uitlegging 
der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf. 

Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt 
van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene 
wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen, 
het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden toegegeven 
dat het woord „berichten" in artikel 7 lid 2 niet gelukkig is gekozen' 
doch de rechter behoeft zich daardoor niet gedwongen te gevoelen 
tot het erkennen van een „auteursrecht", dat in geen enkel opzicht 
dezen naam verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling • 
„auteursrecht voorbehouden", die in de meeste groote dagbladen 
boven de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en zonder 
eenige beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: „An den durch 
Telegraph berichteten Worten: „Paris ist ruhig" oder „5% Rente = 
99*" kan aber kein vernünftiger Mensen eine Autorschaft und in 
Folge derselben Autorrechte beanspruchen" »). 

II Het recht van den vertaler 

Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van auteursrecht zijn 
te beschouwen, dat m.a,w. de vertaler auteursrecht geniet voor zijne 
vertaling, is een regel die vrijwel nergens tegenspraak ontmoet. In 
bijna alle landen wordt het recht van den vertaler uitdrukkelijk in 



1) Handel. Tivee&e Kamer 1880—1881 p. 1618. 

2) Jolly, Die Lehre vom Nachdruck p. 112. 



177 



de wet genoemd. Ook onze wet houdt de bepaling in (art. 2c), dat 
„met auteurs worden gelijkgesteld : vertalers ten opzichte van hunne 
vertaling". 

De „gelijkstelling" met oorspronkelijke auteurs beteekent natuurlijk 
niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die hij zou kunnen doen 
gelden, indien het door hem geleverde een eigen, oorspronkelijk werk 
was. De vertaler is alleen auteur van den uiterlijken vorm 1 ); het 
object van zijn recht is — zooals trouwens ook onze wet heel goed 
doet uitkomen — niet het vertaalde geschrift, maar de vertaling. 
Op den innerlijken vorm en den inhoud kan hij niet het minste recht 
doen gelden. Het uitgeven van eene andere vertaling van hetzelfde 
geschrift is derhalve geen inbreuk op het recht van den eersten ver- 
taler. Evenmin kan deze zich er tegen verzetten, dat van zijne vertaling 
weer eene andere vertaling of bewerking in het licht wordt gegeven. 
Wat dit laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de tegenovergestelde 
meening over te hellen. De gelijkstelling van vertalers ten opzichte 
van hunne vertaling met auteurs pleit er volgens dezen schrijver 
voor, dat de vertaler zich volgens onze wet ook, overeenkomstig 
artikel bb, het uitsluitend recht tot het uitgeven van vertalingen van 
zijne vertaling in andere talen kan voorbehouden 2 ). Dit zou echter 
beteekenen, dat de vertaler recht kreeg op een werk, aan welks 
voortbrenging hij part noch deel heeft gehad. Gesteld een Russische 
roman is in het Hollandsch vertaald en deze Hollandsche vertaling 
wordt door een derde weer in het Duitsch overgebracht. Zelfs als 
wij aannemen, dat deze laatste geen Russisch kende en dat hu' dus 
de Hollandsche vertaling bepaald noodig had om zijne Duitsche be- 
werking te kunnen maken, dan nog kan in de uitgave van deze 
Duitsche bewerking niet gezien worden een exploiteeren van het 
werk van den Hollandschen vertaler. Immers wat de bewerker van 
de Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft ontleend beperkt 
zich tot den innerlijken vorm en den inhoud van den roman, tot die 
bestanddeelen dus van het werk, welke de bewerker der Hollandsche 
vertaling op zijne beurt weer van den oorspronkelijken Russischen 
schrijver had overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk worden 
beschouwd op het recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel hier- 



1) Cf. boven p. 162. 

2) Eet auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving p. 112. 



12 



178 



omtrent is naai - mijne meening — ook wanneer alleen rekening- 
wordt gehouden met wat onze wet bepaalt — volkomen uitgesloten. 
Alleen „de vertaling" is voorwerp van des vertalers recht; dit is 
voldoende om de vraag in den bovengemelden zin te beantwoorden. 

Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze 
juiste grenzen gehouden, getuige het „regt van praeferentie," dat 
door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland van 1796, 
door de wet van 1803 en door de Souvereine Besluiten van 1814 en 
1815 werd verleend aan den vertaler van een buitenlandsch werk, 
waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde geschrift kon tegen- 
houden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan deze gepa- 
tenteerde rooverij een einde *) ; doch de feitelijke toestand komt nu 
nog vrijwel overeen met dien van een eeuw geleden. Er bestaat nl. 
eene bepaling in het reglement van de Vereeniging ter bevordering 
van de belangen des boekhandels, volgens welke elk lid dezer ver- 
eeniging, die aan eene speciaal daarvoor aangewezen commissie zijn 
voornemen te kennen geeft, van een in het buitenland uitgekomen 
werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te geven, door de overige 
leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt aangemerkt. Binnen 
den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna alle Nederlandsche 
uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de eerste vertaler 
het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk werk. Hetzelfde 
beginsel dus als het in de regelingen van 1796, 1803, en 1814 en 
1815 gehuldigde : wie er het eerste bij is geldt als rechtmatig 
bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand, waarvoor men 
echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boek- 
handels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878 dezelfde 
bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring van 
den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de 
uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het 
recht van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. 
Doch alleen het feit dat eene dergehjke op onderlinge afspraak be- 
rustende regeling mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig 
staaltje van de achterlijkheid van ons land op het gebied der auteurs- 
bescherming. 



1) Men zie hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam van 27 
Dec. 1843, W. v. h. B. no. 464. 



179 



Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem - het is 
reeds herhaaldelijk gezegd — niet het minste recht op dat boek zelf. 
De rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het bijzonder 
diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen deele 
verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd volkomen 
vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene exploi- 
tatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het oorspronke- 
lijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud daarvan. 
Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver bestaat, 
mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling in 
druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren, en 
daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze toe- 
stemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht 
des vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in de 
de vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 
art. 6) werd het recht van den vertaler alleen verleend voor „recht- 
matige vertalingen", waaronder men dan had te verstaan vertalin- 
gen, die niet in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht op het 
oorspronkelijke werk waren uitgekomen. Men heeft dit verdedigd door 
erop te wijzen, dat het niet aangaat den dief te beschermen 1 ). Dit 
argument gaat hier echter niet op. Dat de vertaler een wederrech- 
telijk gebruik maakt van het werk van een ander is nog geen reden 
om hem het récht op zijn eigen werk te ontnemen. Dit laatste heeft 
hij niet gestolen en het is dus geen „bescherming van den dief' 
hem dit te laten behouden. Men wil toch niet, dat iemand, die b.v. 
in een hem toebehoorende kruik wijn van zijn buurman steelt, daar- 
door het recht op zijne kruik verbeurt? 

Het heeft bovendien geen zin te spreken van „rechtmatige" ver- 
talingen. De vertaling zelf is niet „rechtmatig" of „onrechtmatig"; 
wél kan er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden 
gemaakt. Of dit laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk 
nooit met zekerheid worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand 
eene vertaling maakt met het voornemen haar eerst uit te geven, 
wanneer het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur zal zijn 



1) Dit argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van het bovengenoemde 
art. 6 der Berner Conventie op het Congres der Association te Neuchatel (26—29 
Aug. 1907). D. A. 1907 pp. 115, 116. 



180 



verstreken, of wanneer diens toestemming tot de uitgave zal zijn 
verkregen *). 

Beide rechten — het recht van den vertaler op zijne vertaling en 
het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk 
werk — dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De 
vertaler en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein 
en onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, 
en er bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden 
omdat hij bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste 
in botsing zou kunnen komen. 

III Het uitsluitend vertalingsrecht 

Over het uitsluitend vertalingsrecht is - vooral ook in ons land - 
veel geschreven. De stryd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid 
en de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen 
worden ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breed- 
voerige bespreking van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht 
zijn ingebracht, ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel 
voorbijga, is vooral terwille van het groote practische belang van 
de vraag, die - zooals algemeen bekend is - den geheelen strijd 
over de al of niet aansluiting van ons land bij de Berner Conventie 
beheerscht. 

Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het verta- 
lingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door zelfstandigen 
intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan de gedachten 
van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan op die „gedachten" 
geen recht meer laten gelden, daar zij door de publicatie gemeengoed 
zijn geworden 2). Wat dit argument heeft te beteekenen, meen ik 
reeds voldoende in het licht te hebben gesteld bij mijne beschou- 
wingen over vorm en inhoud der geschriften. De vertaler neemt niet 
maar „gedachten" over van den oorspronkelijken schrijver; wat hij 



1) Cf.: Kohler, Das literarische und artistisehe Kunstwerk enz. p. 183. 

2) Zoo b.v.: mr. J. D. Veegens, de Gids 1896 III p.4; J.H.Kok, Auteurs- 
recht en Berner Conventie p. 41, en dezelfde schrijver in: „Pro en Contra" serie 
1 no. 10 (Aansluiting hij de Berner Conventie) Baarn 1905 pp. 25 en 26; 
J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd Leiden 1885 p. 9. 



181 



overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke laatste — 
zooals uitvoerig is aangetoond — steeds — ook bij geschriften van 
wetenschappelijken aard — als eene aesthetische schepping van den 
auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van „gedachten" 
door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook 
reeds voldoende weerlegd. 

En wat de- zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers, 
waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer 
betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het vormen 
van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste uitdruk- 
kingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken vorm. 
Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel uit 
het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal wordt 
toegekend. Doch - en dit is het eenige wat hier in aanmerking 
mag komen — met betrekking tot de schepping van den oorspronke- 
lijken schryver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het 
is zijne taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, 
zonder er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan 
volhouden, dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht „zelf- 
standig" is, is mij een raadsel 

Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem 
wordt genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft 
gehad aan de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste 
gevallen zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan 
hiertegen worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de 
auteur of de vertaler in staat zöu zijn geweest, maar alleen: wat 
elk van die twee heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het 
oog, dan kan — dunkt mij — de oplossing der vraag niet twijfel- 
achtig zijn. Het uitsluitend vertalingsrecht is geen recht op de ver- 
taling maar een recht op die bestanddeelen van het oorspronkelijke 
werk, welke de vertaler heeft overgenomen. Evenmin als de vertaler 
zonder toestemming van den oorspronkelijken auteur het vertaalde ge- 
schrift mag exploiteeren, mag deze laatste dit doen zonder toestemming 
van den vertaler. Het zijn - voor velen schijnt het moeilijkheden op 
te leveren dit in te zien — twee scherp van elkander te onderscheiden 



1) Men zie b.v. in denzelfden zin: Mandry, Kritische Vierteljahr schrift VII 
p. 249. 



182 



rechten, waarmede wij hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject 
met elkander gemeen hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van 
hun recht betreft zijn de auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, 
omdat het vertaalde geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één 
geheel uitmaakt, de objecten van beider rechten in zich bevat. 

Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde 
argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener 
vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou 
eerder hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de 
uitgave van vertalingen in andere landen het debiet van de oor- 
spronkelijke uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade 
lijdt, maar zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door 
anderen vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen 
vertalingen te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene 
indertijd aan Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Pranschen 
uitgever van Francois Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze 
taal was vertaald, het debiet van zijne gedichten in de oorspronke- 
lijke taal belangrijk was toegenomen 1 ). 

De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat 
men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur 
voordeehger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het 
wel te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het 
hoofd gezien: ten eerste, dat het „indirecte voordeel" (nl. het grooter 
debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het 
feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van den 
sehrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat 
indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel 
bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening 
kan worden gebracht. 

Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht 
vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste 
argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In 
overeenstemming met de „algemeen belang-theorie", die - zooals 
wij gezien hebben - ook onder de juristen in ons land vele aan- 
hangers heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het 
recht der auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend ge- 



1) Men zie b.v. : Doobmas t. a. p. p. 10, Koe, t. a. p. resp. p. 43 en p. 27, 



183 



rekend met de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn 
betrokken. Zoo wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met 
zijn beperkt taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche 
boeken niet kan stellen en dat het daarom van het grootste belang 
is, dat het uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men 
vreest, dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend 
vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan 
het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder 
in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote 
schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren, 
maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder 
de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor 
hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den 
oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel 
uitgesloten is. 

Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet 
zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in 
het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs, 
moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn, 
hetzij voor enkele kringen, hetzü — zooals beweerd wordt — voor 
het volk in zijn geheel. 

Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en 
zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in deze 
strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene onbevoor- 
oordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen, dat 
aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden 
ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote na- 
deelen, die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering 
daarvan vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. 
In het bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling 
door de erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan 
worden toegegeven, dat enkele categorieën van personen (vooral de 
kleinere uitgevers), die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en 
de daarop gebaseerde onderhandsche bescherming, die de Vereeniging 
ter bevordering van de belangen des Boekhandels in het leven 
heeft geroepen, gebruik hebben gemaakt, het in hunne financiën 
zullen gevoelen, wanneer die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. 
Men kan zelfs medelijden hebben met het lot, dat deze personen 



184: 



wacht, waarvan er vele wegens een weinig ontwikkeld of door het 
jarenlang bestaande gebruik afgestompt rechtsgevoel het onrecht- 
matige van hun tegenwoordig bedrijf niet inzien. Het is echter billijk 
daartegenover te stellen, dat in andere kringen zeker niet minder 
belangrijke nadeelen worden geleden tengevolge van de oppositie die 
tegen het vertalingsrecht is gemaakt. Want de zaken staan nu 
eenmaal zoo, dat men door de erkenning van het vertalingsrecht van 
buitenlandsche schryvers tegen te houden tevens - misschien zonder 
het te willen - heeft tegengehouden de aansluiting van ons land 
bij de Berner Conventie. Indien men alleen met „belangen" te rade 
gaat, dient men toch ook te letten op de belangen van onze schrijvers 
componisten en kunstenaars op het gebied der beeldende kunsten dié 
nog maar steeds van bescherming in het buitenland verstoken blijven 
Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen 
laten rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid 
zijn erop terug te komen. 

Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in 
de verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen 
en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld, 
geleidelijk aan het verdwijnen zijn. 

In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover eene 
bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een bestanddeel 
van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland (§ 12 
wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle andere 
auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen het 
geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs) en 
bpanje ). In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang als 
het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een zeker 
aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave 
eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet 
van 29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en 
Luxemburg; in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling 
verschijnen binnen tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke 
geschrift. Andere landen hebben dezelfde bepaling doch met een 
korteren termijn, zoo Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar). 



wl-i?' ''/ 1 ^ ERNST Eöthlisbeeger . Die Berner Uebereinkunft mm Schutzevon 
werKen der LUeratur und Kunst und die Zusatzabkommen, Bern 1906 pp. 183, 184. 



185 



Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een afzon- 
derlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden duurt het 
tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk 
werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der vertaling, mits deze 
binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk verschijnt. 

In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht 
nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan 
worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen 
tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt 
voor eene wetswijziging in dezen zin i); evenzoo in Italië, waar in 
het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het 
auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met het 
overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de Scandi- 
navische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de Conferentie 
van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een onbe- 
perkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg te 
zijn geruimd. 

Het vertalingsrecht - dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht - 
is overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen voor- 
uitgang kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de 
Berner Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. 
In 1886 werd - niet zonder moeite - een vertalingsrecht vastge- 
steld van tien jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk 
werk; op de Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijk- 
gesteld met dien van het auteursrecht in het algemeen, doch onder 
voorwaarde, dat de auteur binnen tien jaar eene vertaling liet ver- 
schijnen; terwijl eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd 
afgeschaft, zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen. 

Eet is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is 
gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle 
opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de tegen- 
woordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het aanmer- 
kelijk besnoeid. 

Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de 
uitgave van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald ge- 
noemde talen voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen 



1) Men zie: Eöthlisbergee t. a. p. p. 184. 



186 



drie jaren na de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). 
Is aan deze voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog 
slechts vijf jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk 
werk (art. 16 2°). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen 
gemaakte werken staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk. 

Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht 
heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken, 
die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen 
niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich 
het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed 
als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een al te ijverig be- 
strijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: „een bewijs, dat het 
beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef is 
doorgedrongen" »), maar eenvoudig een gevolg van het feit, dat 
niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. Welke 
schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene 
vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al 
een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet 
te vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan 
door eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen 
vijf jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek. 

De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in 
het bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied 
der internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het 
juiste beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de 
bijzondere voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en 
het volkomen gelijkstelde met elk ander auteursrecht. 

IV Het recht van den bewerker en het 
uitsluitend bewerkingsrecht 

Het „bewerken" van geschriften kan met betrekking tot het auteurs- 
recht tot soortgelijke verhoudingen aanleiding geven als het vertalen. 
Indien de nieuwe (uiterlijke of innerlijke) vorm, die de bewerker aan 
het geschrift heeft gegeven, eene schepping is, dan komt hem ook, 
evenals den vertaler op zijne vertaling, een recht daarop toe. Doch 



1) J. D. Doorman, t. a. p. p. 14. 



187 



aan den anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den 
auteur van het oorspronkelijke werk te ontzien. 

Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden: 
het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van 
den auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie 
van bewerkingen van zijn geschrift te verzetten. 

Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen 
van den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het 
uitgeven eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den 
oorspronkelijken auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, 
zooals ten aanzien van het recht van den vertaler en het uitsluitend 
vertalingsrecht, geeft hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk 
een regel bestaat, dient de rechter in elk geval te onderzoeken, 
welke de aard is der bewerking, waarmede hij te doen heeft. 

Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen 
hieromtrent in. 

De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescher- 
ming tegen „Bearbeitungen" en noemt uitdrukkelijk als zoodanig: 
het weergeven van eene vertelling in dramatischen vorm of van een 
tooneelstuk in den vorm eener vertelling (§ 12). Onverminderd dit 
recht staat het vrij, het werk van een ander te gebruiken, indien 
daardoor „eine eigenthümliche Schöpfung" tot stand komt (§13). 
Deze laatste bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of 
de bewerker al dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest 
hier m. i. geheel buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van 
belang is, is of hij de schepping van den oorspronkelijken auteur in 
zijne bewerking heeft overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt 
niet uit. Overigens wordt het recht van den oorspronkelijken auteur 
in de Duitsche wet goed onderscheiden van dat van den bewerker 
op zijne bewerking. Dit laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk 
bepaalt, dat bij eene „Bearbeitung" de „Bearbeiter" als auteur wordt 
aangemerkt, evenzoo dus als de vertaler ten opzichte zijner vertaling. 

Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend bewerkings- 
recht bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering 
van de wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). Dit bepaalt, 
dat plan, onderwerp en titel van dramatische werken den auteur 
toebehooren en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk 
inbreuk op het auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, vaneen 



188 



tooneelstuk eene bewerking te maken voor eene muzikale compositie, 
ook als de titel en de namen der personen gewijzigd zijn (art. 67). 
Evenmin is geoorloofd, het onderwerp van een roman of ander ge- 
schrift te gebruiken voor het maken van een tooneelstuk (art. 68). 

Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. 
Het „onderwerp", d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan zooals wij 
gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden beschouwd ; 
evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat het over- 
nemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. In 
sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden 
beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met 
de bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht 
van den auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar het 
persoonlijkheidsrecht. 

De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje 
staan vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië, 
België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. 
De rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen 
te staan, doch juist hier kan de leer van Kohier goede diensten 
bewijzen. Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen: 
wat is als de schepping van den auteur te beschouwen? - om langs 
dezen weg tot beantwoording te komen van de vraag, of met de 
bewerking al dan niet inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt 
reeds hier en daar min of meer getrouw toegepast. 

In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897 J ) werden 
bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop auteursrecht bestond, voor 
ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen grond, dat die bewerkingen 
inhielden : „ ...Ie résumé fidéle et 1'analyse exacte des livrets et 
pièces..." en dat daarin waren weergegeven: „la substance de ces 
oeuvres, leur plan général, le développement de leurs épisodes, les 
situations, les personnages . . . etc." Hier valt — zooals men ziet — 
een streven waar te nemen om de bestanddeelen der auteurs-schep- 
ping aan te wijzen, die — ook zonder dat de tekst woordelijk was 
nagedrukt — in de bewerking waren overgenomen. Eene soortgelijke 
overweging vindt men in een vonnis van de Seine-rechtbank van 23 
Juni 1897 2 ). De bewerking in kwestie was hier een roman, ge- 

1) B. A. 1899 pp. 52, 53. 2) D. A. 1899 pp. 53, 54. 



189 



trokken uit het tooneelstuk La Tour de Nesle van Alexandre Dumas 
en Gaillardet. In het vonnis wordt verklaard : „ . . . Que le sujet, le 
plan, son agencement et ses développements, la marche de 1'action, 
le groupement des personnages et les mobiles qui les font agir, les 
passions qu'ils ressentent, les sentiments qu'ils expriment, • appa- 
raissent également dans 1'original et dans la copie servile qu'ils en 
ont faite," en even verder : „ . . . Que si, dans leur insipide délayage 
en plus de 2000 pages ... les défendeurs ont ajouté d'innombrables 
incidents . . . , ils ont, du moins, pris toute la substance du drame . . . 
etc." Dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Appel van Parijs 
(25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna dezelfde bewoordingen 
motiveerde Wat de Fransche rechter hier „la substance du drame" 
noemde, komt vrijwel overeen met Kohler's „Imaginare Bild" 2 ). 

In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken 
van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk 
op het auteursrecht aangemerkt 3). In Engeland is alleen het laatste, 
(„novelisation") verboden *) en om die reden verzette dit land zich 
in 1896 op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener be- 
paling in de Berner Conventie, volgens welke het recht van drama- 
tiseeren den auteurs zou worden voorbehouden B ). In 1908 op de 
Conferentie van Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door 
eenigen anderen staat tegen het opnemen der bepaling bezwaar ge- 
maakt; wel een bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen 
erkend wordt. 

Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons 
land is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens 
onze wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk 
op het auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. 
Scholten in een Themis-artikel werd uitgesproken T ), berust hierop, 



1) D. A. 1900 p. 28. 

2) Cf. hierboven pp. 166 sqq. 

3) Cf. Rosmini, D. A. 1895 p. 22; Kohlee, Urheberrecht pp. 152 sqq.; men 
zie voor Oostenrijk: D. A. 1901 p. 124. 

4) D. A. 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; Röthlisbeegeb t. a. p. p. 235. 

5) Actes 1896 p. 173. 

6) Acte3 1908 p. 257. 

7) Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het auteursrecht, 
Themis 1884 pp. 154 sqq. 



190 



dat de woorden „geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder 
onderscheid van vorm of inkleeding", die in de wet van 1817 voor- 
kwamen, zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. 
Laatstgenoemde wet zou dus alleen verbieden het „in denzelfden 
vorm" weergeven, wat ook de bedoeling zou zijn geweest van minister 
Modderman, blijkens de volgende opmerking door hem bij de behan- 
deling der wet in de Tweede Kamer gemaakt: „Het geldt hier 
niet het regt van denken, maar het regt om in denzelfden vorm te 
reproduceeren en te verspreiden." Er is echter van andere zijde reeds 
terecht op gewezen, dat de aangehaalde woorden van den minister 
bij de verdediging der wet in een gansch ander verband werden uit- 
gesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht op mondelinge 
voordrachten !). Doch ook al was dit niet het geval, dan zouden 
toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning van het 
uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken uit- 
drukken. Dit zou alleen dan het geval zijn, indien deze werken 
inderdaad niets meer waren dan „gedachten gehuld in een vorm", 
zooals het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijk- 
heden waren: óf alleen „gedachten" uit het werk overnemen (wat 
volgens algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk repro- 
duceeren in denzelfden „vorm", d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging. 

Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde 
uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met 
de bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van 
toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten 
grond voor deze meening. Men leest daar 2) : „De in de tegenwoordige 
wet (d. i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen „geheel of 
gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of 
inkleeding" zijn weggelaten, deels omdat zij niet van onduidelijkheid 
zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het regt van den 
auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt op een 
gedeelte daarvan boven twijfel te stellen." 

Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de me- 
morie van toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. 
Het voorschrift van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelf- 



1) Men zie: Mr. Veegeks t. a. p. pp. 90 sqq. 

2) T. a. p. p. 6. 



191 



standig bewerkte compositie van eens anders muziekwerk als nadruk 
te beschouwen is, werd in beginsel als juist erkend, doch alleen 
daarom niet in de wet opgenomen, omdat men geene formule ervoor 
wist te vinden, die niet in de practijk tot moeilijkheden aanleiding 
zou geven. Uitdrukkelijk wordt dan verder gezegd, dat het aan den 
rechter wordt overgelaten, in elk geval te beslissen „of er werkelijk 
inbreuk op het regt van den componist gemaakt, of zijn werk geheel 
of ten deele door den druk is gemeen gemaakt of uitgevoerd" i ). 

Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt 
erkend, dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het 
auteursrecht kan zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die 
op soortgelijke wijze als muziekwerken „bewerkt" kunnen worden, 
wel niet voor geheel en al uitgesloten hebben gehouden. 

Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het 
uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In het 
eerste geval betrof het het tooneelstuk „Zwarte Griet", waarvan zonder 
toestemming van xlen rechthebbende op het opvoeringsrecht eene 
bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver 
van het oorspronkelijke stuk met dit laatste „wat betreft handeling, 
verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin 
voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst 
had." De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af; 
alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren 
woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den 
Haag aan 2 ), dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel 
had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk „Zwarte Griet" 
doch niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk 
zou hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus 
niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd. 

Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit 
het vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der be- 
werking is blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor — 
voorzoover dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen 
kan worden afgeleid — dat in dit geval inderdaad door de bewerking 



1) M. v. T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van muziek- 
werken gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het Ontwerp geschrapt. 

2) Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, W. v. h. R. no. 4970. 



192 



geen inbreuk kon worden gemaakt op het auteursrecht. De bewerker 
had nl. het oorspronkelijke stuk nóch gelezen nóch zien opvoeren, 
doch zijne bewerking gemaakt naar de verslagen, die van het stuk 
in de dagbladen waren verschenen. Langs dezen weg kan - dunkt 
mij — niet veel meer uit het stuk zijn overgenomen dan de uiter- 
lijke intrigue, op zijn hoogst enkele fragmentarische gegevens voor 
de karakter-teekening der personen. De Haagsche Rechtbank is echter, 
jammer genoeg, niet ingegaan op de principieele vraag, waar het 
mij hier om te doen is, nl. of volgens ons recht een uitsluitend 
bewerkingsrecht bestaat en hoever dit recht zich uitstrekt. 

Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen 
over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.1. een vonnis van 
de Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889 *) en een arrest 
van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891 2 ). 

Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer 
hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneel- 
stuk inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. 
De schrijver van een tooneelstuk „Krates", getrokken uit den roman 
van dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend opvoerings- 
recht daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem 
aansprak wegens het zonder zijne toestemming vertoonen van eene 
nieuwe bewerking van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van 
den kant van de eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: 
„dat de inhoud van het tooneelstuk Krates, hetwelk de ged. in den 
aanvang der maand Dec. 1888 heeft doen opvoeren, dezelfde is, be- 
houdens eenige wijzigingen, als die van het door den ged. aan de 
eischers gecedeerde tooneelstuk „Krates". De rechtbank wees dit 
aangeboden bewijs van de hand als te weinig gepreciseerd en 
tegelijkertijd te weinig omvattend; verklaarde de vordering ontvan- 
kelijk doch ontzegde haar als onbewezen. Uit de motiveering van 
dit vonnis blijkt, dat de rechtbank in beginsel het inbreuk maken op 
het auteursrecht door middel eener bewerking niet uitgesloten achtte. 
Naar aanleiding van eene namens ged. gemaakte opmerking, dat 
de eischers met hunne hierboven aangehaalde woorden: „behoudens 
eenige wijzigingen" zeiven zouden erkend hebben, dat het door ged. 



1) W. v. h. R. no. 5785. 

2) W. v. h. R. no. 6019. 



193 



opgevoerd tooneelstuk .Krates" niet hetzelfde was, als het in de 
dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a. : 

„dat 't toch van den aard der wijzigingen afhangt, of men te den- 
ken heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander; 

dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot 
een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur 
en zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed 
als geheel waardeloos zou zijn." 

Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van 
den inhoud van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden 
het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: „dat 
vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op ge- 
dachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, 't aankomt 
op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, dat 
de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet 
zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendoms- 
recht der eischers." 

Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet geheel 
blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te 7 onder- 
zoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in de 
bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping 
van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk 
in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid, 
die deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist. 

De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een tooneel- 
stuk vooral „op aankomt", maar wat daarin als de schepping van 
den auteur is aan te merken. Het is niet meer dan bloot toeval, dat 
de laatste zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, nl. dat „al 
ware ook bewezen, dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde 
was, daarmede nog niet zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan 
aan het eigendomsrecht der eischers" in het gegeven geval eene juiste 
uitspraak bevat. Want in het algemeen behoort hetgeen de rechtbank 
onder den „inhoud" van een tooneelstuk verstond wél tot de schepping 
van den auteur; alleen in dit bijzondere geval was dit niet zoo, omdat 
die inhoud weer aan een ander was ontleend, nl. aan Justus van 
Maurik. den schrijver van den roman „Krates". Het blijkt echter niet, 
dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den roman van 
Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft genomen. 

13 



194 



Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde den 
geint. om aan de appellanten te betalen de som van f 100 als 
schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats overwogen, 
dat ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der bewerking ge- 
noegzaam bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij het opvoe- 
ringsrecht aan de appellanten was overgedragen, niet te goeder trouw 
was nagekomen. Dit argument schijnt mij zeer juist toe; het laat 
echter de vraag over het al of niet bestaan van een uitsluitend be- 
werkingsrecht onaangeroerd, daar het de verplichting tot schade- 
vergoeding uit de tusschen partijen bestaande verbintenis afleidt. Het 
is intusschen uit het arrest moeilijk op te maken, of dit argument 
bij het Hof den doorslag heeft gegeven, en of dus de beslissing in 
denzelfden zin zou zijn uitgevallen, indien de bewerking door een 
derde ware vertoond, die geenerlei overeenkomst betreffende het 
opvoeringsrecht van het tooneelstuk in kwestie met de appellanten 
had gesloten. Wel werd aan het slot van het arrest overwogen, 
dat „al moge de nieuwe bewerking in eenige bijzonderheden van de 
vroegere verschillen, door de opvoering van de eerste op het uit- 
sluitend opvoeringsrecht van de laatste inbreuk is gemaakt", waar- 
mede dus duidelijk werd te kennen gegeven, dat er volgens de 
meening van het Hof inbreuk op het auteursrecht had plaats gehad ; 
doch de argumenten, die hiervoor werden aangevoerd, zijn van weinig 
waarde. Het feit, dat beide bewerkingen „in hoofdzaak overeenkomen" 
werd hieruit afgeleid: „dat beide bewerkingen zijn getrokken uit 
denzelfden roman, en dat daarin dezelfde handelende personen met 
dezelfde namen voorkomen". De onjuistheid van deze redeneering 
springt in het oog. Het auteursrecht, dat hier zou geschonden zijn, 
was het auteursrecht van den schrijver der tooneelbewerking, niet dat 
van den romanschrijver. Er moest dus onderzocht worden, of de 
tweede tooneelbewerking bestanddeelen bevatte van de eerste, die 
niet aan den roman ontleend waren. Want wat in beide bewerkingen 
uit den roman was overgenomen, daarop kon de bewerker geen 
uitsluitend recht laten gelden, tenzij hem dit door den romanschrijver 
was overgedragen. Van een dergelijk recht (een uitsluitend recht dus 
om van den roman „Krates" van Justus van Maurik eene tooneel- 
bewerking te maken) was echter in dit geding geen sprake. 

De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht 
de rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een 



195 



vast systeem ontbreekt, en ik waag de opmerking te maken, dat de 
theorie over „vorm en inhoud", die ik hierboven heb ontwikkeld, 
in deze gevallen goede diensten zou hebben kunnen bewijzen. 

Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak, 
dat nóch de Eechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan 
van een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel 
geheel uitgesloten achten. 

Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht 
van den bewerker op zijne bewerking ; daar immers in beide gedingen 
er herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk „Krates" ge- 
trokken was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin 
een reden werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van 
den schrijver van het tooneelstuk (van den „bewerker" dus) in twijfel 
te trekken. 

§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten 

In het algemeen overzicht van de auteursrechts-objecten is er reeds 
op gewezen, dat er zekere soorten van platen en kaarten bestaan, 
die niet tot de werken van beeldende kunst kunnen worden gerekend, 
omdat zij niet, zooals deze laatsten, van zuiver aesthetischen aard 
zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die hier bedoeld worden, 
hebben een andere beteekenis ; zij dienen niet om door hunne schoon- 
heid kunstindrukken te wekken, maar om wetenschappelijke of tech- 
nische aangelegenheden uiteen te zetten of duidelijk te maken. Vandaar 
dat de rol, die zij vervullen, zooals reeds werd opgemerkt, vergeleken 
kan worden met die van de woorden en letters in een geschrift. 
Evenals deze zijn zij van symbolischen aard; zij ontleenen hunne 
beteekenis uitsluitend aan hetgeen zij „voorstellen". Men denke b.v. 
aan eene aardrijkskundige kaart, waar het eene land rood, het andere 
groen is geverfd, waar spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en 
grenzen door kruisjes of stippellijnen worden aangeduid; of aan 
eene afbeelding van het menschelijk hart in een anatomische atlas, 
waar het aderhj'k bloed blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd 
is, enz. enz. 

Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan 
aanduiden met den naam „technische en wetenschappehjke platen 
en kaarten", en waartoe onder meer gerekend moeten worden : land- 



196 

en zeekaarten, anatomische, botanische en mineralogische afbeeldingen, 
bouwkundige en technische teekeningen, schematische voorstellingen 
van allerlei aard enz. enz., eene afzonderlijke plaats onder de objecten 
van auteursrecht toekomt, wordt algemeen erkend, en ook dat deze 
plaats dichter bij die der geschriften, dan bij die der werken van 
beeldende kunst is gelegen. 

In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk 
genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van: 
„solchen Abbüdungen wissenschaftlicher oder technischer Art, welche 
nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu betrachten sind" ; 
de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) van: „dessins géographiques, 
topographiques, d'histoire naturelle, architecturaux, techniques et 
autres analogues"; in art. 2 van de wetten van Denemarken en 
Noorwegen vindt men ongeveer dezelfde termen; de Zweedsche wet 
(art. 1) noemt: „natuurkundige teekeningen, land- en zeekaarten, 
bouwkundige plannen en andere teekeningen en afbeeldingen van 
dien aard" 1 ). 

Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht 
geweest, dat er werken bestaan, die hoewel geen .geschriften" zijnde, 
toch zeer nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet 
behooren tot de werken van beeldende kunst, waarvan men het 
auteursrecht later in eene afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men 
volgde daarbij het voorbeeld van Duitschland, waar ook twee wetten 
op het auteursrecht bestonden: die van 1 Juni 1870, „betreffend das 
Urheberrecht an Schriftwerken, Abbüdungen, musikalischen Eomposi- 
tionen und dramatischen Werken" en die van 9 Jan. 1876 „betreffend 
das Urheberrecht an Werken der bildenden Künste". De „Abbüdungen" 
van de Duitsche wet van 1870 werden in onze wet (art. 1): „plaat- 
en kaartwerken". Doch zoowel uit de keuze van deze termen als uit 
hetgeen in verband hiermede in de memorie van toelichting onzer 
wet werd opgemerkt, blijkt ten duidelijkste, dat het Duitsche voorbeeld 
hier slechts eene gebrekkige navolging heeft gevonden. De Duitsche 
wetgever was zich zeer goed bewust geweest van hetgeen hij deed, 
toen hij de „Abbüdungen" niet bij de werken van beeldende kunst, 
maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der bedoelde werken 
werd overwogen, of de grond der bescherming, die men ervoor wilde 



1) Cf. ook art. 2 der herziene Berner Conventie. 



197 

verleenen, moest gezocht worden naar analogie van dien der ge- 
schriften of van dien der kunstwerken 1 ). 'Men kwam tot het eerste 
op grond van dezelfde overwegingen, die hierboven reeds zijn weer- 
gegeven, nl. dat deze producten meer een wetenschappelijk dan een 
artistiek doel hebben, immers ertoe bestemd zijn „zu belehren". In 
§ 43 der wet van 1870 werden zij nader aangeduid als : „geographische, 
topographische, naturwissenschaftliche, architektonische, technische 
und ahnliche Zeichnungen und Abbüdungen, welche nach ihrem 
Hauptzwecke nicht als Kunstwerke zu betrachten sind". Hieruit 
blijkt wel, dat men op het eigenaardig karakter van de genoemde 
werken een juist oog had en dat men de grens tusschen de werken 
van beeldende kunst eenerzijds, de geschriften en muziekwerken 
anderzijds, hiernaar stelselmatig heeft getrokken. 

Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding 
hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd. 

In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp 
het auteursrecht regelt van: „schrijvers van letterkundige werken, 
benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw 
verwant, insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken". 
Met deze laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en 
de „plaat- en kaartwerken". Verder werd nog opgemerkt : „Uitgesloten 
zijn de voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover 
toch aan de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend 
regt toekomt . . . behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene 
afzonderlijke wet" 2 ). Van eene onderscheiding naar de innerhjke 
eigenschappen der werken — zooals die in Duitschland was gemaakt 
— dus geen spoor. Het eenige wat men in aanmerking scheen te 
nemen was, of een werk al dan niet „voorwerp van den boekhandel" 
uitmaakte. Daaruit laat zich ook verklaren, dat men niet eene be- 
paling als de boven aangehaalde van § 43 der Duitsche wet over- 
nam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun hoofddoel betreft als 
kunstwerken moeten zijn te beschouwen) ; men koos, misschien zonder 
veel over de zaak na te denken, de woorden „plaat- en kaartwerken", 
die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen. 

tVat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet 



1) Cf.: Daude, LeJirbuch des Deutschen Urheberrechts (Stutteart 1S88) p. 78 

2) M. v. T. t. a. p. § 2. 



198 



moet gegeven worden? De vraag is moeilijk op te lossen en heeft 
ook reeds tot verschil van opvatting aanleiding gegeven. 

In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat 
de wet niet spreekt van „kaarten en platen," maar van „kaart- en 
plaat-werken". Daarom geloof ik niet, dat, zooals Mr. Veegens l ) en 
Mr. van de Kasteele 2 ) aannemen, daaronder gerekend kunnen worden 
losse etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij, wat Mr. 
Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt: 

„Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de wet- 
gever ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica 
en spraakgebruik juist is) : een boek met platen, evenwel met deze 
restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak zij" 3 ). Met 
uitzondering van de laatste toevoeging, waarvoor ik niet den minsten 
grond zie, ben ik het hiermede volkomen eens. Deze uitlegging 
strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen uit de memorie 
van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat zich met meer recht 
dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij „aan letterkundige 
werken zeer nauw verwant zijn" en tevens, dat zij evenals dezen „een 
voorwerp van den boekhandel uitmaken." De overweging is blijkbaar 
deze geweest, dat tekst en illustratie bij elkaar hooren en daarom 
ook in dezelfde wet bescherming moeten vinden. Toch komt men 
met deze uitlegging tot zonderlinge gevolgtrekkingen. Mr. Robbers 
verhaalt, hoe een boekverkooper, die een oorspronkelijke ets van 
H. M. de Koningin in den handel had gebracht, moest toezien, dat 
deze straffeloos werd nagedrukt. Doch indien diezelfde boekverkooper 
„niet één ets had laten maken naar Hare Majesteit, maar een zeker 
aantal, in verschillende kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen 
met een paar mooie lintjes aan elkaar had doen rijgen, een kort 
bijschrift had gevoegd bij elke plaat en ten slotte het stelletje gelegd 
had in een portefeuille, voorzien van een titel, dan zou hij naar alle 
waarschijnlijkheid als door de wet beschermd worden beschouwd, 
omdat hij een plaatwerk had tot stand gebracht." 
, Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige 



1) T. a. p. p. 79. 

2) J. van de Kasteele, t. a. p. p. 80. 

3) J. G. Robbers Jr. Het auteursrecht. Opmerkingmenbeschoinvhwm.Yroeiixhr. 
Amst. 1896 p. 19. 



199 

onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit 
in het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur 
moet worden aangemerkt van een „plaat- óf kaartwerk". De werken 
van beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten 
de bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uit- 
drukkelijk in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteurs- 
recht van deze werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter 
nooit tot wet is verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen 
zijn dus geen „auteurs" volgens ons recht. Wordt echter een aantal 
hunner producten tot een „plaatwerk" vereenigd, dan is dit laatste 
wél voorwerp van auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan 
als auteur van het plaatwerk te beschouwen hem, die de clichés - 
al of niet door hemzelf vervaardigd — verzamelt en als een geheel 
afdrukt. Dus den drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uit- 
zonderingen 1 ), is er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een 
exemplaar is afgedrukt, en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit 
schijnt ook de meening van Mr. Veegens te zyn, die als object van 
het auteursrecht noemt : „het door den druk gemeen gemaakte plaat- 
werk" *). Juister ware echter geweest „gedrukt" in plaats van „door 
den druk gemeen gemaakt"; want de vraag, of het werk al dan niet 
gemeen is gemaakt doet hier niets ter zake. 

In vele gevallen zal dus de auteur van het „plaatwerk" een ander 
zijn dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk bestaat. Daar 
deze laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens onze wet 
behoeft hunne toestemming door den samensteller van het plaat- 
werk niet gevraagd te worden. Niet alleen dus dat het ieder vrijstaat 
van schilderijen, teekeningen, etsen, photographieën enz. zonder toe- 
stemming van den auteur reproducties te laten maken, om daar- 
mede een boek te illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog 
als samensteller van een „plaatwerk" door onze wet tegen verdere 
reproductie beschermd! 



1) Ik denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften, zooals door 
sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran d'Ache, Gibson); in het 
algemeen aan die werken, waarvoor de auteur zoowel den tekst als de — opzet- 
telijk daarvoor gemaakte — illustraties heeft geleverd. Hier is werkelijk het 
„plaatwerk" een auteursproduct in den waren zin van het woord, n.l.eene geestes- 
schepping, die één geheel vormt. 

2) T. a. p. p. 79. 



200 

Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te recht- 
vaardigen, dat de uitdrukking „plaat- en kaart-werken" in onze wet 
niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwenen. Dit is vooral 
noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht 
op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, 
dat deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig 
dat de grens tusschen deze en de wel beschermde producten dui- 
delijk en naar redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook 
indien het Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking „ plaat- 
en kaartwerken" in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden 
aanleiding geven. Het Ontw. B. K. verleent b v. een auteursrecht van 
slechts tien jaar aan hem, die een werk van beeldende kunst van 
een ander door eene mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); 
indien echter op deze wijze een „plaatwerk" tot stand komt, zou 
diezelfde persoon volgens de W. A. R. eene bescherming van vijftig 
jaar genieten 1 ). Ook de verschillende regelingen der voorwaarden en 
formaliteiten in de W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband 
hiermede tot verwarringen aanleiding kunnen geven. 

Welke de werken zijn, die in plaats van de „plaat- en kaartwerken" 
in de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten worden, is 
hierboven reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met 
welke termen deze werken in sommige buitenlandsche wetten worden 
aangeduid. Vooral de Duitsche wet schijnt mij op dit punt navol- 
gingswaard, omdat zij uitdrukkelijk de producten, die als kunstwerken 
zijn bedoeld, uitsluit. Ook de - hierboven niet door mij aangehaalde - 
bepaling van § 1 der Duitsche wet van 19 Juni 1901, dat tot de 
„Abbildungen" ook behooren plastische werken, verdient m. i. hier 
te worden nagevolgd. Er bestaat immers niet de minste reden om 
deze laatsten, voorzoover zij overigens dezelfde kenmerken vertoonen 
als de graphische afbeeldingen, hiermede niet op ééne lijn te stellen. 

Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik 
spreek nu niet meer over de „kaart- en plaatwerken" van onze wet, 
maar alleen over de „technische en wetenschappelijke kaarten en 
platen", waarvan ik het begrip hierboven heb trachten vast te stellen) 



1) Men zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. Swart t. a. p. p. 65. 
Op den laatsten regel van deze pag. moet echter in plaats van „vijfentwintig- 
jarige" gelezen worden: „vijftigjarige". 



201 

aan den regel worden vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud 
geen object van auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart 
of plaat kan putten - b.v. over de samenstelling van eene machine 
of van eenig menschelijk of dierlijk orgaan - is gemeengoed en 
moet door ieder vrij benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals 
reeds werd opgemerkt, het gebruikmaken van gegevens eener aard- 
rijkskundige kaart, ook al waren zij de vrucht van zelfstandige 
onderzoekingen en opmetingen van den auteur, geen inbreuk op diens 
recht uitmaakt. Het beschermde goed bestaat hier, evenals bij weten- 
schappelijke geschriften, uitsluitend uit den vorm, d. w. z. de bijzon- 
dere uitdrukkingswijze van den auteur. Dit moet niet zóó worden 
verstaan, dat die vorm op zich zelf, los van den inhoud, object van 
auteursrecht zou zijn, zoodat b.v. een uitsluitend recht zou bestaan 
op eene bepaalde methode om iets graphisch voor te stellen of om 
een landschap in kaart te brengen. Waar van den vorm als 
object van auteursrecht wordt gesproken, wordt daarmede steeds 
bedoeld de vorm, dien de auteur aan een concreten inhoud heeft 
gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet in het vergaderen van 
kennis, nóch in het uitdenken van eene methode om die kennis mede 
te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur is slechts hij, 
die deze denkbeelden en plannen verwezenlijkt, die dus op een bepaalden 
inhoud eene bepaalde methode in toepassing brengt. 

De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede aan- 
schouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene - al of niet door 
den auteur gedane - technische uitvinding. In dat geval kan natuur- 
lijk die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat dit 
dan geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de 
kaart of plaat. 

Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische afbeel- 
dingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding, dat m. a. w. 
een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te brengen. 
Kohier noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het 
eene bepaalde -wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun 
loop bevat object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere 
middelen betreft waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld 
object van uitvinders-recht kan zijn*). Ook hier valt dus de onder- 



1) Urheberrecht p. 132. 



202 

scheiding tusschen auteursrecht en uitvindersrecht niet moeilijk te 
maken, indien men maar de objecten van ieder recht goed uit 
elkander houdt. 

§ 4 Werken der toonkunst 

Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander gemeen, dat 
zij beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar tot 
uiting te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en 
zijn slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer 
te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van 
beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden gezien. 

Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken 
en geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschil- 
punten aan te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaai onder- 
scheidt, is dat zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. 
De tonen, waaruit een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de 
woorden in een geschrift, eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen 
onmiddellijk hunne werking uit op den hoorder. 

Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen muziek- 
stukken en geschriften in verschillende opzichten van belang. 

Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor 
mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke 
oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft 
als zoodanig aanspraak op auteursbescherming. 

De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling 
met de taal, die als „voertuig der gedachten" ook practische diensten 
bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen zal 
vinden zooals : nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit hun- 
nen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht te zijn. 

Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik 
worden gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en vinger- 
oefeningen en ook in zekeren zin met dans- en marschrnuziek. 
Daardoor verliezen deze werken echter niet hun karakter van kunst- 
schepping. Het komt mij daarom onjuist voor, om zooals Kohier doet, 
signalen niet tot de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij 
voert hiervoor aan, dat zij buiten den kring der kunst staan Dit 



1) Autorrecht p. 189. 



203 

betreft echter m. i. niet hun inneiiijken aard, maar het gebruik, dat 
er van wordt gemaakt, een gebruik, dat misschien de componist niet 
voorzien noch gewild heeft. De kwestie is echter van te weinig 
practisch belang om er langer bij stil te staan J ). 

In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk 
voorwerp van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een 
belangrijk verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht 
van den componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken 
zijn vorm en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin 
als bij geschriften. Bij geschriften kan men „vorm" noemen de taal, 
en „inhoud" datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt 2 ). Doch omdat 
de muziek het symbolisch karakter der taal mist, is eene onder- 
scheiding tusschen de muziek zelve en datgene wat erdoor wordt 
uitgedrukt, niet te maken. De tonen worden niet, zooals de woorden, 
gebruikt als teekens van begrippen, maar zij zelf zijn het, die de 
muzikale aandoening bij den hoorder wekken. Daarom is het ook 
onmogelijk een stuk muziek „in andere tonen" weer te geven. 

Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van bestanddeelen 
aan een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale bewerking 
te geven. Om te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk op 
het auteursrecht wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit 
welke bestanddeelen een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene 
ontleding van worden gemaakt op soortgelijke wijze als ten aanzien 
der geschriften is geschied. 

In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie, 
instrumentatie, rhythmus en dynamiek. 

Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime 
beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d.i. de 
combinatie van tegelijk klinkende tonen. 

Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede 
aan te duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen 
en eene karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale 
gedachte uitdrukken »). De onderscheiding is, zooals zal blijken, ook 
voor het auteursrecht van belang. 



1) Men zie ook: Schüster, Das Urheberrecht der Tonkunst, enz. pp. 59 8 qq. 
-:) Men zie boven pp. 149 sqq. 

3) Cf.: Viotta, Het auteursrecht van den componist pp. 19 sqq. 



204: 

Ónder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten 
gehoore brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten 
is geregeld. Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van 
vocaliseering. 

De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil 
in tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden. 
Dynamiek eindelijk is de klanksterkte. 

Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de 
enkele melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoni- 
seering. Gaat men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, 
dat zij is opgebouwd uit een of meer motieven of thema's. Deze 
kunnen echter niet als eene schepping van den componist worden 
beschouwd. Zij bestaan uit slechts enkele noten in niet meer dan 
een of twee maten die geen zelfstandig geheel vormen, maar slechts 
als uitgangspunt dienen voor eene verdere muzikale bewerking. Een 
motief in dezen zin bevatten b.v. de twee eerste maten van de vijfde 
symphonie van Beethoven, terwijl men b.v. de bewerking die de 
componist daaraan gegeven heeft in de acht eerste maten van het 
Scherzo in deze symphonie, een melodie kan noemen *). 

Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord 
„motief' niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven zin, 
waarin het eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. 
De „Leitmotive" b.v. in de muziek-drama's van Richard Wagner 
zijn bijna alle tevens melodieën, en niet maar eenvoudige thema's 
zonder zelfstandigen muzikalen zin. 

Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in het 
- zelden voorkomende - geval dat de geheele compositie uit niets 
anders bestaat dan die ééne melodie zonder harmoniseering, maar 
ook wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt van eene meer 
uitgewerkte muzikale compositie. Hieruit valt reeds de algemeene 
regel af te leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te be- 
schouwen het overnemen eener melodie uit het werk van een ander, 
ook al zouden daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie 
zijn gewijzigd. 



1) Cf. Viotta t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde muziekstukken staan 
afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de Eroica-symphonie. 



205 

Meestal bestaat — zooals gezegd - eene muzikale compositie niet 
uit ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij ontstaan uit de 
bewerking van een of meer melodieën. Ook dit bewerken is een 
scheppende arbeid ; dikwijls zelfs zijn juist hieraan de meest waarde- 
volle elementen van een muziekstuk te danken. 

Met het „bewerken" heb ik voornamelijk op het oog het harmo- 
niseeren, d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de enkele 
tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische 
bewerkingen onderscheiden, nl. de polyphonie waarin twee of meer 
op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het ware 
dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de homophonie, 
bestaande uit ééne melodie met eene die melodie steunende en daaraan 
ondergeschikt blijvende begeleiding. 

Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende 
wijzen geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, 
hetzij homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën ont- 
leent en daaraan een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets 
dergelijks als de bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem 
kan gezegd worden — al is het in eenigszins anderen zin — Üathij 
aan een bestaanden inhoud een nieuwen vorm geeft. Er treden hier 
ook ten aanzien van het auteursrecht soortgelijke gevolgen in. De 
bewerker heeft aan den eenen kant het recht van den oorspronke- 
lijken auteur te eerbiedigen en mag dus zonder vergunning van dezen 
laatste zijne bewerking niet exploiteeren ; aan den anderen kant 
vestigt de bewerker op zijne beurt een nieuw recht, dat ook dooi- 
den auteur van het oorspronkelijke werk moet worden ontzien. 

Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op 
zichzelf object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel : 
de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve 
onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht 
op de harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig 
voorwerp van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster 
hieromtrent opmerkt: , ... an den Harmoniefolgen, der Modulation 
als solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch weniger fast 
als an den einzelnen Accorden, denn dieselben Harmoniefolgen können 
bei ganz verschiedenen melodischen und rhythmischen Folgen ein- 
treten, sie sind etwas, das an sich nicht sinnlich wahrgenommen wird 
daher keine Wirkung macht, und nicht für sich allein die Individu- 



206 



alitat des Werkes bestimmt, viehnehr in derselben Art in den ver 

kan dus alleen zijn de harmonische bewerking van een of meer 
bepaalde m elodieën ; harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde 
melodie is iets als de kleur van een schilderij zonder de teekening geen 
concreet kunstwerk maar eene abstractie g 

Kr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje 
van, hoe men door de melodie van een stuk muziek (hf nam 
hiervoor de eerste maten van het Meistersinger-voorspelHe Z 

melodie, die zonder deze bewerking geen voorwerp van auteurs 

ZZ^n Z^ ^ W ° 0rd mel ° die ^ ^rna^ rrn 
want 1 ™, VT? Van: °^^in g van enkele tonen ; 
l m engeren ZÜ1 " —«als hierboven betoogd 

des comloni J ^ m als o«ect van 

des componisten auteursrecht te beschouwen. Doch er zijn opvolgen 
van tonen, die op zichzelf niets uitdrukken en die tZZTteZ 

1 toleT^ Z ° Uden kUmen t0ebeh0 ° ren - ™ noemt 
mJo^ l^ chromatische toonladder, welke de 

„melodie uitmaakt van een stuk muziek van Eichard Wagner een 
g dee e nl. van het derde bedrijf van „die Walküre» ^T£Z 

ete«eT ^T* ™ * UteU « «t, maar wél d 
eigenaardige harmomsche bewerking, die Wagner er aan gegeven 

au L^chtT V ° lgenS ^ Vi ° tta fa dit ^ -n len 

auteursrecht ten aanzien der harmonie. Dit is in zooverre juist, dat 



!) T. a. p. p. 80. 

2) T. a. p. pp . 24 sqq. 

3) Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden: 

»L>enn so kehrt der Gott sich dir ab, 
So küsst er die Gottheit von dir!" 



207 



eerst door de harmonische bewerking een auteursproduct is ontstaan ; 
onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt te bedoelen, dat de harmonie 
op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht zou zijn. Het tegendeel 
zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde wijze als mr. Viotta 
dit met het Meistersinger-voorspel deed, door n.1. dezelfde volgorde 
van accoorden als begeleiding voor eene andere melodie te laten 
dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel nieuwe 
compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op 
Wagner's auteursrecht zou uitmaken. 

"Wat van de harmonie is gezegd geldt m.m. ook voor de 
instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het 
orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, 
die zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, / 
Wagner en in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij 
ook de gestadige ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene 
groote hoogte heeft weten op te heffen. Evenals de harmonie is ook 
de instrumentatie een organisch deel van de muzikale compositie ; 
een componist, die werkelijk kunstenaar is, zal niet eerst de noten 
opschrijven en die daarna onder de verschillende instrumenten ver- 
deden; doch reeds bij de eerste conceptie van het werk zullen hem 
waarschijnlijk ook de middelen, waarmede het ten gehoore moet 
worden gebracht, grootendeels voor den geest staan. Een goed orkest- 
werk is daarom ook in dien zin een organisch geheel, dat men niet 
de oorspronkelijke instrumentatie van den componist door eene andere 
kan vervangen, zonder daardoor aan de aesthetische waarde van het 
werk afbreuk te doen. 

Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke 
instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt 
natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt het 
maken van .transcripties" of „arrangementen", d. z. bewerkingen 
voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. Men kan 
deze bewerkingen vergehjken met vertalingen van geschriften; 
Kohier noemt ook de instrumentatie naar analogie met de taal in 
een letterkundig werk den uiterlijken vorm *). 

Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den 
bewerker van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft 



1) Das literarische und artistische Kunstwerk p. 148. 



208 



na het voorgaande geene uiteenzetting meer. Het arrangement is 
aan den eenen kant zelf een auteursproduct, aan den anderen kant 
zou de exploitatie ervan zonder toestemming van den oorspronkelijken 
componist inbreuk op diens auteursrecht zijn. Ik behoef er ook verder 
met op te wijzen, dat de instrumentatie, evenmin als de harmonie 
of welke andere vorm" ook, op zichzelf geen voorwerp van auteurs- 
rech kan 21J n. Het moet dus vrijstaan, eenen componist, die com- 
bmaües heeft uitgedacht, waardoor nieuwe instrumental'e efleTn 
zijn te bereiken, daarin na te volgen, mits natuurlijk niet met de 
ma nrmentatie ook het oorspronkehjke muziekstuk geheel gedee, 
tehjk wordt overgenomen. S 

Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe 
de verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie neb ^trachten 
aan te wrjzen, laten zich ^^Mbegh^^Z^^t 
der componisten reeds genoegzaam afleiden auteursrecht 

Wy hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder beee 
eidrng verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de L Sue du s m" 
den engen zin van het woord, als eene muzikale composL is e 

::Tzv:t: ie i het thema ' waaruit z « 

vou, dat elke bewerking, waarin de melodie van een ander is over- 
genomen, zonder diens toestemming niet mag worden geëxpl ZZ- 

X: * t l C f\ de be -^ -arin alleen het T°Zt 
*eüjke thema is te herkennen. Dit is vooral van belang met het 
oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op thema's 

dat ook het harmomseeren en instrumenteeren elementen zrin 
van den scheppenden arbeid van den componist. Yanda V at k 

e~krr aa l hem ' ^ ^ e - taatp hl 
wTrw teÏt \ 8 Q ' 66116 00r »^e harmonische be 
werkmg heeft gegeven en zelfs aan hem, die niets anders gedaan 

Ï lol e ; e n ed be ?r 7"*** te 
s, zooals reeds betoogd werd, geen recht op de harmonie of de 

dat ° P ZiChZ6lf ' d ° Ch 6611 reCht °> het concreSZnl? 

dat door de meuwe harmoniseering of instrumenteering tot stand is 



209 



gekomen. Natuurlijk geldt ook hier, dat de bewerker geen recht heeft 
op de bestanddeelen, die hij uit het werk van een ander heeft over- 
genomen. Hij die b.v. een piano-uittreksel heeft gemaakt van een 
orkeststuk kan alleen verhinderen, dat dit piano-uittreksel wordt 
nagedrukt of uitgevoerd, niet dat anderen van hetzelfde stuk eene 
nieuwe bewerking voor piano of voor andere instrumenten uitgeven 
en nog veel minder dat eene melodie uit het stuk wordt overgenomen. 

In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder een- 
voudig zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. 
bijna nooit voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd 
wordt overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke 
niets gemeen heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan 
een muziekstuk wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, 
versterkingen of vereenvoudigingen in de harmonie worden aange- 
bracht. Bovendien worden dikwijls enkele gedeelten uit een muziek- 
stuk overgenomen, die dan in de „bewerking" worden afgewisseld 
door meer oorspronkelijke stukken; dit kan weer op verschillende 
wyzen en in verschillende vormen plaats hebben; men denke b.v. 
aan variaties, phantasieën, potpourris, parodieën enz. 

Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te vervoeren: 
daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas 
moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een 
oordeel uit te spreken. 

Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van algemeenen aard 
aan het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat by de beoordeeling 
of in een bepaald geval door het overnemen van bestanddeelen uit 
eens anders muzikale compositie inbreuk op het auteursrecht is ge- 
pleegd, de meerdere of mindere artistieke waarde van het daardoor 
ontstane nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag worden 
genomen. Er zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel oorspronkelüke 
muzikale composities, ware meesterwerken aan te wijzen Door ver- 
schillende schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de variaties die 
Bach, Mozart en Beethoven op vreemde melodieën hebben geschreven 
Dit is echter geen voldoende reden om dergelijke bewerkingen voor ge- 
oorloofd te houden, indien zij werkelijk bestanddeelen van een nog 
beschermd werk van een ander bevatten. Volgde men deze opvatting ») 



1) Zij wordt o. a. door Schustek verkondigd t. a. p. p. 195. 

14 



210 



dan zou elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er 
slechts eene kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd 

ft meen dus - om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene 
nadere omgeving dan de bovengenoemde - dat een werk als de 
bekende Piet Hein-Bhapsodie van van Anrooy, waarin de melodie 
van het oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen te 
beschouwen is als eene .bewerking» van dat lied en dat de exploitatie 
ervan zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld 
dat diens auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge 
ook de groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in 
melo D die UWe en -^umentatie dan in de ontleende 

vaf df£^' Waai " T bePr ° efd h6eft " ^bepalingen enkele 

de D U 1 ^ T gen ° emde begiDSelen VaSt te le ^n- Zoo kent b.v. 

rechfto H W t T 19 JUDi 1901 d6n com P°-ten het uitsluitend 

w l ' S6lS UUSZÜ9e) Uit hunne werken te **en alsmede 

bewerkingen voor een of meer instrumenten of stemmen (§ 12 4 ) 
voor ts biedt de wet e]k gebru . k mu <MV£ 

ten r n , r 7 ^ ^ W ° rdt ° ntn0men aan een nieuw werk 

Spanr en it!l r rden / 6legd (§ 13 Hd 2) ' °° k in de wetteQ ™ 
wet ™ „ ? ! dergdÜke bePaliDgen V00r ' De Itahaansche 

Trln ! " 882 steltmet productie gelijk: bewerkingen voor 
versch llende instrumenten, uittreksels en geheele of gedeeltelik 
omwerkmgen (atattamenU), behalve wanneer een motief uit een wS 
tot thema wordt genomen voor eene nieuwe oorspronkelijke muzikale 

ZTZtJLï^ Spaansche wet van 10 Jan - 1879 ™ « 

leidiÏÏ 1 ehjk overnemen van melodieën met of zonder bege- 
leiding hetzij bewerkt voor andere instrumenten, hetzij voorzier van 

r~e e ft t6kSt ° f r eDigenanderenVOrm ' dandie ^~ 
eraan heeft gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept 1880 tot 

iÏÏTST laa n™ wet bepaalt ^ dat * ™^ 

(art et) geparodieerde stuk mag worden opgenomen 

die "oolr TnT 611 ff" Wetsb( * ali ^ als de bovengenoemde, 
die zoozeer m bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig Slechts 
dan kunnen zij noo dig zijn , indien bij het ontbreken ervafgegrTnÏ 



211 



vrees bestaat, dat door den rechter de juiste beginselen niet zullen 
worden toegepast, zoodat b.v. alleen het exploiteeren van een muziek- 
stuk in ongewijzigden vorm als inbreuk op het auteursrecht zou 
worden aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet den rechter in 
deze materie volkomen vrijheid laat, al of niet het geval is, is moeilijk 
mt te maken, daar jurisprudentie hierover ontbreekt en ook van eene 
wetenschappelijke communis opinio moeilijk kan gesproken worden 
Er kan hier echter gewezen worden op de boven reeds aangehaalde 
zinsnede uit de memorie van toelichting onzer wet, waaruit ten 
duidelijkste blijkt, dat onze wetgever geenszins de bedoeling heeft 
gehad, het maken van bewerkingen van muziekstukken zonder toe- 
stemming des auteurs in alle gevallen vrij te laten. Er is dus nog 
minder dan ten aanzien der geschriften, eenige reden om de erkenning 
van een bewerkingsrecht van auteurs van muziekstukken in strijd 
met de wet te achten. Daarom meen ik ook, dat de hierboven ont- 
wikkelde theoretische beschouwingen volgens ons bestaande recht 
in allen deele toepassing zouden kunnen vinden. 

/ 

§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten 
en pantomimes 

In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale werken ver- 
staan tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit een 

t g e e ks e t el He etlaT ° P " b ~ 
tekst. Het mgenaard.se van deze werken bestaat hierin, dat zij door 

eene samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan znn- z j zl 

geen geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst 'en 2Z 

behooren bl J elkander en vormen één geheel. Die organische sam n- 

hang van woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend- een 

opera of operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als ^T g 'eZ 

e beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zij om 

deze werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of op rett" 

als een rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende beetanSn 

bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen^^ 

een symphome, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien van he t 

auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De mo Ikheid M 

*et bepalen, wat in elk geval object van het ^eursre^ ^ 



212 



zooals na het bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk in 
de ontleding, die van geschriften en kunstwerken moet worden ge- 
maakt. Deze ontleding valt bij dramatisch-muzikale werken al heel 
gemakkelijk. Want tekst en muziek mogen tezamen een organisch 
geheel vormen, evenals b.v. melodie en harmonie, eene onderscheiding 
te maken tusschen de twee zal niemand eenige moeite kosten. Wat 
de tekst is in een opera, en wat de muziek, daarover behoeft geen 
woord te worden vuil gemaakt. En is eenmaal deze onderscheiding 
gemaakt, dan is voor 't overige op elk der twee bestanddeelen van 
het dramatisch-muzikale werk slechts toe te passen, wat hierboven 
over de geschriften en de muziekwerken is gezegd. Het libretto, het 
moge op zichzelf, dus afgescheiden van de muziek, eenige zelfstandige 
waarde hebben of niet, valt onder de regels die voor alle geschriften 
en in het bijzonder voor de tooneelstukken gelden. Het zal dus b v 
niet vertaald mogen worden zonder toestemming van den auteur- 
evenmin zal er een roman of novelle uit getrokken mogen worden' 
tenzij het natuurlijk zelf eene dramatiseering is van een bestaande 
roman. Eveneens zullen, wat het muzikale gedeelte betreft de be- 
ginselen toepassing kunnen vinden die hierboven over het auteursrecht 
der componisten zijn ontwikkeld. 

Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook 
bestaan een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder 
Dit is vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet 
tevens de auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming 
van den librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk 
uit te oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend 
Schuster b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een 
componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen bezielt 
en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet kunnen 
beschikken !). Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid uitdrukkelijk 
erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt blijft tot kleinere 
gedichten en in het algemeen tot die werken, die niet zijn geschreven 
met het doel, als tekst voor een componist te dienen (wet van 19 
Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer liederen dan dramatisch- 
muzikale werken op het oog. In geen geval schijnt mij echter deze 
vrijheid tot het gebruiken van andermans geschriften gerechtvaardigd. 



1) T. a. p. p. 242. Cf. ook in dezen zin : Viotta pp. 55 sqq. 



218 



Het moge een eer zijn voor een dichter pf librettist, dat zijn werk 
- door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt 
uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door 
bekend zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde 
het geval kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de 
gewone regelen van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en 
de componisten maar vrijelijk over het werk van anderen te laten 
beschikken. Dat men door deze vrijheid aan banden te leggen het 
ontstaan van belangrijke werken op het gebied der vocale muziek 
ernstig zou bemoeilijken - zooals Schuster schijnt te vreezen 1 ) - 
meen ik te moeten betwijfelen. De componist zal zyn werk niet 
mogen exploiteeren zonder toestemming van den schrijver van den 
tekst, doch men kan gerust aannemen, dat deze toestemming bijna 
nooit - en in 't bijzonder niet aan talentvolle componisten — zal 
worden geweigerd 2 ). 

Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de 
dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk 
niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten 
zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook de 
niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en tekst 
bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat 
echter geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding 
der dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze 
werken niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziek- 
stukken. Het verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere 
wetten niet meer voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoerings- 
recht van muziekwerken slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdruk- 
kelijk is voorbehouden) wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van 
dramatisch-muzikale werken niet aan deze voorwaarde is gebonden 3 ), 
Onze wet bevat ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog 
minder ruim toe; uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in 
het geheel niet; opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, 
al is het slechts voorwaardelijk en in beperkte mate fartt 1 en 15).' 



1) T. a. p. pp. 244 sqq. 

2) Cf. in denzelfden zin: Kohjlek, Urheberrecht p. 198. 

3) Zoo b.v. de vroegere Duiteche wet van 1876. 



214 



de Le Z ? Z ! VerSChÜIende behandeling van de dramatische en 

Ï i! Tf mUziekwerken °™ redelüke grond bestaat, laat 

In Z f T (iQ 6611 V0 ^ endh00f dst U k hoop ik het tegendeel 
aan te toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er 

st Ja e a n n e b , aa ° -bindt, wil ik een oogenbhk 

mu kaal we V^' * zin der -t onder een „dramatisch- 
muzikaal werk" te verstaan is. 

werken 712°^ \ ^ beh °° ren 0pera?s en operettes, 
werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden opgevoerd • 

" eCh T geStred6n °™ de ™*. °' ook werken d e wei 
zin b ei T maar ni6t UitsIuiteDd ™ *»n schouwburg 

k ie w ken' Z °°: S ; rat ° ria C£mtate ' S ' t0t de ^-tisch-muzi 
TJoT JT W ° rden - SChUSter beweert ™ "iet, 

moef hit vl , Werk6n UiterlÜke dramatiek m***; di 

™1 au h Ifn , T' d °° rSlag g6Ven: " da das Becbt, und 
som t auch das Urheberrecht als aussere Ordnung seiner Unrer 
scherdung aussere Momente zu Grunde legen muss-) 

rnZ7^Z::*V e Waarde ^ ^ a ~ mn teneenen- 

meeninT dfe Zt 7 ^ * ^ adem b « V ° egen dat er ™or de 

Ts Tet' al of S T eT Z ° U kUDDen St6llen ^™ 

"nnerut f ^atische" van een werk naar zijne meer 

Z^L PPeD ' ° PZet 6n b0UW zou ^eten worden 
bedeeld) al evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij de 

Kohier Tl r/ P r UniStiSCh StandpUnt te ^chouJen zl 
de wt ll r ? 6Ze redeQeerde alS ^ het onderscheid, dat 

van"876 n? (Z1JD °° g ^ b6trekking ° P de oude ^tsche wet 
van 1876, nu vervangen door die van 1901) tusschen dramatische en 

is Illeen t g °f, . betóhan ^ ato de eerste ; de bepaling 

is alleen te verdedzgen als een overgangsmaatregel, zoolang tegen 
een onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht van muziekstukken nog pra" 
t^che bezwaren worden gemaakt, die echter bestemd is te verdween 

Z ZweifT , , ^ K0Uer g06d gCZien); eD Z « n sl ot-m is deze: 
^ traclS f mm MUS * StÜCk ^ d «ch-musikalisch zu 



1) T. a. p. p. 228. 

2) AutorrechtUche StudOn, Archiv für cMistische iW> 85 p. 397. 



215 



Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking „dramatisch- 
muzikale werken" van onze wet worden gegeven; temeer daar in 
de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe behoo- 
-rende worden genoemd 1 ). 

Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ont- 
beren en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische hande- 
ling tot uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale 
werken kunnen gerekend worden. M. i. is er geen reden om het 
tegendeel aan te nemen. Dat balletten en pantomimes evengoed als 
geschreven drama's tot de kunstscheppingen behooren te worden ge- 
rekend, die door auteursrecht beschermd zijn, wordt in de laatste 
jaren bijna door niemand meer ontkend. Eeeds in 1885 op de Con- 
ferentie van Bern tot voorbereiding van de internationale Conventie 
werd dit door den Italiaanschen gedelegeerde Kosmini kort en 
duidelijk uitgesproken : „ . . . il ne s'agit pas seulement de protéger 
le libretto, qui n'est qu'un canevas, ou la musique, qui n'est qu'un 
accessoire, mais aussi Vaction chorégraphique, qui est une création 
de 1'auteur. Le chorégraphe digne de ce nom est poète et artiste : 
il crée le sujet ; il ordonne les scènes, les décors, les costumes, les 
tableaux, les couleurs; la suite, 1'intrigue, le développement des 
pantomimes et des danses, qui expriment le drame fantastique, 
mythologique ou historique. Tout cela constitue une véritable oeuvre 
d'art, et 1'ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce doublé 
titre, il y a donc lieu de protéger Vaction chorégraphique" 2 ). 

Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aan- 
slaat dan Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te 
doen, zal men het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schep- 
ping vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals 
wij gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te 
rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden 
gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt aange- 
kondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen, waarvan 
den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren hiertoe 



1) Handel. Tweede Kamer 1880—1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook: Mr. J. D. 
Vekgesïs t. a. p. p. 86. 

2) Actes de la Conférence de Berne 1885 p. 21. 



216 

vertooningen, die tot eenig doel hebben de handigheid, vlugheid of 
lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen bewonderen of voor- 
stellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en dergelijken 1 ). 

Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de 
auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het chore- 
graphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In de tweede 
plaats — en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer gebrui- 
kelijke middel zijn — door eene beschrijving van de standen, gebaren, 
gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime optredende 
personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve deze 
twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren 
van groote beteekenis is geworden, nl. de kinematograaf. Met behulp 
hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste bijzon- 
derheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een middel 
in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te stellen. 
Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats treden 
van eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers enz. 
Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de 
vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die wer- 
kelijk hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, 
de aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd 
meer en meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette „drama's" 
en kluchten door den kinematograaf vertoonen. Indien pantomimes 
in het algemeen tot de beschermde auteursproducten kunnen worden 
gerekend, dan bestaat er niet de minste reden om aan deze bijzondere 
soort bescherming te ontzeggen. Al zal men den naam „ drama" voor 
deze werken misschien niet geheel passend achten; het kan toch 
niet ontkend worden, dat zij door de snelle opeenvolging en groote 
verscheidenheid der tafereelen, die zich achtereenvolgens op de meest 
verschillende plaatsen kunnen afspelen, nog meer dan de eigenlijke 
pantomimes zich leenen, om dramatische conflicten tot uitdrukking 
te brengen. 

De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als photographieën 
beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel anderen aard, dat 
niet verward moet worden met dat op het door den kinematograaf 



1) Cf.: D. A. 1899 p. 15; Kohler, Das literarische und artistische Kunst- 
werk pp. 167 sqq. 



217 



vertoonde stuk, waarover hier gesproken wordt. Dit laatste recht is 
van veel wijder strekking: niet alleen het maken van afdrukken der 
oorspronkelijke films zou een inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het 
opnieuw laten vertoonen van hetzelfde stuk, hetzij door andere, 
hetzij door dezelfde personen, om daarvan weer eene nieuwe kine- 
matographische afbeelding te maken. Het behoeft geen betoog, dat 
er alleen dan voor dit recht grond bestaat, indien de voorgestelde 
tafereelen kunstmatig in elkander zijn gezet en tezamen een geheel 
vormen, waarin althans eenigszins een dramatisch element te her- 
kennen valt. Tafereelen, die zich in de werkelijkheid hebben afge- 
speeld, kunnen geen voorwerp van een uitsluitend recht zijn, ook al 
hebben de daaraan deelnemende personen zich min of meer gedragen 
naar de aanwijzingen van dengeen die ze in beeld bracht. 

In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigen- 
aardig proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een 
dokter had in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen 
vervaardigen van door hem verrichte operaties; van deze films 
werden zonder zijne toestemming afdrukken in den handel gebracht 
en in het publiek vertoond. De door hem ingestelde actie werd door 
de Seine-rechtbank toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de 
kinematographische afbeeldingen als werken van beeldende kunst 
beschermd waren en dat als auteur daarvan de eischer (nl. dokter 
Doyen) moest worden aangemerkt, daar deze het was geweest, „qui 
a disposé d'abord son sujet, ses aides, ses instruments; qu'il's'est 
assuré de la mise en plaque, c'est a dire si le point important de la 
scène a reproduire se trouvait bien dans le centre du verre dépoli; 
qui a été en un mot le principal auteur des films" etc. Doch 
,1a scène a reproduire" zelf werd niet als een voorwerp van zijn 
auteursrecht beschouwd en terecht. Eene operatie is geen drama; 
geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als wetenschappelijk-technische 
praestatie hare waarde hebben, auteursrecht kan daardoor niet worden 
gevestigd. 

Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal 
voor den kinematograaf vervaardigde „stuk", wordt, voorzoover mij 
bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de wet omschreven 



1) Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audienee du 10 février 1905 D i 
1905 p. 76. 



218 



of door de jurisprudentie erkend. De eenige stellige bepaling, die mij 
hierover bekend is, is die van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner 
Conventie, welke hieronder nog besproken zal worden. In een geval, 
waar voor de erkenning van dit recht wellicht eenige grond bestond 
(het betrof hier kinematographische tafereelen die tot titel voerden : 
*Apparitions de la tres Sainte Vier ge d Bernadette") werd het bestaan 
ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren o.a. : 

„Attendu qu'une oeuvre cinematographique, de quelque valeur 
artistique qu' elle puisse être, ne peut, en aucune manière, être 
assimilée aux oeuvres dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, 
non susceptible d' interprétation, purement mécanique, ne saurait 
être Pobjet d'une représentation dans le sens donné a ce mot par 
la loi des 13-19 Janvier 1791 et par les articles 428 et 429 du Code Pénal ; 

Que, s'il est exact de prétendre que 1' agencement et la composition 
des tableaux représentés peuvent offrir un caractère artistique, le 
mouvement dont sont douées les projections cinematographiques 
n'est pas dü soit a 1'auteur, soit a des exécutants, mais bien 
a la machine spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est 
obtenu, etc." 1 ). 

"Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte 
nog eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni 1903. 
Hier waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel, maar 
eenvoudig een serie van tien prentbriefkaarten, die echter, in bepaalde 
volgorde gelegd, eene soort van „dramatische" handeling lieten zien, 
op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen, als een 
kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij o.a. qu'il 
existe entre les dix scènes de la composition un enchainement qui 
indique la pensee de 1' auteur ; qu'en outre, la position des person- 
nages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie, leur attitude précisent 
et réalisent cette conception; . . . qu'on n'a pas cherché a reproduire 
les traits de telle ou telle personne déterminée, mais a ügurer par 
une série de petits tableaux une idéé que la mimique des person- 
nages fait comprendre; que sans rechercher quel peut être le mérite 
ou la valeur artistique d'une telle oeuvre, il est certain qu'elle 
bénéücie de la protection de la loi du 10 Juillet 1793" 2 ). 



1) Cour d'appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, D. A. 1905 p. 76. 

2) Tribunal de la Seine 3e ch. 9 Juni 1903, D. A. 1904 pp. 62, 63. 



219 



Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien prent- 
briefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht erkend. 
De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank 
inbreuk op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie 
van de oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van 
de tien tafereelen; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor 
andere personen geposeerd hadden. 

Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging 
in het erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteurs- 
recht werd beschouwd, was niet veel meer dan „une idéé" in den 
zin, waarin ons woord „idee" wel wordt gebruikt, nl. eene invallende 
gedachte, en niet eene schepping, die aanspraak geeft op auteurs- 
bescherming. Het vonnis geeft overigens een eigenaardig staaltje van 
de vrijheid, waarmede de rechtspraak in Frankrijk zich beweegt bjj 
het interpreteeren van de wettelijke bepalingen op het auteursrecht. 
Met het oog hierop meen ik ook te kunnen zeggen, dat er tenminste 
in dat land geen speciale wet noodig zal zijn, om de bescherming, 
die in de voorgaande bladzijden werd bepleit (voor de stukken nl. 
die aan den kinematograaf hun aanzjjn hebben te danken), daad- 
werkelijk in te voeren. 

Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even 
groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes, 
waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-mu- 
zikale werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken 
natuurlijk uitgesloten. „Geschriften" zijn zij al evenmin; dus zou er 
niets anders overblijven dan ze te rangschikken onder de „tooneel- 
werken", waarvan onze wet spreekt. Met eene dergelijke interpretatie 
zou men echter de grenzen, die de wetgever voor oogen heeft gehad, 
te ver overschrijden. Naar ons bestaande recht meen ik dus, dat de 
bedoelde werken onbeschermd zijn. Bij eene toekomstige herziening 
zou daarom het opnemen eener bepaling als die van art. 14 tweede 
en derde lid der Berner Conventie, ook in verband met eene aan- 
sluiting van ons land bij het internationale Verbond, wel aanbeveling 
verdienen. 

§ 6 Werken van beeldende kunst 

De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, als alle 
kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. de stof 



220 

is slechts middel van uitdrukking en geen bestanddeel van het kunst- 
werk. Toch staat uit den aard der zaak de beeldende kunstenaar 
anders tot de stof dan de auteur van een geschrift of muziekwerk. 
Het verschil ligt hierin, dat — wat men zou kunnen noemen — : 
de verwerkelijking van het werk in de stoffelijke wereld, door schrij- 
vers en componisten aan anderen (zangers, orkestspelers, tooneel- 
spelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in het schrift (letter- 
en notenschrift) een middel hebben, om hunne schepping door 
symbolische teekens weer te geven. De beeldende kunstenaar daaren- 
tegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; hij moet, zij 
het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. Daarom kan 
van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en uitvoerend 
kunstenaar is. 

Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden 
kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf, heeft 
dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een schrijver 
of componist. Het eerste is de verwerkelijking van een kunstwerk, 
het tweede is niet meer dan een middel, waardoor de verwerkelijking, 
ook door anderen dan de auteur, mogelijk wordt gemaakt. Doch men 
moet daarom niet bij een werk van beeldende kunst de schepping 
van den kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk voorwerp, waarin 
de schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is niet aan dat ééne voor- 
werp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk aan ééne uitvoering. 
Doek en verf spelen in het werk van den schilder ongeveer een zelfde 
rol als de geluidstrillingen bij de uitvoering van een muziekwerk: 
zij zijn de middelen, waardoor het kunstwerk voor de zintuigen 
waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste van meer blijvenden 
aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan, dat beeldende kunst 
en muziek zich tot verschillende zintuigen richten. Muziek, als 
rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het oor worden waar- 
genomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd ; de werken 
van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden gezien, hebben 
voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een 
bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de 
ruimte. 

Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar is - 
het zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd — niet het licha- 



221 



meüjke voorwerp, dat de schepping verwerkelijkt, maar de onlichame- 
lijke schepping zelve. Om hiervan een goed denkbeeld te krijgen, moeten 
wij ons het kunstwerk denken ontdaan van de materieele hulpmid- 
delen die de kunstenaar heeft gebruikt om zijne conceptie aanschou- 
welijk te maken. „Wir mussen," - zooals Kohier het uitdrukt - 
„von der concreten Darstellung abziehen einmal die auszere Form 
(d.w.z. het procédé: krijtteekening, olieverf, aquarel enz. enz.) mussen 
uns daher vergegenwartigen, was das gemeinsame ausmacht, wenn 
wir das Bild in verschiedenen Kunstformen wiedergeben" 1 ). 

Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn 
recht) onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is het 
gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in denzelfden kunst- 
vorm meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder 
wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere exemplaren 
worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te onderscheiden. 
Dit is b.v. het geval met etsen en hontsneden; elke afdruk die van 
het door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, is eene 
even volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den laatsten tijd 
is men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het oorspron- 
kelijke cliché reproducties te maken van prenten van allerlei aard, 
die zóó getrouw het , origineel weergeven, dat slechts door deskun- 
digen het onderscheid kan worden gezien. Er zijn echter kunstwerken, 
waarvan het zeer moeüijk is eene reproductie te maken, die vol- 
komen met het origineel overeenstemt. Van een schilderij b. v. kan 
men zich wel eene kopie denken, die, zoover ons waarnemingsver- 
mogen gaat, in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis met het 
gekopieerde vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke kopieën 
met 2 ). Doch dat de mogelijkheid in abstracto kan worden aange- 
nomen, is ons hier genoeg. In de practijk, d.w.z. in de practijkvan 
het auteursrecht, komt het er niet op aan, of men met eene ge- 
brekkige kopie heeft te maken dan wel met de meest volmaakte 
die zich denken laat. ' 
Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken kunst- 



1) Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 45, 46. 

rr 2 - Q \l IO t ^ W ' VoGEL8ANG > ^esthetiek en kunstgeschiedenis aan de 
Universiteü. Rede uügesproken bij de aanvaarding van het hoogleeraars-ante aan 
de Htjks-Uinversiteit te Utrecht 23 Sept. 1907 pp. 19, 20. 



222 



vorm hebben wij nu ook te doen met die in een anderen kunstvorm. 
Naar eene schilderij kan b.v. een ets, of eene houtsnede of eene 
krijtteekening worden gemaakt; eene aquarel kan door middel der 
chromo-lithographie worden gereproduceerd, enz. enz. ; al deze repro- 
ducties of kopieën in andere kunstvormen zijn min of meer vol- 
maakte en min of meer getrouwe verwerkelijkingen van de oorspron- 
kelijke schepping. 

Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den beel- 
dende kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, 
eenigszins nader te karakteriseeren. 

Het begrip „beeldende kunst" staat - er is reeds op gewezen — 
niet algemeen vast. In het bijzonder bestaat verschil van meening 
hierover, of tot de werken van beeldende kunst, die voorwerp zijn van 
auteursrecht, ook gerekend moeten worden: photographieën, werken 
der bouwkunst en de producten van kunstnijverheid of toegepaste 
kunst. Over deze drie categorieën van werken zal ik hieronder 
afzonderlijk nog spreken; ik laat ze daarom voorloopig buiten beschou- 
wing en neem dus het woord beeldende kunst in de meer enge 
beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk gegeven wordt. 

Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede 
eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe 
behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische 
scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene 
innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken. 

De grondslag — of zoo men wil: de inhoud — van elk werk van 
beeldende kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. 
Waar deze ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te 
zien, die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen 
worden iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een 
werk van beeldende kunst te doen 1 ). Kohier bedoelt waarschijnlijk 
niets anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van 
beeldende kunst karakteriseert als: „Darstellung einer Weltschöp- 
fungsidee" 2 ). Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te 
gebruiken, kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van 
beeldende kunst is, dat het „iets voorstelt." De voorstelling, d. w. z. 



1) Cf. Swaet t. a. p. p. 58. 

2) Kunstwerkreeht p. 27. 



223 



datgene wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft 
gestaan, kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft 
gezien. Doch waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de 
werkelijkheid na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; 
zijn doel is eene aesthetische aandoening te bewerken door de ver- 
aanschouwelijking van zijne persoonlijke voorstelling van de wer- 
kelijkheid. Daarom is b.v. de voorstelling van eene kamer of van een 
woud op het tooneel geen werk van beeldende kunst 1 ). Evenmin 
zijn als zoodanig te beschouwen de wassen poppen in een panop- 
ticum; immers de bedoeling hiervan is juist, dat zy zoo bedriegelijk 
mogelijk de werkelijkheid nabootsen. De grootste triomf voor den 
vervaardiger is het, als de poppen door den beschouwer voor echte 
menschen worden aangezien. Aan den beeldenden kunstenaar is 
echter elk streven, om zijn werk voor realiteit te laten doorgaan, 
vreemd. 

Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, 
wil zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoe- 
ningen, beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de wer- 
kelijkheid is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten 
werken en zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid 
nooit zou kunnen voordoen; doch altijd moet het 'beeld bij den be- 
schouwer de herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een 
schilderij of teekening, waarvan niemand kan zeggen „wat het voor- 
stelt", is niet als werk van beeldende kunst te beschouwen. 

Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van 
volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit 
het oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden geno- 
men. Dit is een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken 
geldt, en die na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere 
verklaring zal behoeven 2 ). 

Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den 
beeldenden kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, 
bestaat ? 

Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit 
wordt niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat 



1) Cf. boven pp. 133, 134. 

2) Cf. ook: Swast t. a. p. pp. 58, 59. 



224 



het met aangaat, aan één persoon het monopolie op een bepaald 
onderwerp te geven (wat - zooals wij gezien hebben - in den tijd 
der privilegiën wel voorkwam) zal nu wel nergens tegenspraak 
ontmoeten. Dit geldt niet alleen voor portretten, landschappen stil- 
levens enz. maar ook voor de zoogenaamde genrestukken enafbeel 
dingen van geschiedkundige tafereelen, waarbij het tafereel op zich 
zelf eene - zij het ook geheel uiterlijke - beteekenis heeft *) 

Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil 
ook al is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp' 
is echter iets anders dan wat ik hierboven noemde de „ innerlijke voor- 
stelling" van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien 
ook van de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders 
met op dezelfde wijze behandeld worden. 

In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van eiken 
kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij 
den een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij den 
ander en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk 
leiden Kohier spreekt te dien aanzien van „die individuelle Weise 

n'/r KÜnSÜei " S6inen St ° ff Mealisirt ' in Mealweisegebildet 
nat ). Dit kan natuurlijk op verschillende wijzen en door verschil- 
lende middelen worden bereikt; elke kunstenaar volgt hierin min of 
meer zijn eigen weg, al zal zijn werk op enkele punten verwantschap 
met dat van anderen toonen. 

Deze innerlijke- voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud 
zijner schepping noemen. Zij is het .imaginare Bild", - de ,«riffe 
«« zou men hier zeggen - die in verschillende vorrnen aan- 
schouwelijk kan worden gemaakt. 

De „vorm" is hier weer te onderscheiden in een innerlijken 
en een uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben 
te zoeken in wat gewoonlijk genoemd wordt de compositie, d.w.z de 
wijze waarop de verschillende onderdeelen worden gerangschikt 
op den voorgrond of op den achtergrond, in licht of in schaduw 

Zt? ' " ÓÓ ^ ZiCh daarUit één harmonisch geheel 

vormt. Hiertoe behoort ook in het bijzonder de begrenzing van 



1) Men zie boven p. 12. 

2) Cf. KoHLEE, Das literarische und ariistische KunsUverk pp. 38 sqq 
4) Das hterarische und artistische Kunstwerk p. 48. 



het stuk *) ; zoo kan bij landschappen of zeegezichten de hoogte van de 
lucht in verhouding tot het geheel een belangrijke factor zijn ; terwijl b.v. 
de bewegelijkheid van een menschengroep kan worden verhoogd, dooi- 
de figuren, die zich aan de uiteinden bevinden, slechts voor de helft te 
doen zien, zoodat zij uit de lijst in het schilderij schijnen te stappen 2 ). 

Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft 
te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van 
compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls 
beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weel- 
een andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat 
voor de definitieve verwerkelijking passend wordt geacht. 

Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven, 
d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel, crayon- 
teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus voornamelijk 
de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden arbeid 
des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid bij te 
pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor de 
schilderkunst: het is dikwijls vooral de „manier van schilderen" 
waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch 
ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar 
zijne persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voor- 
beeld twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het 
voorkomen, dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten 
ontdekt, die natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in 
werkwijze der twee kunstenaars. 

Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden 
kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de 
innerlijke voorstelüng, de compositie en de technische uitvoering, 
die zich, wat hunne onder linge verhouding aangaat, eenigszins laten 
vergelijken met: melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. 
De gevolgtrekkingen ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel 
analoog aan die, welke ten opzichte der geschriften en muziekwerken 
gemaakt zijn. Ik meen dus, dat zonder verdere toelichting de volgende 
regels kunnen worden gesteld. 

Object van auteursrecht is — zooals altijd — alleen datgene, wat 



1) Cf. Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 47. 

2) Cf. Prof. Dr. Vogelsang t. a. p. pp. 25, 26. 



15 



226 



de schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke 
werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken en 
mnerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de «innerlijke voorstel- 
ling". Wanneer deze door een ander wordt overgenomen is dit een 
inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in een 
anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een 
schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening 
enz. enz.; dit is ook dan niet het geval, indien in de compositie 
wijzigingen zijn aangebracht. 

Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen 
mnerlijken of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig 
of het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt* 
wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker 
van muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een 
schi denj kan dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne 
toestemming gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde 
schilderij een andere ets wordt gemaakt. 

Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet 
de abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm 
in verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het 
navolgen van den stijl of de ,manier» van een ander, voorzoover 
dit op nieuwe onderwerpen wordt toegepast. 

Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hier- 
boven behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb na de 
theoretische beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht 
in ons land, en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op. 
dat in andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van 
beeldende kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk 
eene bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grond- 
slag daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling 
van het auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd, 
door de Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een 
kwart eeuw oud is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet 
voor een groot deel verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins 
uitvoerige bespreking ervan af en bepaal mij tot eene enkele 



rel^Jt elm&Üe l b , e fP rekiDg h6t ° ntWer P S eeft Mr ' S ™ T in «Sn 
reeds meermalen aangehaald proefschrift. 



227 



opmerking, die met mijne hierboven gehouden beschouwingen ver- 
band houdt. Deze opmerking geldt het vierde artikel van het Ontwerp, 
dat aldus luidt: 

Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd op 
wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische 
bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht, bij art. 1 aan den 
oorsproEkelijken vervaardiger van een kunstwerk toegekend, hetzij van het 
oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 bedoeld uitsluitend recht bestaat 
of niet. 

Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van 
een ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, 
dat de voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende 
opzichten zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte 
ik nu in het volgende even te wijzen. 

In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die 
reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is, 
waar het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de .mechanische 
bewerking" te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar 
het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van „werken 
van beeldende kunst" wordt gesproken. Het gevolg zou dus zijn, dat 
b.v. eene photographie van een schilderij wél, doch die van een 
natuurtafereel of van personen niet beschermd zou zijn. Een redelijke 
grond hiervoor is niet aan te wijzen 1 ). 

Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt 
verleend, indien de reproductie „op wettige wijze" is gemaakt. Dit 
beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt 
op het recht van den auteur van het origineel, hetzy omdat dit recht 
niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming 
heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zyn recht op het 
oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen 
reden voor, om alleen de „wettige" reproductie te beschermen. Ik 
kan hier verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de 
bespreking van het recht van den vertaler op zijne vertaling. De 
vertaler - is daar betoogd (p. 179) - heeft aanspraak op 
bescherming, onverschillig of zijne vertaling al dan niet „rechtmatig", 



l) Swart t, &. p. p. 86. 



228 



d. w. z. niet in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht van den 
oorspronkelijken schrijver, is. Hier hebben wij nu met een volkomen 
analoog geval te doen. Het recht op de reproductie moet onafhankelijk 
blijven van dat op het oorspronkelijke werk. 

Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook 
mt de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de 
bepaling, dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor 
op zijne reproductie) duurt: „tien jaren of zooveel langer als het 
auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft" 
Vooreerst is de bijzondere termijn van korten duur (het auteursrecht 
op oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp vijftig jaar) 
hier misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit verdedigd 
met een beroep op eene analoge bepaling in de W.A.R. ten aanzien 
van het recht van de vertalers op hunne vertaling: „de duur van 
dit recht is echter iner op tien jaren en dus veel langer dan dat van 
den vertaler op zijne vertaling gesteld ... enz." i). Duidelijk blijkt 
hieruit, dat men het recht van den vertaler verwarde met het uit- 
sluitend vertalingsrecht; immers alleen dit laatste wordt door de 
W. A. R. aan den korten termijn van vijf jaar gebonden. Doch eene 
verwarring van dezelfde soort blijkt ook uit de laatste zinsnede van 
art. 11 volgens welke het auteursrecht op de reproductie even lang 
duurt als dat op het oorspronkelijke kunstwerk. De bepaling is klaar- 
blijkelijk gemaakt ter wille van den auteur van dit laatste, want er 
bestaat geen reden den navolger van een wél beschermd kunstwerk 
een langer recht te geven dan hem, die een niet-beschermd kunstwerk 
ter navolging heeft gekozen. De oorspronkelijke auteur heeft echter 
aan zijn eigen recht genoeg, daar dit hem ook tegen de reproductie 
van eene reproductie beschermt. 

§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst 

Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met de 
hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf 
tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel 
eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren Over elk 



enVjtt u"^ KameV lm ~ im - «W-S P- 5. Cf. ook: pp. 6 



229 



dezer onderwerpen — en in het bijzonder over de kunstnijverheid — 
zou in verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; 
ik heb echter om verschillende redenen hiervan afgezien. Men ver- 
wachte hier dus niet meer dan enkele korte opmerkingen, die ik 
ter wille der volledigheid niet achterwege meende te kunnen laten. 

Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder meen 
ik in het algemeen te moeten verstaan : de vervaardiging van kunst- 
voorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen. 

Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de 
eerste groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of 
plastische afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde 
paneelen, plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, 
wapenen of andere voorwerpen die en reliëf voorstellingen dragen 
enz. enz. Voor deze categorie van producten zal moeten worden 
aangenomen, dat de werken van beeldende kunst, die er op zijn 
aangebracht, evengoed als alle andere beschermd dienen te zijn. 
Het materieele voorwerp is natuurlijk geen object van auteursrecht, 
evenmin als het doek of papier van schilderij of teekening; er is 
geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet van een „werk 
van beeldende kunst" zou kunnen worden gesproken, alleen omdat 
het materieele voorwerp, dat drager is van het kunstwerk, een ander 
karakter of andere eigenschappen heeft dan bh' de zoogenaamde 
„zuivere kunstwerken" 1 ). 

De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun 
geheel beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. 
Deze werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, 
daar zij niets in beeld brengen. Zij missen een „geestelijken inhoud" ; 
hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid, 
die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe zij 
bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens 
geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten, 
handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen, 
boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aarde- 
werk enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de 
meeste landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, 
zoodat zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom 



1) Eenigszins in denzelfden zin: Swaet, t. a. p. pp. 69 sqq. 



230 



vielen is in de laatste jaren meer en meer een streven waar te 
nemen om ze tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorweln 
van auteursrecht te rekenen. In beginsel kan irLLnierte^T^ 
bezwaar zijn; ongetwijfeld kunnen ook deze werken de ve^XfS^ 
m van oorspronkelijke aesthetische scheppingen, alz/n zT t er g D s 
met met de eigenHjke kunstwerken op ééne lijn te stellen 

r»lTTï nde land6n iS ° P d6Ze w « ze ^tgebied van het auteurs 
recht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de lete 
jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland doordew^v^^ 8 

Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat is dit 
« TaT^ ^ ^ ~ tn'el 

o weTken l T7\ e T ë dG iDVOeriDg VaQ auteursrecht 
op werken van beeldende kunst zal worden overgedaan nnV ™ 

bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst 7Ztl tZ 

;ilnV e of r 8 r bescherming zich ^ 2^2: 

uoen gevoelen Of volgens het Ontw. B K dat in w ^ 
spreekt van .werken van beeldende kunst' o k enkeÏ STT 
van kunstnijverheid zouden vallen, is eene vraag ^ 1^4 S 
zou kunnen worden. M.i. zou men zich hierbij moeten houd°en lS 
de begrips epaling, die ik hierboven van de werken van beeldend 
kunst heb trachten te geven. Doch in elk geval zal het gewenschfzifn 
dat eene toekomstige wet zich over deze vraag duide^rCreS: 

Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan 
o deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of d us hare' 
producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken Z 
beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heelt hTer 



i2 J) Men zie hierover o.,: D . A . 1908 pp. 43 sqq . ; 1909 pp. „ 8 sqq . m 



231 



over deze vraag in beschouwingen te treden 1 ). Iedereen zal het er 
wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn is te stellen 
met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor is zij te weinig 
persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van het werk wordt 
niet door den photograaf, maar door het toestel gedaan. Aan den 
anderen kant kan niet worden ontkend, dat met behulp der pho- 
tographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat het aesthetisch 
effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven onder te doen 
voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij het photo- 
grapheeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen, die 
geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat 
iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al 
„bij ongeluk", eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn 
echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, 
dat de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photo- 
prahie het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. 
met het volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. 
En waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen 
heeft, dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, 
daar bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beel- 
denden kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen. 

In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photogra- 
phieën worden in de wet op het auteursrecht met name onder de 
beschermde producten genoemd; zij worden echter met de kunst- 
werken in engeren zin niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen 
dan voornamelijk hieruit blijkt, dat het auteursrecht op photogra- 
phieën veel korter duurt dan dat op andere werken. Zoo hebben 
Duitschland, Oostenrijk en Japan voor dit recht een termijn van tien 
jaar; Denemarken, Noorwegen, Zweden en Zwitserland een van slechts 
vijf jaar na de vervaardiging of het eerste verschijnen. 

De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. 
Zij heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken 



1) Men zie hierover o.a.: Is Fotografie kunst? door H. de Boer, Scheveningen 
z. j.; De Photographie in dienst der wetenschap en hare beteekenis als kunst, 
rede van VV. H. Idzeeda bij het aanvaarden van het ambt van privaat-docent 
voor het onderwijs in de photographie aan de Technische Hoogeschool, 29 Jan. 
1908; Swakt t. a. p. pp. 84 sqq. 



232 



niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls 
wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker 
een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst 
nog niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden 
gerekend. Een afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge 
waar zijn, dat men bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene 
origineele aesthetische schepping, waarvan zij de belichaming zouden 
zijn; men kan zelfs toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de 
meeste woningen vrijwel uitsluitend met de practische eischen, waaraan 
het huis moet voldoen, rekening wordt gehouden en de schoonheid 
van het geheel slechts in de laatste plaats in aanmerking komt; dit 
is nog geen reden om nu ook aan de, zeer zeker ook bestaande, 
werken der bouwkunst, welke wél de verwerkelijking eener aesthe- 
tische schepping zijn, de bescherming van het auteursrecht te onthouden. 

Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst 
het argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noo- 
dig was, daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, 
voorzoover deze mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in 
het auteursrecht op de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is 
niet juist. Het auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die be- 
hooren tot de „technische en wetenschappelijke kaarten en platen" 
waarover hierboven in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op 
de reproductie dier teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de 
inhoud (d. i. dus hier : de schepping van den bouwmeester) is object 
van het auteursrecht x ). De bouwkundige teekening is niet de ver- 
werkelijking van het bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, 
die tot de verwerkelijking in staat stellen. Het onderscheid tusschen 
auteursrecht op bouwkundige teekeningen en dat op de bouwkundige 
werken zelf bestaat dus hierin, dat het laatste de uitsluitende be- 
voegdheid geeft tot reproductie of verwerkelijking in alle vormen; 
niet alleen het uitsluitend reproductie-recht van de teekeningen, 
maar ook het recht, het gebouw naar de teekeningen uit te voeren, 
en tevens het eenmaal uitgevoerde gebouw weer op andere wijze, 
b. v. door photographie, te reproduceeren. 

Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al 
kan worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen 



1) Cf. boven p. 201. 



233 

werden gemaakt, minder beginnen te worden. Bouwkundige werken 
1 den met name onder de auteursproducten genoemd in de wetten 
r"hland (art 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch ^"^11 
S met een artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 
Maart 1902 ') en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen de 
^werken/ voorzoover zij als "5 

™ Onanie en Italië is het twijfelachtig 3 ). 

"wTten stotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin wordende werken 
der bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherrmng uitgestoten. 



HOOFDSTUK IV 
OMVANG EN DUUR 



§ 1 Omvang 

Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als 
een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichaL^ goed n" 
de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar^ Difs luit - 
zooals daarin} reeds werd opgemerkt - het beginsel in dat Ln 
auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het w rk na r de 

ITlZTr e T iDg daarVan d - W ' Z - - het 1- 

tot exploitatie m het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het 

recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van expToitai 
waartoe het geestesproduct zich leent. ^pionaue 
In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunst- 
Zr 2 Ve ; SChUlende geschieden. In de eerste plaats 

dooi het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen 

ITlTf geeSte r dUCt " b6liChaamd; hiert0e beh — "eTr 
den diuk of op andere wijze verkregen exemplaren van geschriften 

muziekwerken, werken van beeldende kunst, photogrfph eTn en 

ro en 0 f schijven van phonografen en andere mechanische muziek- 
mstrumenten en voorts het gebouw, in den materieelen zin van het 

ruTkun a ii erwezeniijking van de ~ e - *■ 

In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen 

TmZ T.° eti T n enZ ' dUS Diet d °° r voorwerpen van min' 

of meei bhjvenden aard, maar door handelingen of mechanische 



235 



werkingen, het geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk 
wordt gemaakt voor het pubhek. Hiertoe behooren: op- en uitvoe- 
ringen van tooneel- en muziekstukken en van balletten en panto- 
mimes, voordrachten van proza of poëzie ; vertooningen van licht- 
beelden en voorstellingen van kinematograaf en phonograaf. 

Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel noödig 
afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het auteurs- 
recht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen vast- 
stellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds inliet 
vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende 
werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit 
uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zyn object. 
Dat b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalings- 
recht of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, 
dat hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overge- 
nomen, evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, 
voorwerp van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, 
ook in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem 
genoemd met opvoeringsrecht, die dan als „bijzondere" of „afgeleide" 
rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht (kopie- 
recht).' Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de ver- 
houding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht 
iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer 
in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets 
anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te 
oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen, 
zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden, enz. 
enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een 
uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende 
bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels 
door den omvang van het goed, deels door de economische bestem- 
ming daarvan. Om die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen 
te beantwoorden: 1°. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is 
het voorwerp van zijn recht ? en 2°. waarin bestaat zijn recht, welke 
handelingen met betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voor- 
behouden ? 

De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld; daar 
moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden be- 



236 



sproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als 
uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke mid- 
delen de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten 
daar dit betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk 
aan de orde is gesteld. 

De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eener- 
zijds en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu 
duidelijk zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den 
inhoud van het auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog, 
dat wat hieronder van de verschillende exploitatiewijzen zal worden 
gezegd, niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van een werk 
in zijne oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling 
of bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een 
muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit 
?J t T ° V6r h6t mUZikale be ^kingsrecht is gezegd, 

nb uk on w 6 ° Penbare UitV06ring Van eenpiano-uittreksel 
nbreuk op het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op 
andere wijze geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk 
dan zal ook het bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van 
exploitatie omvatten. Zoo is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van 
een roman een uitsluitend opvoeringsrecht kan doen gelden * daar de 
opvoering zonder zijne toestemming van eene tooneelbewerking van 
zijn roman een inbreuk op zijn auteursrecht uitmaakt 

I Het door den druk gemeen maken van 
geschriften en muziekwerken 

JrtnTfT* Y0I T 6SPl0itatie vaD ^schriften en muziek- 
hi nn\ ♦ » ■ middel Van d6n dmk; het uitsluite «d recht dat 
hierop betrekking heeft is ook het eerst van alle auteursrechtelijke 
bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te herinneren at^de 

hTontTaa^ *?** tanrt de *"» -leiding is gewee'st v 0 
net ontstaan van het auteursrecht. 

J^van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan 



1) Cf. Kohier, Urheberrecht p. 209. 



237 

worden geldt wél voor dit bijzondere recht: het is, na de lange 
iaren van ontwikkeling, die het achter zich heeft, in alle beschaafde 
staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen hebben eene mate van 
standvastigheid gekregen, die op het overige gebied van het auteurs- 
recht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de reden, waarom ik er 
slechts een oogenblik bij zal stilstaan; belangrijke vragen, waarover 
ernstig verschil van meening kan bestaan, zijn hier niet te behandelen. 

Het recht om uitsluitend door den druk gemeen te maken", zoo- 
als onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al die handelingen, 
welke aangemerkt kunnen worden als een daad van exploitatie van 
het geschrift of muziekwerk door middel van den druk. Wie een van 
deze handelingen pleegt zonder toestemming van den rechthebbende, 
maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij, die zonder 
toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook degeen, 
die deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel uitstalt 
of in voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van exemplaren 
behoort hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van huis- 
genooten of vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame. 
Eveneens zou men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen 
van exemplaren, wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, 
niet b.v. onder kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uit- 
drukkelijk het „Fe^e^ew"vrü(Urheberrechtsgesetz §11 eerste lid); dit 
slaat volgens Kohier alleen op eene „unentgeltliche Gebrauchsüber- 
lassung" x ); het verhuren zou dus ook in Duitschland verboden zijn. 

Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dan als eene 
■daad van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het 
-doel ze onder het publiek te brengen 2 ). Het is dus geen inbreuk op 
het auteursrecht een boek te drukken alleen ten gebruike voor zich 
•en zijne huisgenooten of als typographische oefening; wél echter 
indien de gedrukte exemplaren, al worden ze zelf niet onder het 
publiek verspreid, moeten dienen voor eene openbare op- of uitvoering. 

Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer 
«en door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht ver- 
vaardigd exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de 



1) Urheberrecht p. 177 noot 10. 

2) Men zie het juiste arrest van het Hof van Amaterdam van 29 Sept. 1891 
J?aleis van Justitie 1891 no. 93. 



238 



exploitatie voorhad, heeft bereikt, m. a. w. wanneer het een kooper 
heeft gevonden, door verdere verspreiding ervan geen inbreuk meer 
op het auteursrecht wordt gepleegd Vandaar b.v. dat voor den 
handel in tweedehands-boeken de toestemming van den auteur niet 
gevraagd behoeft te worden. Ook wordt b.v. geen inbreuk op het 
auteursrecht gepleegd door hem, die ongebonden exemplaren opkoopt 
en deze gebonden, ais ware het een nieuwe uitgave, in den handel 
brengt. Dit laatste werd ten aanzien van de werken van Kipling 
door het Hof van Appel van New York uitgemaakt 2 ). 

II Het maken van afschriften 

In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den druk 
Hieronder 1S niet alleen te verstaan de gewone boekdruk met losse 
lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs mechani- 
schen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden b v 
hthographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien 
van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opge- 
merkt; de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam • 
,met of zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschen- 
komende kunst", werd overbodig geacht. 

Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd 
Men achtte het onnoodig dit te verbieden: „slechts die ongeoorloofde' 
vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch afdrukken 
m hoedamgen vorm dan ook, verkregen wordt, is in staat, den auteur 
een vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame beteekenis om 
door de wet te worden gekeerd" *). Zoo oordeelde onze wetgever 
Men zou hiertegen in de eerste plaats kunnen opmerken, dat het 
meerdere of mindere vermogensnadeel, dat door de handeling wordt 
toegebracht, niet het eenige is wat hier in aanmerking moet worden 
genomen. Al is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom behoeft 
het nog niet alleen op die handelingen betrekking te hebben, waar- 
mede uitsluitend geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien 
is het niet waar, dat door het afschrijven zonder toestemming van 



1) Kohlee, Urhéberrecht pp. 181, 182. 

2) Hof van Appel New York 8 Jan. 1903, D. A. 1904 p. 62. 
3, Memorie van Toelichting W. A. R, t. a. p. P . 6. 



239 



den auteur, aan dezen geen noemenswaardige schade kan worden 
toegebracht. Het maken van afschriften behoort volstrekt niet tot de 
groote zeldzaamheden. Volgens Rosmini x ) is het voor tooneel- en 
muziekstukken zelfs de meest gebruikelijke reproductiewijze ; hierbij 
wordt dan meestal van elke rol of elke partij een afzonderlijk 
afschrift gemaakt ten dienste der tooneelspelers of orkestleden. Dit 
levert boven het laten drukken het voordeel op, dat de auteur nog 
in de gelegenheid blijft na de repetities wijzigingen in het werk aan 
te brengen. Over het zonder toestemming van den auteur maken en 
verspreiden van afschriften, laat Rosmini zich dan als volgt uit: 
„Mais si un tiers reproduit en manuscrit 1'oeuvre musicale ou des 
morceaux détachés, ou des réductions pour divers instruments, pour 
louer ou débiter ces copies, celles-ci non seulement présentent tous 
les caractères de la contrefacon, frappée par les expressions générales 
de la loi dans toute son étendue, mais elles constituent, de tous les 
procédés de reproduction le plus grave, le plus préjudiciable a 1'auteur." 
Om deze meening te staven, wijst Rosmini er op, dat het afschrijven 
(voornamelijk van muziek) goedkooper is dan de reproductie door 
litographie of een ander procédé van dien aard, terwijl het bovendien 
meer in stilte kan geschieden en dus moeilijker is te ontdekken. 
En verder: „ . . . le vendeur de copies exerce une concurrence plus 
étendue et plus fatale, paree qu'il s' adresse, avec ses longs catalogues, 
aux entrepeneurs, aux directeurs de spectacles, aux sociétés philhar- 
moniques, etc, en présentant sa marchandise sous une forme plus 
commode; de cette facon, il s' approprie, en 1'écartant de 1'auteur et 
de ses ayants cause, toute la clientèle des acheteurs." Ook in andere 
landen dan Italië (waarop de aangehaalde mededeelingen van Rosmini 
voornamelijk betrekking hebben) wordt door de onbevoegde exploitatie 
door middel van afschriften dikwijls belangrijke schade aan de auteurs 
toegebracht. In Frankrijk b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat 
van orkest-partituren zonder toestemming van den auteur afschriften 
werden gemaakt, die dan door schouwburg-ondernemingen aan 
elkander in huur werden afgestaan 2 ). Hetzelfde geschiedde ook 
dikwijls met tooneelstukken 3 ). In Zwitserland, waar het maken van 



1) Av. Rosmini, Lettre d'Italie, D. A. 1894 p. 74. 

2) Medegedeeld door: Daeras, D. A. 1890 p. 77. 

3) Men zie: Darras, D. A. 1891 p. 8; 1893 p. 48; 1895 pp. 129, 130. 



240 



afschriften door de wet is verboden, kwam het toch een aantal jaren 
geleden zóó veelvuldig voor — hier waren het vooral vereenigingen 
van koorzang die er zich aan schuldig maakten — dat door de 
auteurs daartegen eene waarschuwing moest worden gepubliceerd, 
waarin gedreigd werd met rechterlijke vervolging x ). 

Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo onschadelijk 
zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende en dat er 
alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging naast 
die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te behouden. 
De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de onze; 
sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder 
toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32, 
Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van 
reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat daar- 
onder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19 Juni 
1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid 
maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden ; 
verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje). 

III Vervaardiging en verspreiding 
van mechanische muziek-instrumenten en 
phonografen 

Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele 
jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging 
van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog 
betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de 
Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d.w.z. instrumenten, die 
door hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weer- 
geven van een of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. 
Het vervaardigen en verspreiden van deze instrumenten was daarom 
niet te noemen eene exploitatie van de werken der componisten; in 
elk geval was het niet eene exploitatie van groote beteekenis. De 
speeldoozen werden meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van 
het muzikale genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, 



1) D. A. 1897 p. 45. 



241 



deze deden misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet 
aan componisten of muziek-uitgevers. 

Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden 
van deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der com- 
ponisten zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt öf 
hierover in het geheel niet gesproken, öf men vindt er de bepaling, 
dat het gebruik van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten 
(Frankrijk wet van 16 Mei 1866 ; Zwitserland wet van 23 April 1883 
art. 11 ; Berner Conventie van 1886, Slotprotocol n°. 3). Het was 
vooral in Zwitserland, het land waar de meeste speeldoozen ver- 
vaardigd werden, dat voor de bestendiging van het vrij gebruik van 
muziekstukken ten bate van deze industrie werd geijverd. De boven- 
genoemde Fransche wet van 1866 was uitsluitend op aandrang van 
Zwitserland tot stand gekomen, omdat laatstgenoemd land slechts 
dan van een tractaat tot bescherming van het auteursrecht met 
Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid verkreeg, dat de 
Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen worden ingevoerd. 
Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie was te danken 
geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland. 

Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste 
jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstru- 
menten tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere ge- 
worden. Men vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene 
rollen, die bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het 
instrument, te vervangen door afneembare cylinders, die over een 
gladde rol geschoven konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk 
meerdere stukken door hetzelfde instrument ten gehoore te doen 
brengen. Van nog meer gewicht was de uitvinding, die het mogelijk 
maakte, in plaats van cylinders, metalen of kartonnen platen te 
gebruiken, die niet van uitstekende puntjes, maar van insnijdingen 
zijn voorzien, waardoor zij in vele exemplaren tegelijk vervaardigd 
kunnen worden. Ook aan de instrumenten zelf werden allerlei ver- 
beteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer ook aan eischen 
van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de eigenlijke 
muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig jaar in den 
handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions, orchestrions, pho- 
nola's, pianista's, pianola's enz. enz., heeft men ook nog gekregen de 
phonografen en grammophonen, die niet alleen instrumentale muziek, 

16 



242 

maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten van tooneelstukken 
enz. ten gehoore brengen. 

Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de 
rollen of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, 
eene exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestem- 
ming van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het 
auteursrecht verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men 
behoeft slechts een catalogus in te zien van een grammophoon- of 
pianola-fabriek b.v. om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen 
muziekstuk van eenige bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder 
overdrijving kan worden gezegd, dat in sommige landen de verkoop 
van deze rollen en platen reeds van meer belang is dan die van 
gedrukte muziek. In de Vereenigde Staten b.v. heeft zich eenige jaren 
geleden een syndicaat gevormd van de bij deze industrie betrokken 
fabrikanten, welke tezamen over een kapitaal van meer dan honderd 
millioen dollars hadden te beschikken 

Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke 
geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de toe- 
passing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt 
eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant compo- 
nisten en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel 
dat hun werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne 
muziekstukken wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de 
fabrikanten van muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat 
zij de concurrentie met andere landen niet zouden kunnen volhouden, 
indien zij het auteursrecht der componisten zouden hebben te eer- 
biedigen. Ter bescherming der nationale industrie wilden daarom 
enkele staten aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der 
componisten en muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid 
niet bestond, dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In 
Duitschland b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het 
auteursrecht van geschriften en muziekwerken eene bepaling opgeno- 
men, die slechts in beperkte mate het auteursrecht der componisten 
met betrekking tot de mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22) ; 
doch tegelijk met deze bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, 
waarin aan de Regeering werd verzocht in overleg te treden met de 



1) D. A. 1908 p. 107. 



243 

w 

andere mogendheden, die deel uitmaken van het internationaal Verbond, 
ten einde tot een volledige bescherming der auteurs op dit punt te 
komen. In Oostenrijk ging men nog verder: daar werd in 1895 eene 
nieuwe bepaling in de wet op het auteursrecht' opgenomen, die het 
gebruik' van muziekstukken voor mechanische instrumenten volkomen 
vrijlaat; in de uiteenzetting der motieven werd deze bepaling aan- 
geprezen als een middel om de Oostenrijksche industrie van muziek- 
instrumenten te steunen in de concurrentie met de buitenlandsche. 

Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege 
te moeten laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring 
is te. vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over 
het algemeen nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt 
verleend. Dat in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs 
ook in dit opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen 
te worden toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in ver- 
schillende landen, die in de meeste gevallen de bestaande wets- 
bepalingen zooveel mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt x ). Doch 
wat de eenige afdoende maatregel zou zijn om aan de bestaande 
misbruiken een einde te maken nl. eene stellige bepaling in de wet, 
die het recht der auteurs buiten twijfel stelt; daartoe heeft tot nu 
toe nog geen enkele staat willen overgaan. Nu echter op de Conferentie 
van Berlijn van 1908 eene bepaling in de internationale Conventie is 
opgenomen, die de bescherming der auteurs in dit opzicht, althans 
binnen zekere grenzen, verplichtend stelt, is het te verwachten, dat 
aan dezen toestand spoedig een einde zal komen. 

De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik 
van muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen 
of platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming 
van den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. 
Het vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men 
moeilijk noemen een „door den druk gemeen maken", al worden 
misschien bij de verveelvoudiging ervan procédé's gevolgd, die groote 
verwantschap met den druk vertoonen. 



1) Men zie het overzicht hiervan in D. A. 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook het 
arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908, medegedeeld door 
Prof. M. Amae in D. A. 1909 p. 27. 



244 

Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding 
der wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit 
gebruik hunner werken beschermd zijn. „Wat is het wezen van het 
regt dat men aan de auteurs toekent?" wordt in de M. v. T. onzer 
wet (p. 2) gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: „Het is de 
uitsluitende bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het 
publiek. Indien nu een werk zich tot verschillende soorten van 
reproductie leent, moet op alle, voor zoover zij inderdaad van be- 
teekenis zijn, worden acht geslagen. Al die soorten van reproductie 
geven toch eerst te zamen de materiele waarde aan van het werk." 
Men kan aannemen, dat voor de reproductie, waarover ik hier spreek, 
geene uitzondering zou zijn gemaakt, indien zij toen reeds — wat 
nu ongetwijfeld het geval is - had behoord tot diegene, welke 
„inderdaad van beteekenis zijn". Had men het in het voorloopig 
verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om in plaats van: „door 
den druk gemeen te maken" in de wet te lezen : „langs mechanischen 
weg te vermenigvuldigen en in den handel te brengen" of: „dooi- 
den druk of op andere wijze gemeen te maken", dan zou de bedoelde 
bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men achtte echter - met 
het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd - de oorspronkelijk 
gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan is, dat thans 
slechts door eene wetswijziging de toepassing van het juiste beginsel 
op dit punt zal kunnen worden verzekerd. 

IV Reproductie door den kinematograaf 

Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in 
toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken 
over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun 
ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken 
met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of 
de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten, 
pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus, 
indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk 
op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze 
vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen 
zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel 
de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde 



24-5 



bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de 
gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe 
meer algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare 
vertooningen (waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en 
uitvoeringsrecht nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en 
verspreiden van de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn 
gelegen. De ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven 
volstrekt niet de eenige koopers der kinematographische films te zijn. 
Met betrekkelijk weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes 
aanschaffen, die de kinematographische beelden op de vereischte 
wijze projecteeren; waardoor men dus in staat wordt gesteld alle 
mogelijke pantomimes, balletten enz. in den huiselijken kring te 
vertoonen. Deze toepassing van den kinematograaf is - het moet 
worden toegegeven - tot nu toe nog weinig algemeen, doch de 
voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat zij dit in de eerstkomende 
jaren meer en meer zal worden. Men bedenke, binnen hoe korten 
tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder huis heeft veroverd ! 

Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en 
pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele 
wët uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene 
Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen 
voor den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de 
Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen 
luidt: „Attendu que la bande cinématographique, ou film, sur laquelle 
sont reproduites a 1'aide d'une succession de photographies les diverses 
péripéties, soit d'une oeuvre dramatique, soit d'une féeerie, d'une 
pantomime ou d'un opéra, et qui est par elle-même, en dehors de 
1'adaption a un mécanisme quelconque, lisible et compréhensible 
pour tous, doit être considérée comme une édition tombant sous 
1'application de la loi des 19-24 juillet 1793; . . . etc." l ), 

In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegen- 
woordige wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. 
Bi kan hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de 
uitdrukking „door den druk gemeen maken" is gezegd in verband 
met de mechanische muziekinstrumenten. "Weliswaar werd bij de 
voorbereiding der wet ook de photographie genoemd onder de 



1) Tribunal Civil de la Seine lre ch. 7 Juli 1908, D. A. 1908 p. 118. 



246 

reproductie-middelen waarmede inbreuk op het auteursrecht zou 
kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede klaarblijkelijk 
alleen op het oog de photographische reproductie van plaat- en 
kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het behoeft 
niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie van 
tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen 
daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan 
brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben 
te volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige 
wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel, waartoe 
een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is, den 
auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden. 

V Op- en uitvoering 

De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziek- 
stukken behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. 
Evenmin zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, 
voor zoover zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt 
van het tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste 
gevallen het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt 
gesteld het werk volkomen te genieten. 

Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort 
dus het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te 
zijn voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het 
geval; slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die 
het uit- of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of 
het in tijdsduur bij het kopierecht achterstellen. 

Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht 
voor muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoerings- 
recht van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij 
de uitgave, tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan 
deze voorwaarde voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15). 

De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteurs- 
recht worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde 
voorstelling, alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders 
zou zijn dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen 
te maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de be- 



247 

wering b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en componisten, 
indien hun uit- en opvoeringsrecht erkend wordt, een dubbel recht 
zouden genieten, hetgeen dan eene onbillijkheid zou ztjn tegenover 
schrijvers van stukken, die niet voor opvoering vatbaar zijn % vindt 
in het voorgaande reeds voldoende weerlegging. Op dezen grond zou 
men ook kunnen beweren, dat de eigenaar van een paard, hetwelk 
én als rij- én als koetspaard gebruikt kan worden, een dubbel recht 
geniet, en dat hij op onbillijke wijze is bevoorrecht boven andere 
eigenaren, wier paarden alleen kunnen trekken! 

Men heeft ook beweerd - en dit betreft in het bijzonder het uit- 
en opvoeringsrecht van stukken die in druk zh'n uitgekomen - dat 
juist datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft 
is: ze te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat 
voor elke uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet 
worden gevraagd, daar deze verondersteld kan worden met het feit 
der uitgave gegeven te zyn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar 
over het hoofd, dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op 
de uitvoering in het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano 
mag deze zooveel hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; 
niemand zal hierin een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het 
is wat anders, wanneer men het stuk op een openbaar concert gaat 
voordragen. Dan wordt het eene exploitatie, waarvoor de auteur niet 
geacht kan worden bij de uitgave zijne toestemming te hebben gegeven. 

Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden, 
geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde 
kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohier 
gestelde, die eene op- of uitvoering openbaar noemt, „wenn sie über 
das Hausliche hinausgeht." Dit kan dus b.v. ook in een particulier 
huis het geval zijn, indien nl. zooveel gasten zijn gevraagd „dasz 
die Gesellschaft die hausliche Wesenheit einbüszt" 2 ). 

Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de 
toegang voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt 



1) Deze bewering, afkomstig van „vele leden", vindt men in het voorloopig 
verslag der Tweede Kamer over de W. A. E. t. a. p. p. 2. 

2) Urhéber recht p. 185. 



248 

vrijwel algemeen, in wetenschap en practijk aangenomen 1 ). Op een 
feest, dat toegankelijk is voor leden en genoodigden van eene sociëteit 
of andere vereeniging, zal dus de uitvoering eene openbare kunnen zijn 2 ). 

Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk : „elke 
uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, toe- 
gankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd 
wordt" (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen, 
dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van 
deze bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaar- 
lijksche contributie van de leden der vereeniging; tei-wijl dan het 
lidmaatschap recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling. 

Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers van 
beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin mag 
het doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking worden 
genomen. Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij gebruik van 
stukken zonder toestemming des auteurs toe te laten voor weldadig- 
heidsvoorstellingen, zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk is voor- 
gesteld. Terecht is hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen wil en 
dank gedwongen moet kunnen worden, aan een weldadig doel mede 
te werken. Men zou dan evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars 
van zalén gedwongen werden deze gratis voor zulke voorstellingen 
af te staan 3 ). Hetzelfde geldt voor voorstellingen of concerten, waar- 
van de toegang vrij is, en waarbij ook overigens elk winstbejag is 
uitgesloten. Het moge een loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen 
medeburgers een avond van genoegen of kunstgenot wil verschaffen 
en daarvoor eene gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem nog 
geen recht, om voor dit doel ongevraagd over andermans goed te 
beschikken. De bepaling van de Zwitsersche wet (art. 11 n°. 10) die 



1) Men zie b.v. : Schuster t. a. p. pp. 224, 225; Wauwermans, D. A. 1893 
p. 19; Rosmini, ü. A. 1893 pp. 60 sqq. 

2) In dezen zin o.a.: Eechtb. van Perpignan 30 Juni 1892, D. A. 1892 pp. 
138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter de muziek, die op gesloten 
bals wordt gemaakt, niet tot de openbare uitvoeringen. Cf. Darras, D. A. 
1903 p. 46. Men zie over de Belgische jurisprudentie: Wau-wermaxs, D. A. 
1901 p. 122. 

3) Men zie hierover: D. A. 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste overwegingen 
van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar vonnis van 19 Juni 
1889, D. A. 1890 p. 28. 



249 



het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en uitvoeringen, waarvan 
het doel niet is winst te behalen, verdient daarom afkeuring *). 

De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteurs- 
recht uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook 
gebrekkige opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden 2 ). Daarom 
zal men ook als op- of uitvoering hebben aan te merken vertooningen 
van den kinematograaf en „concerten", waar zich phonograaf, gram- 
mophoon, pianola en dergelijken laten hooren. Dat door middel van 
deze instrumenten inbreuk op het reproductie-recht kan worden ge- 
pleegd (nl. door de vervaardiging en verspreiding van kinematograaf- 
films en van rollen en platen, die bij de mechanische muziekinstru- 
menten en phonografen behooren) is hierboven reeds betoogd. Er 
bestaat zeker niet minder reden, om ook de op- en uitvoeringen 
door middel van deze instrumenten, voorzoover zij in het openbaar 
plaats hebben in den bovenaangegeven zin, als inbreuk op het op- 
of uitvoeringsrecht aan te merken. Wat de kinematographische voor- 
stelling betreft, heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, dat 
zij wel degelijk eene „voorstelling" is in den zin der wet, omdat 
de figuren, die de kinematograaf laat zien, volkomen den indruk 
maken van levende personen 3 ). M. i. zal men ook volgens onze wet 
hetzelfde mogen aannemen. Dat men bij het tot standkomen der wet 
aan kinematographische voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen 
grond zijn voor het tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene 
„opvoering", die in die jaren nog niet bekend was, doch die thans 
evengoed dezen naam verdient als die, waarbij tooneelspelers of 
dansers in levenden lijve optreden. 

Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door 
muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, 
voorzoover de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegen- 
deel inhouden (zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met 
eene openbare uitvoering gelijk gesteld *). In België werd ook als 



1) Over deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling van 
Prof. Alex Reichel in D. A. 1893 pp. 14 sqq. Cf. ook § 27 van de Duitsche 
wet v. 19 Juni 1901. 

2) Cf. Rosmini, D. A. 1893 p. 61. 

3) D. A. 1908 p. 110. 

4) Cf. D. A. 1908 pp. 108 sqq. 



250 



inbreuk op het uitvoeringsrecht aangemerkt het gebruik maken van 
theatrophonen, eene soort van telephoon-toestellen, die verbonden 
met schouwburgen of concertzalen, de muziek die aldaar gespeeld 
wordt op andere plaatsen doen hooren. De vrede-rechter te Brussel 
besliste (2 October 1899), dat het niet geoorloofd was eene grootere 
publiciteit aan het werk te geven dan door den auteur was voorzien 
en goedgekeurd. Al was dus van den auteur toestemming verkregen 
om zijne muziek in den schouwburg ten gehoore te brengen, dit 
gaf nog niet de bevoegdheid om die met behulp der genoemde instru- 
menten ook elders te doen weerklinken 

In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek 
in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten, 
waar men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om 
naar de muziek te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te 
beschouwen, waardoor inbreuk kan worden gemaakt op het auteurs- 
recht ; maar dat ook hiertoe te rekenen zijn de zoogenaamde „strijkjes" 
in koffiehuizen en hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, 
sportfeesten en dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, 
of de muzikanten dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders 
zijn van het uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder 
toestemming van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie 
het laatste aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en 
de verhuurder der concertzaal worden dus als de eigenlijke onder- 
nemers der verboden uitvoering aangemerkt 2 ). Dit schijnt mij ook 
juist, al kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van 
dezen regel in sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor 
hotel- of koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te 
zorgen, dat geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen 
en het is daarom wel te verklaren, dat van de zijde van deze per- 
sonen, die zich vroeger nooit om eenig auteursrecht hadden te 
bekommeren, hier en daar protesten zijn gehoord. Ik meen echter 
dat conflicten, zooals die zich b.v. in Duitschland hebben voorgedaan 3 ), 



1) D. A. 1901 p. 32. 

2) In dezen zin o.a. : Eeichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, D. A. 1908 p. 156; 
Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, D. A. 1894 p. 55; Hof van Lyon 
14 Nov. 1901 (automatisch muziek-inatrument in een koffiehuis), D. A. 1901 p. 16. 

3) Men zie hierover: D. A. 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156. 



251 



in de meeste gevallen wel zullen kunnen worden vermeden door 
een bezadigd en tactvol optreden van de vereenigingen van compo- 
nisten, die zich met het innen der tantièmes voor hunne leden 
belasten. 

VI Voordracht 

Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken 
bijna overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken 
in het openbaar voor te dragen, nog slechts door enkele" wetten aan 
de auteurs verleend De reden zal men waarschijnlijk grootendeels 
hierin moeten zoeken, dat men het gebruik, dat op deze wijze van 
de letterkundigen-producten wordt gemaakt, van te weinig belang 
achtte voor de auteurs, om het te verbieden. 

Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te 
erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig 
voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van 
muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben 
van eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren — 
in het bijzonder hier te lande - kan worden waargenomen, behooren 
openbare voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. 
De kunst van declameeren en verzen- „zeggen" is - naar het mij 
voorkomt — tegenwoordig weer meer in eere dan eenigen tijd geleden 
het geval was. (Ik denk hier b.v. aan de voordracht-avonden van 
Willem Royaards, Albert Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden 
wel - hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk — door één persoon voor- 
gedragen. Het is m. i. eene groote onbillijkheid dat een declamator, 
die dikwijls even volle zalen trekt, elk tooneelstuk zonder toestem- 
ming des schrijvers mag gebruiken, terwijl een tooneelgezelschap 
verplicht is het opvoeringsrecht te eerbiedigen. 

Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht 
van voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen 
de openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der open- 
baarheid kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering. 



1) Een uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement van 
3 Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in druk is verschenen 
(Urhébeii-echtsgesetz § 11); terwijl het in Noorwegen (art. 1), Denemarken (art. 1) 
en Zweden (art. 3) bij de uitgave in druk kan worden voorbehouden. 



252 



VII Reproductie van werken van beeldende kunst 

Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het 
voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een 
werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe 
„verwerkelijkingen". In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daar- 
onder te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen 
kunstvorm, mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke 
aan het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden 
teruggevonden. 

Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij 
alleen dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. 
Hiervoor gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de 
vervaardiging en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften 
en muziekwerken zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken 
behoeft te worden. 

In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden 
kunstenaar omschreven als „het recht om ... te copieeren, na te 
bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te 
laten doen" (art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging ; 
ook die, waarbij geene verspeiding of „gemeen making" het doel is. 
Het Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene 
kopie voor eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of 
zijdelingsch winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze 
bepaling wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener 
reproductie op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt 
gepleegd, weer voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische 
verveelvoudiging kan de bedoeling om te verspreiden steeds geprae- 
sumeerd worden *). 

Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook 
moeten rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke 
bepaling hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 
9 Jan. 1907 art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu 
dit o.a. het „afbeelden langs mechanischen weg" zonder toestemming 
van den auteur verbiedt. 

Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te be- 



1) Cf. Swabt t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde schrijver.?. 




253 

schouwen het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor 
geen ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige 
gevallen zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie 
kunnen zien; het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een 
uitsluitend recht te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden 
ingegrepen in het recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin 
hel kunstwerk is belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan 
dus als regel worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met 
toestemming van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder 
„exemplaar" ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, 
de verdere verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is. 

Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat 
de waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de mate- 
rieele verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan, 
nooit eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur, 
om daarvan zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat specu- 
lanten in schilderijen soms groote winsten kunnen maken als gevolg 
van prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen zijn te 
danken aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor zijn naam 
meer in aanzien is gekomen; een recht van den schilder op een 
deel van die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel van 
het auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de on- 
lichamelijke kunstschepping tot object heeft x ). 

Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, 
geldt m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijver- 
heid en werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht 
volkomen met de werken van beeldende kunst gehjk te stellen. De 
voortbrengselen der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel 
op eenigszins andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking 
tot het uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil 
uit. Ten aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde 



1) In kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht soms 
meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.: Het Land van 
Mauve (Bulletin van den Larenschen Kunsthandel) no. 6, 5 Nov. 1906. Men 
zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr. Lotus Israëls hierover in het- 
zelfde blaadje no. 8, 5 Jan. 1907. 



2öi 



regels als ten aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de- 
werken der bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, 
welke den auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de be- 
spreking dezer werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden 
toegevoegd, dat het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, 
ook indien het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de 
schepping van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt.. 

§ 2 Duur 

Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tydsduur 
beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. 
Een eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste rege- 
lingen in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur 
van Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der 
Bataafsche Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in 
vier landen, te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. 
Overal elders is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.. 

Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aan- 
gevoerd om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. 
Een recht — zoo wordt soms geredeneerd — dat de wetgever op 
een gegeven oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene schade- 
loosstelling in de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam van 
„recht" niet te dragen 1 ). 

Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht, 
volkomen met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijk- 
stellen. Eigendom is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet 
teniet zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan - r 
een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou 
verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den 
eigendom missen. 

Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is, 
maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten op 
lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die eigen- 



1) Zoo b.v.: J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Bemer Conventie pp. 
10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) aangehaalde van Mr. Feeseman 
Viëtoe. 




255 

aardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde 
rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard 
van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de 
tijdelijkheid van het recht. De aard der 'onlichamelijke goederen (ge- 
schriften en kunstwerken) brengt mede, dat zfl na verloop van een 
aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ont- 
staan bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag öf en zoo ja hoe 
zij geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, 
en dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk 
is. Men kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat 
ê de auteur of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen 
hebben. 

Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is ver- 
geten, zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is ; öf het 
blijkt een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is het, 
zooals Kohier het uitdrukt, zóózeer „zum Eigengut des ganzen Volkes, 
ja zum Kulturgut der ganzen Menschheit" J ) geworden, dat men het 
aan deze bestemming niet mag onttrekken door de beschikking 
erover aan één persoon te laten. 

Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na 
hun ontstaan totaal vergeten zh'n, nog voorwerp van een privaat- 
recht te doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen ; 
een recht waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitge- 
oefend heeft trouwens geen reden van bestaan. 

Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de 
tijd geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voort- 
durend auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wen- 
schelijk, maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. 
Shakespaere, Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut 
worden. Men behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te den- 
ken, dat b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, 
zoodat dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering 
zou mogen worden ondernomen zonder toestemming van den recht- 
hebbende. Wat men van — op zichzelf misschien even waardevolle — 
werken van tijdgenooten niet kan zeggen, geldt voor deze werken: 
geen beschaafd mensch kan er meer buiten. Een erop gevestigd 



1) Urheberrecht p. 232. 



256 



auteursrecht zou - wat het anders niet heeft - hier het karakter 
krijgen van een monopolie van de ergste soort. 

Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat 
het recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van 
anderen; dat het — wat bij een ander recht niet dan met toeken- 
ning van schadeloosstelling geschiedt — na verloop van zekeren tijd 
eenvoudig „in het algemeen belang" wordt opgeheven. De tijdelijkheid 
van het recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen van «alge- 
meen belang", doch zij is niet het resultaat van een compromis 
tusschen een van nature eeuwigdurend recht aan den eenen kant 
en het algemeen belang, dat zich tegen de voortdurendheid van het 
recht verzet, aan den anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, 
dat „das öffentliche Interesse die Natur des Eechtsgutes und damit 
den Charakter des Rechts mitbestimmt" 1 ). 

Het is — eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteurs- 
recht aangenomen — terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat 
de duur door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan 
natuurlijk geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, 
ten aanzien waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer 
of wel sneller voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet 
langer duren dan een maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. 
dagblad-artikelen), andere die het veertig, vijftig jaar uithouden 
zonder tot de meesterwerken te behooren die de eeuwen trotseeren 
en verder bestaan er meesterwerken die terstond, andere die eerst 
na honderden jaren als zoodanig erkend worden. 

Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen 
volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan 
weer te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat 
niet al te willekeurig gekozen schijnt. 

Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan 
vindt men — behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat 
in de vier hierboven reeds genoemde staten geldt — dat er 
twee hoofdsystemen hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens 
het eerste systeem duurt het auteursrecht een aantal jaren na 
den dood des auteurs, volgens het tweede een aantal jaren na 



1) Kohlee, Antorrecht p. 51. 



257 



de eerste uitgave van het werk. Het eerste systeem wordt verreweg 
het meest gevolgd ; men vindt het in : België, Bolivia, Chili, Columbia, 
Costa-Rica, Denemarken, Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, 
Hongarije, Japan, Luxemburg, Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Por- 
tugal, Roemenië, Rusland, Salvador, Spanje, Tunis, Zweden en Zwit- 
serland. Daarentegen hebben slechts enkele landen het tweede systeem 
nl. : Griekenland, Brazilië, Turkije en ons land. Engeland, Italië en 
de Vereenigde Staten volgen een gemengd stelsel. 

De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds 
dikwijls — ook in ons land — uitvoerig besproken l ); ik meen daarom 
daarover kort te kunnen zijn. 

Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat van 
den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is, terwijl 
natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer de auteur 
zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat alle werken 
evenlang beschermd zijn, en niet — zooals volgens het andere stelsel — 
de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis zijn, langer dan 
degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs zyn ontstaan. 
Andere voordeelen zijn nog : De auteur met groote sterfte-kans heeft 
een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek krachtiger kunst- 
genoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft geen afzon- 
derlijke regeling te worden gemaakt ; evenmin voor werken waarvan 
een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat een 
werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur 
der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunst- 
greep, waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den 
duur van zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig per- 
soon als zijn mede-auteur te laten optreden. 

Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de 
keus tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten 
gunste van het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen — waarvan 
ik de beteekenis niet wil ontkennen — zijn echter ook enkele nadee- 
len te stellen, die het andere stelsel niet heeft. 

Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het 



1) Men zie b.v.: de Riddee t. a. p. p. 248; M. v. T. W. A. R. Handel. 
Tweede Kamer 1876-1877. Bijl. 202 § 4; FeeseMAN Viëtoe, Kantteekeningen 
enz. t. a. p. p. 44; Macaulay, Speeches t. a. p. pp. 273 sqq. 

17 



258 



tijdstip der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor 
elk werk — liefst volgens officieele gegevens — vaststa. Onze 
wet (art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs 
van ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem, 
die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven for- 
maliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke regeling 
geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel van tijdsduur- 
berekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van verplichte 
inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen en dergelijke. 
Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van het stelsel, daar 
— zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te toonen — voor 
deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan van het auteurs- 
recht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing daarvan zeer 
gewenscht is. 

Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteurs- 
recht op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht 
echter een bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is 
het voor ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, 
tot hoe lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan 
niet meer te maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave 
van elk werk maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur. 

Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag 
moet geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar 
alleen het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het 
oog op de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit, 
der verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is,, 
van het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toe- 
getreden landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht 
wordt berekend naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou 
het bij toetreding van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich 
op dit punt bij de groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat 
des te meer reden, nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belang- 
rijke beginselen bij zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op- 
het maken van eene zoo practisch en doeltreffend mogelijke regeling 
aankomt. 

In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht 
zal ik niet treden ; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt 
kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken 



259 

of van die werken, waarvan een rechtspersoon als auteur wordt 
aangemerkt, onbesproken Evenmin zal ik mij ophouden met de 
afzonderlijke termijnen, die in sommige wetten nog ten aanzien van 
enkele bevoegdheden als: vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht 
enz. worden gesteld. Hier kan slechts worden herhaald, wat bij de 
bespreking van elk dezer rechten is gezegd, dat nl. voor bijzondere be- 
perkingen, hetzij in tijdsduur, hetzij in ander opzicht, geen grond bestaat. 

Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den 
tijdsduur van het auteursrecht. Er valt hier en daar eén streven op 
te merken om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste 
jaren is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat 
de normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood 
des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze 
het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is 
hy opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet 
lang genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene ver- 
betering te beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende 
opvatting te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als 
termijn gekozen: tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), 
waarbij dan nog in het oog moet worden gehouden, dat bij het vast- 
stellen hiervan rekening is gehouden met hetgeen voorloopig bereik- 
baar scheen. In beginsel zou men wellicht nog verder willen gaan. 

Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den 
dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst 
verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene 
verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij 
m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het 
verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken 
der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het 
gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder 
tijd noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. 
Men kan er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen 
opgang maakt, binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika 
door ieder zal worden gelezen. Het leven van geschriften en kunst- 
werken wordt daardoor steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder 



1) Men kan hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog enkele 
opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij te pas komeD. 



260 



algemeen bekend maar ook weer veel eerder vergeten dan vroege 
Waar nu in verband hiermede de exploitatie steeds intensieve 
wordt en tegelijkertijd binnen veel korter tijd moet geschieden, 
laar is het m. L rederijk en bülijk, dat het uitsluitend recht van 
exploitatie, dus het auteursrecht, hiermede gelijken tred houde. Men 
Teve ernaar den auteur een zoo volledig mogelijke beschermmg 
te verleenen tegen alle exploitanten, eene bescherming, die hij ook 
in de meest afgelegen landen moge genieten; in dit opzicht is elke 
versterking der bescherming als eene verbetering te beschouwen. 
Doch wat het auteursrecht zoo in omvang en uitgebreidheid wint 
kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een vol auteursrecht, dat 
bv zou duren twintig jaar na den dood des auteurs, maar dan ook 
in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden, schijnt mij redelijker en 
beter dan een recht, dat tot tachtig of honderd jaar na den dood des 
auteurs duurt, doch dat slechts in een enkelen staat erkenning vindt. 



HOOFDSTUK V 



VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN 

Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteurs- 
recht, zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is, 
op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een 
auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt 
vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht. 

Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen 
de nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij 
het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van 
het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van 
bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in meerdere 
landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen is 
gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde 
stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig 
als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen 
aard door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan 
den anderen kant werd door degenen, die de formaliteiten in be- 
scherming namen, dit meestal gedaan met een beroep op het. feit, 
dat geen rechtsregels den wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen 
vry was het auteursrecht, dat louter op gronden van utiliteit den 
auteurs werd ingeruimd, afhankelijk te stellen van de voorwaarden, 
die hij daarvoor dienstig achtte. 

Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid 
bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht 
wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het 't meest deugdelijke en 



262 



meest eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die 
formaliteiten als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie 
staat het tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk 
maken. Dat dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet 
aanwezig zijn, hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen. 

Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden (formali- 
teiten) en materieele voorwaarden 1 ). 

Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren 
aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende 
tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het 
werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen 
alles kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht 
vereischt wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan 
een werk moet voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen 
zijn. Zoo ruim moet de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. 
Alleen de uiterlijke voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde 
handelingen, die de auteur in sommige gevallen moet verrichten om 
zijn recht niet te verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het 
vertalings- en op- en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk 
verschijnen van een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard. 

Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna 
alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd 
of hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum 
beperkt. In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, 
in België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele gevallen 
beperkt 2 ). Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in Italië, geven 
zij voortdurend aanleiding tot klachten van belanghebbenden; ook is 
het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land door statistische 
gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote meerderheid van de 
aldaar verschijnende werken de voorgeschreven formaliteiten verzuimd 
worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de in druk verschenen 
werken gemiddeld slechts 5V 2 % behoorlijk ingezonden, met het gevolg, 



1) Cf. BÖTHXISBERGER t. a. p. p. 107. 

2) Cf. ook art. 2 van de loi-type der Association : „De uitoefening van het 
auteursrecht is aan de vervulling van geenerlei voorwaarden of formaliteiten 
gebonden." 



dat dus alle overige Qé l / 2 % van de bescherming der wet verstoken 
bleven x ). Zooals te verwachten was, zijn in het door eene commissie 
uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van de tegenwoordige 
Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en ingewikkelde 
formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd: wel zijn 
daarin verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens enkele 
uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen invloed 
heeft op het voortbestaan van het auteursrecht. 

Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls 
een klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, 
soms zonder schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft 
als het geheele of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In 
de internationale verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het 
is voor een auteur bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, 
om in alle landen, waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, 
de voorgeschreven formaliteiten in acht te nemen ; eene internationale 
regeling van het auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, 
zal daarom in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden. 

Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de belang- 
hebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te stellen. 
Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of van eene 
omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de identiteit 
van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving in een openbaar 
register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid opent zich ervan 
te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet auteursrecht 
bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het tijdstip 
der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving in het 
register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden. 

Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in 
elk geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere 
sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij 
de bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. 
B. K., die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden 
worden aangetoond. 

Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze 
wet geen enkele formaliteit Yoor. Hieronder vallen ook mondelinge 



1) Cf. La question des formalüés en Italië, D. A. 1897 p. 65. 



264: 



voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, 
die zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vast- 
stellen der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, 
de meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever 
blijkbaar geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. 
Weliswaar zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 
9 en 11) wordt opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende be- 
palingen voor deze werken practische moeilijkheden meebrengen; 
onmogelijk was het echter niet. In elk geval geeft het feit, dat het 
auteursrecht op niet door den druk gemeen gemaakte werken onaf- 
hankelijk is van formaliteiten, weder een doorslaand bewijs, dat deze 
niet onmisbaar zijn. 

Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet 
(art. 10), dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand 
na de uitgave worden ingezonden aan het Departement van Justitie : 

a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke 
daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of 
drukker onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der 
uitgave, 

b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk 
op zijne in het Eijk gevestigde drukkerij is gedrukt. 

"Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het 
reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld 
het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden 
exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand enz. 
onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt. 

Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren 
geen enkele grond aan te voeren ; om de identiteit van een werk 
vast te stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede 
wordt dan ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het 
auteursrecht in geenerlei verband staat, nl. completeering van de 
Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage. 

Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land 
uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd 
worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze 
verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van 
een exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel 
te vinden, dat beter met het doel van den maatregel in overeen- 



stemming is dan het doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo 
bestaat b. v. in Engeland de bepaling, dat van elk daar uitkomend 
geschrift een exemplaar aan het Britsch Museum moet worden aange- 
boden op boete van ten hoogste vijf pond, vermeerderd met de waarde 
van het niet-ingezonden exemplaar (Wet van 1 Juli 1842). 

Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de 
materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat 
het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die 
aan de werking der wet een territoriale grens stellen 'en die onder 
internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede 
hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet 
nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan : 
inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al 
is dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere forma- 
liteiten in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, 
indien de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring 
tijdig in te zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd 
gevaar, waaraan het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te 
hatelijker is, omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet 
worden door (of in ieder geval met medewerking van) den drukker, 
die in de meeste gevallen wel niet de rechthebbende op het auteurs- 
recht zal zijn. Ook al wenschte men het vereischte van in Nederland 
gedrukt te zijn te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, 
in geen enkel opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te 
verdedigen, de hier bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van 
het auteursrecht te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, 
wanneer zij achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe 
te laten, dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men 
het beoogde doel even goed kunnen bereiken. 

Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit, 
dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving 
geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, ot 
voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht 
genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het 
stelsel, dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 
B. W. ten aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten 
op onroerende goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van open- 
baarheid. Ook daar is de inschrijving in de daartoe aangewezen 



266 



openbare registers eene onmisbare voorwaarde voor de geldige ves- 
tiging van het recht. Doch of het recht werkelijk bestaat en wie 
rechthebbende is, kan niet met zekerheid uit de registers worden 
opgemaakt. Wat de laatstgenoemde vraag betreft heeft men uit de 
registers van het auteursrecht nog minder kans juist te worden 
ingelicht, omdat overdracht van het recht, op welke wijze die ook 
plaats heeft, niet in de registers wordt aangeteekend. Doch ook ten 
opzichte van het al of niet bestaan van het auteursrecht kan niet 
met zekerheid op hetgeen in de registers staat ingeschreven worden 
afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk, dat een geschrift is inge- 
zonden en dientengevolge ingeschreven, hoewel het geen aanspraak 
kan maken op wettelijke bescherming omdat het een nadruk is van 
een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van het departement 
van Justitie, die met de inschrijving is belast, heeft zich, evenmin 
als de bewaarder der hypotheken, in te laten met de vraag, welke 
rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien. 

Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtver- 
krijgenden bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet 
voorgeschreven formaliteiten slechts last en geen nut hebben. Alleen 
derden zijn door deze bepalingen gebaat, doch slechts betrekkelijk; 
evenals van het stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de inschrijving 
der hypotheken kan ervan gezegd worden: „de openbaarheid geeft 
aan iedereen het middel, althans den leiddraad om zich op vrij 
voldoende wijze van den stand van zaken op de hoogte te stellen" x ). 
Een vrij pover resultaat, als men bedenkt ten koste waarvan het 
verkregen wordt 2 ). 

De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig 
bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten als 
de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere 
onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken 
heerscht dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, 



1) Mr. C Assek, Handleiding tot de beoefening v. h. Nederl. Burgerl. Becht II 
(3e druk) p. 347. 

2) Dat de formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als een 
drukkende last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de heer 
W. P. VAN Stockum Jr. daaromtrent mededeelt in: Kort overzicht der organi- 
satie van den Nederlandschen Boekhandel, uitg. door de Ver. ter bevordering 
der belangen des Boekhandels, Amst. 1908 pp. 10 sqq. 



267 



dat op elk werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, 
waarvan de beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien 
hebben, de meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren 
een bepaald aantal jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip 
waarop de bescherming ophoudt in de meeste gevallen voor ieder 
gemakkelijk na te gaan. Ook heeft men te bedenken, dat het niet 
voor het geheele publiek, maar slechts voor eene bepaalde klasse 
van personen (uitgevers, schouwburg- en orkest-directeuren enz.) 
van belang is, over auteursrecht-zaken te zijn ingelicht. Men kan dus 
verwachten dat deze personen maatregelen nemen om zich geregeld op 
de hoogte te houden van hetgeen met hun vak zoo nauw samenhangt. 
In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door de, in bijna alle 
landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en niet minder door 
de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars, die zich ten doel 
stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken en te administreeren. 

Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam 
kunnen zijn zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander 
mee te deelen ; in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij — 
mits met kennis van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden 
omvattend — in staat zijn meer volledige en betrouwbare inlich- 
tingen te verschaffen dan hier de officieele openbare registers kunnen 
doen. Van alle werken harer leden moet in de boeken eener dergehjke 
vereeniging nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, 
waarop het auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, 
en zoo ja aan wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of 
toestemmingen zijn verleend om er vertalingen of arrangementen 
van uit te geven, op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. 
Iemand, die dus op eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk 
wil exploiteeren, vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij 
noodig heeft te weten en kan aldaar tevens de noodige contracten 
afsluiten. 

Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in 
art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. 
Art. 11 bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van 
Justitie een gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de 
dagteekening van dit bewijs geldt bij de berekening van den duur 
van het auteursrecht als punt van aanvang voor de verschillende 
termijnen (artt. 13, 15 2° en 16 2°). 



268 



Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele 
gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum 
te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal 
staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de 
dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of - 
hoewel dit wel zelden zal voorkomen - opzettelijk er een verkeerd 
jaartal op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip 
waarop het auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen 
voortvloeien, wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van 
het werkelijke tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het 
Departement van Justitie het bewijs van ontvangst der inzending 
afgeeft, begint het auteursrecht te loopen. 

Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet 
van zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending, 
dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. 
De voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de 
duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave; 
laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den 
dood des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve 
macht uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een 
aanvang neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs 
uit de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals 
wij gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den 
duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts in 
enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als aan- 
vangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en 
voor die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten 
auteursnaam verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens 
den duur van het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood 
des auteurs, bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën 
werken dertig jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter 
niet te loopen op den dag der uitgave, doch op den lsten Januari 
daaropvolgende. Deze bepaling heeft het voordeel, dat men den 
juisten datum der eerste uitgave nu niet behoeft te kennen; als 
men maar weet in welk jaar het boek is verschenen, is dit voldoende 
om nauwkeurig den dag te kunnen bepalen, waarop het auteursrecht 
een einde neemt. Dat op de meeste boeken alleen het jaar der 
verschijning staat aangegeven, is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. 



269 



Ik meen dan ook, dat de Duitsche wet op dit punt alleszins navolging 
verdient, ook zelfs in het geval men er hier niet toe zou willen 
overgaan het systeem voor de berekening van den duur van het 
auteursrecht te wijzigen en dus de uitgave van het werk als aan- 
vangspunt van het recht niet als uitzondering maar als regel in onze 
wet bleef bestaan. 

Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als 
auteur willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich 
als rechthebbenden moeten doen kennen „op den voet in de artikelen 
10 en 11 bepaald". Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf 
van naam en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier 
wederom twee exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van 
het tijdstip der uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens *) 
neemt het laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen 
ontheffing van den gewonen termijn van inzending verleent, en ik 
geloof ook wel, dat dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal 
moeten geven, al laat m. i. de uitdrukking „op den voet van" eenige 
ruimte tot twijfel. Hoe dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen 
met Mr. Veegens eens, dat deze vereischten hier „doelloos" zijn 
te achten. 

De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de 
overige formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is 
gebonden, blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. 
Ook zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen teniet- 
gaan van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan 
den toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur 
zelf, de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een 
enkel geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van 
het recht van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig 
jaar na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending 
niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van het 
anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval 
behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een 
ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13). 

Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel 



1) T. a. p. p. 123. 



270 



zeer zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven 
inzending om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, 
dan toch niet volkomen doelloos is. Want -voor derden is het slechts 
daarom van belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, 
omdat de mogelijkheid bestaat, dat dit den duur van het recht 
beïnvloedt. Dit zal, zooals gezegd, onder het stelsel onzer wet eene 
uitzondering blijven, doch als regel gelden daar waar de duur van 
het auteursrecht steeds naar den leeftijd, dien de auteur bereikt, 
wordt afgemeten. Opheffing van de anoniemiteit of pseudoniemiteit 
heeft daar steeds wijziging in den duur van het auteursrecht tengevolge 
en daarom is het gewenscht, dat zij in zoodanigen vorm moet 
geschieden, dat ieder er kennis van kan nemen. Ook op dit punt 
bevat de Duitsche wet van 19 Juni 1901 bepalingen, die m. i. zeer 
doeltreffend zijn te noemen. Het auteursrecht op anonieme en pseudo- 
nieme werken duurt daar slechts dertig jaren na de eerste uitgave, 
tenzij de ware naam van den auteur vóór dien tijd bekend is 
gemaakt, in welk geval de gewone beschermingstermijn geldt, nL 
dertig jaren na den dood van den auteur. Deze bekendmaking van 
den naam des auteurs kan op twee wijzen geschieden, om het 
genoemde gevolg te hebben: 1°. door eene latere uitgave of openbare 
op- of uitvoering van het werk onder den waren naam des auteurs; 
en 2°. door eene verklaring, in te zenden door den auteur aan den 
Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer verklaringen in 
een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56-58). 

Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de 
belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der ver- 
klaring is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen 
andere wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit 
kennis had kunnen krijgen. 

Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze 
wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan 
van het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-, 
opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte 
werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen. 

Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft : neemt 
men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan, dat deze 
rechten, integreerende bestanddeelen van het auteursrecht uitmaken, 



271 



die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht, dan zal 
men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste recht, den 
auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door hem voor- 
behouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft de wetgever 
eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze bevoegdheden in 
normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat zij slechts als 
uitzondering door eene bijzondere handeling van den auteur kunnen 
ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting bestaat, zooals 
ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte van het uit- 
sluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen grondige 
reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn werk 
in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft, tenzij hij 
uitdrukkelijk het tegendeel verklaart. 

Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat 
'het publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al 
of niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen, 
dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten, 
worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door 
de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn 
werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij 
zonder toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang 
kan gaan. 

Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de 
auteurs zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne 
werken wenschen te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen 
hunner toestemming gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland 
in de tweede helft der vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoerings- 
recht zonder voorbehoud tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere 
Wall te Londen had zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal 
muziekstukken weten te verschaffen en maakte daarvan gebruik om 
allerlei personen, die — meestal te goeder trouw - deze werken in 
het openbaar uitvoerden, voor schadevergoeding aan te spreken. Het 
ergste was, dat hij weigerde inlichtingen te verschaffen over het al 
of niet bestaan van een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en 
muziekstukken, tenzij men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas 
(± f268) betaalde. Om aan deze wijze van .exploitatie", waarbij 
natuurlijk ook de belangen der componisten werden geschaad, een 
einde te maken, werd in de wet van 10 Augustus 1882, gewoonlijk 



272 



genoemd de Wall Act, bepaald, dat de auteur slechts dan zich tegen 
de uitvoering zijner muziekwerken kan verzetten, wanneer hij op 
elk exemplaar een voorbehoud van zijn recht heeft laten drukken 1 ). 

In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische maat- 
regel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de noodzake- 
lijkheid of wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel is er niet mee 
bewezen. Immers de auteurs hebben het altijd in de hand misbruiken 
als deze te voorkomen, daar zij bij het overdragen hunner rechten aan 
anderen hieromtrent in het contract de noodige voorwaarden kunnen 
bedingen. En daar het vooral hun eigen belang is, dat hierbij op het 
spel staat, is van hen te verwachten dat zij dit in de meeste gevallen 
ook werkelijk zullen doen, vooral indien zij tijdig op de gevaren 
worden gewezen waaraan zij zich blootstellen, door hunne rechten 
zonder voorwaarden aan den eersten den besten over te doen. 
Hier zijn het weer de vereenigingen van auteurs, die, zooals in het 
buitenland is gebleken, uitstekende diensten kunnen bewijzen. Een 
tooneel- of muziek vereeniging behoeft nu niet voor elk nieuw stuk, 
dat zij op haar répertoire wenscht te plaatsen, daarover met den 
auteur in onderhandeling te treden; zij heeft zich slechts te wenden 
tot het bureau der auteurs-vereeniging, dat namens den auteur toe- 
stemming tot op- of uitvoering verleent en zich ook met het innen 
der tantièmes belast. De Belgische Regeering heeft getoond, het nut 
van de auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en zij heeft er 
ook op doelmatige wijze party van weten te trekken. De „Société 
des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique" heeft zich verbonden, 
aan de Belgische Regeering eene volledige lijst te geven van al hare 
leden, voor wie zij in auteursrecht-zaken bevoegd is in rechten op 
te treden, terwijl de Belgische Regeering van haar kant op zich 
heeft genomen, deze lijst in de Moniteur Beige te publiceeren 2 ). 
"Waar het belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt 
over nog beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen, 
daar is het vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil 
de auteur de exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten, 
dan kan ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat 



1) Men zie hierover : D. A. 1908 p. 30. 

2) D. A. 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel hebben 
geleid: Wauwermans, D. A. 1898 p. 129. 



273 



de auteur gedwongen is, dadelijk bij de verschijning van zijn werk 
eene beslissing te nemen, waarop nooit meer kan worden teruggekomen. 

Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoe- 
rings- en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van 
het overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan 
het nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen 
mee, dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander over- 
nemen. Hierin is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen 
kan worden aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden ge- 
schiedt. Eene strenge toepassing van de algemeene regels van het 
auteursrecht zou dus hier misplaatst zijn. Wat anders eene uitzon- 
dering is kan hier als regel worden aangenomen: de auteur wenscht 
het overnemen van zijn stuk door andere bladen vrij te laten, tenzij 
hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart 1 ). 

Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het Ontw. 
B. K. voorschrijft. 

Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk 
dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd, 
tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden 
door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan 
te wn'zen Departement van algemeen bestuur is ingezonden: 

a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte 
daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, 
volgens door K. B. vast te stellen model; 

b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures, 
photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met 
de beschrijving een exemplaar van het werk. 

De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending 
zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate. 

Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één 
exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er 
twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar bij 
werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere 
waarde vertegenwoordigt. 



1) Meerdere bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht zullen hieronder 
bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie nog ter sprake komen. 

18 



274 

Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal 
wet, waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, 
daar van schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen repro- 
ducties worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering 
of tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of ter 
bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden 
volstaan met het inzenden der .beschrijving". Of hiervan nu een 
druk gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. 
Zoolang geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht 
inbreuk zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet 
aan denken hun kunstwerk door het in den handel brengen van 
reproducties te exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich 
de moeite zullen getroosten om de voorgeschreven beschrijving op 
te maken en in te zenden. En laten zij eenmaal den termijn ver- 
strijken, dan is het te laat : het werk blijft voor altijd van bescherming 
verstoken. 

Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien 
zij wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet 
anders dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van 
het kunstwerk kunnen zijn. 



HOOFDSTUK VI 



EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND 
STAANDE RECHTEN 

Eeeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op het gebied 
van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan, die zich 
niet laten verklaren als een uitvloeisel van het recht op het geestes- 
product, maar die te rekenen zijn tot de persoonlijkheidsrechten, omdat 
zij tot bescherming strekken van een goed, dat niet van den persoon 
kan worden losgemaakt. 

Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen auteurs- 
recht en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Pransche schrij- 
vers spreken daarbij meestal van „le droit moral", dat dan gestéld 
wordt tegenover „le droit pécuniaire" *). Deze termen komen mij 
echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat het 
verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar zijn. 
Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen moreele of 
ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel is dit niet. 
Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou b.v. in 
sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen vertegen- 
woordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit 
geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke 



1) Men zie b.v.: A. Dareas, D. A. 1897 pp. 79 sqq.; G. HuARD, De divers 
droits qu'il ne faut pas confondre avec la proprie'té intellectuelle, D. A. 1899 
pp. 102 sqq.; JüLES ChARREYRON, De la propriètê littéraire et artistique p. 38. 



276 



belangen dient 1 ). Overigens hebben de bedoelde Fransche schrijvers 
met hunne „droits moraux" in hoofdzaak dezelfde rechten op het 
oog, die de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of Persönlich- 
keitsrechte noemen en die hier onder den naam van persoonlijkheids- 
rechten worden behandeld. 

Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de 
meeste wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, 
dat zij geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht 
verleent de wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteurs- 
recht, maar tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk 
allerminst een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor 
juridische constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te 
gaan. Ook worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende 
landen, hoewel de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den 
rechter op grond van algemeene rechtsbeginselen erkend. 

In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen 
in theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten 
in verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. 
Waar het positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men 
uit de eischen en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit 
als een gemis wordt gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres 
der Association over het „droit moral" rapporten uitgebracht; de 
volgende stellingen werden o. a. op het Congres van Heidelberg van 
1899 aangenomen: 

„De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne hoedanigheid 
van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden tegen ieder, 
die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen. 

„Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de 
bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen eer- 
biedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan wien 
het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt of ten- 
toonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet voorziet" *). 

In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der loi-type 
(artt, 10, 11, 12 en 14). 



1) Cf. hierover: Mr. H. L. Drucker, Bescherming van rechten dieniet op geld 
waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn 1889 pp. 1 sqq. 

2) Te vinden in: D. A. 1899 p. 127. 



Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en ver- 
gaderingen van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden 
geuit 1 ), bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor zoover zij nog 
niet in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen bestaan als 
de vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat de belang- 
hebbenden er evenzeer aanspraak op maken, als op de vermogens- 
rechtelijke bescherming. 

Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het 
auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten 
tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal meestal 
samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het auteursrecht. 
Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig bestaan toonen, 
b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de auteurs-scheppingen 
zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer het auteursrecht aan 
eene gedwongen vervreemding zou blootstaan (b.v. bij faillissement 
van den auteur). In het laatste geval is het 't persoonlijkheidsrecht 
van den auteur, dat het in beslagnemen van het auteursrecht tegen- 
houdt; dit laatste wordt, zooals Kohier het uitdrukt, krachtens het 
persoonlijkheidsrecht „verklammert" 2 ). 

Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die 
het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen te 
verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten of 
door een anderen vervangen, en het zoogenaamde recht op de integriteit 
van het werk, d. w. z. het recht te verlangen, dat het werk ongeschonden, 
zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, publiek wordt gemaakt. 
Zoolang het met het auteursrecht in ééne hand vereenigd blijft, 
kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; heeft de auteur het 
auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens zijn persoonlijk- 
heidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat dan de twee rechten 
tegenover elkander staan. 

Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met persoonlijk- 
heidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld het 
geval ten aanzien van portretten : het den auteur toekomend uit- 
sluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen 



1) Men zie het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven: Tableau 
des Voeux etc. (2me série 1896—1907) pp. 33, 36, 37. 

2) Urheberrecht p. 455. 



278 



met het recht van den geportretteerde, om zich tegen openbaarmaking 
zijner beeltenis onder bepaalde omstandigheden te verzetten. Iets 
dergelijks kan zich voordoen, indien in een roman of tooneelstuk 
hetzij door den naam, hetzij door de karakterteekening, bestaande 
personen worden aangeduid, in het bijzonder wanneer zij daardoor 
in een minder gunstig daglicht komen te staan. 

In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende hier- 
boven genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, voor- 
zoover het in verband met het auteursrecht van belang is te achten, 
meer in bijzonderheden worden nagegaan. 

I Recht op brieven 

Volgens Kohier heeft ieder mensch het recht te verlangen, „dasz 
das Internum (seines) Lebens geschont wird"; dat de intieme zijden 
der persoonlijkheid .nicht in einer der menschlichen Lebensführung 
widersprechenden Weise an die Oeffentlichkeit gezogen werden" 1 ). 
Hieruit vloeien verschillende met het auteursrecht in verband staande 
bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht op 
geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor 
openbaarmaking is bestemd. 

Dit is vooral van belang met het oog op brieven 2 ). In de meeste 
gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan een 
auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders 
dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die even- 
min aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als 
soortgelijke mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, 
maar mondeling in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men 
dus de vraag, of de schrijver van een brief het uitsluitend recht van 
publicatie heeft, afhangen van het al of niet bestaan van auteurs- 
recht, dan zou in de meeste gevallen zulk een recht moeten worden 
ontzegd, en wel in de eerste plaats voor die brieven, waarvan juist 

1) Archiv für Bürgerliches Recht X p. 261. 

2) Zie hierover vooral: Kohlee, Das Recht cm Briefen, Archiv für bürger- 
liches Recht VII pp. 94 sqq. en van denzelfden schrijver: Du droit sur les lettres 
missives ordinaires et conftdentielles, D. A. 1906, p. 18, waarvan de Duitsche 
tekst is te vinden in: Deutsche Juristenzeitung XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; 
Cf. ook: GtEKKE t. a. p. p. 772 en: Mr. Paul Scholtex, Recht op brieven, 
Weehbl. v. Privaatr., Notaris-ambt en Reg. 22 Sept. 1906 no. 1917. 



279 



wegens hun vertrouwelijk of intiem karakter eene ongewenschte 
openbaarmaking het pijnlijkst kan zijn. 

Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven uitdruk- 
kelijk genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier be- 
sproken persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht wordt 
toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. 
Wel is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie 
erkend doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke regeling op 
dit punt gewenscht blijft. 

Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk 
een vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat 
het in elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver ; 
doch daar men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven 
zijner brieven overgaat, is het van groot belang te weten öf, en zoo 
ja hoe lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voort- 
duren. Hier is behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen 
door de wet kan worden gegeven 2 ). 

Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De 
vraag wordt dikwijls bevestigend beantwoord ; o. a. werd dit in Duitsch- 
land gedaan door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake 
gebracht, arrest van 28 Februari 1898 3 ). Het betrof een aantal brieven 
van Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren na diens over- 
lijden uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd aangenomen, 
dat er een persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver om zich 
tegen de publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men zich 
daarop niet beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat het 
met den ' dood van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen 
uitdrukkelijke wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze 
opvatting m. i. wel iets te zeggen 4 ) ; in jure constituendo echter ben 



1) Een aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland en Engeland 
worden door Kohlee genoemd, Urhéberrecht p. 442. 

2) Cf. Kohlek, D. A. 1906 p. 19. 

3) D. A. 1903 pp. 28 sqq. 

4) De Seine-Kechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende brieven 
van George Sand. Een der overwegingen was : „ . . . que ce droit, tout personnel 
qu'il soit, passé aux héritiers représentants de la personne et des biens . . . etc", 
zitting van 11 Maart 1897, D. A. 1899 p. 43; Annales de la Propr. ind., Utt. 
et art. 1898 Nos. 9—10 p. 311, art. 4020. 



280 



ik van de meening van Kohier, die dit recht niet met het overlijden, 
maar eenigen tijd daarna, wil doen ophouden. Lang behoeft de termijn 
niet te zijn; vijf jaar, zooals Kohier voorstelt 1 ), of hoogstens tien 
schijnt daarvoor voldoende; het is er slechts om te doen de alge- 
heele vrijheid van publicatie zoolang op te schorten, totdat de beoor- 
deeling van den overledene objectief kan geschieden, buiten invloed 
van persoonlijke gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie enz. die 
hij bij zijn leven heeft opgewekt ; het overgangstijdperk, zou men 
kunnen zeggen, tusschen het tijdstip, waarop de persoon nog in het 
volle leven staat en dat waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort, 
Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel 
met het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, 
toch van eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteurs- 
recht, de uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den 
voortbrenger te verzekeren ; doch het beschermt de tot het private 
leven behoorende, vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte open- 
baarmaking. Hieruit volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf 
tot de uitgave zijner brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk 
meer kan verzetten; tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den 
bijzonderen aard der brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een 
geheel zijn geschikt, als auteursproduct is te beschouwen en als 
zoodanig bescherming geniet. 

De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke 
schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te be- 
schouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven 
auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een 
anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht voor 
sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen 
auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos 
te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam 
blijkt, dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische gevolg- 
trekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht op publi- 
catie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na, den dood 
van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan een uit- 
sluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver nog 
dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt m. i. 



1) D. A. 1906 p. 19. 



281 



geen twijfel, of het eerste is met het oog op het doel dat met de 
bescherming hier moet worden bereikt, te verkiezen boven het laatste. 

II Persoonlijkheidsrecht in verband met 
beslag op auteursrecht 

Is het bij brieven, die meestal niet als auteursproducten zijn te 
beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter dat de bescherming 
tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften van anderen aard, 
die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook voor kunstwerken, 
komt hier nog eene andere overweging bij. 

Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend, 
beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke 
nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of 
kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar 
zal worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor 
den auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de 
volle verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij 
ook in zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen 
kunnen worden tot publicaties, waarvoor hy die verantwoordelijkheid 
niet op zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat, 
hij zij schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel eens 
werken in portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is, al maken 
zij ook overigens den indruk „af te zijn. Men hoort soms van 
schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat zij 
eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun zin 
is. Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van beel- 
dende kunst en muziek. 

Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een 
eisch van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo 
ja wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. 
Meestal zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendoms- 
recht op hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming 
vinden; er zijn echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, 
indien zij nl., als andere vermogensrechten, ter beschikking moeten 
staan van des auteurs schuldeischers, om hunne vorderingen tegen 
hem daaruit te verhalen. Want ook van werken, die de auteur niet 
voor publicatie geschikt acht en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft 



282 



gelaten, kan het auteursrecht eene geldelijke waarde vertegenwoor- 
digen. Stond het nu den schuldeischers vrij, dit recht, evenals elk 
ander deel van het vermogen van hunnen debiteur, in beslag te doen 
nemen, dan zou daarmede tevens den auteur uit handen worden 
genomen het bovenbesproken persoonlijkheidsrecht om over de eerste 
openbaarmaking te beslissen. 

Hier dienen — en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie, 
die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft — de 
belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen 
beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het per- 
soonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast. 

De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke elk beslag op 
auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet, 
dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het 
eerst komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar 
aanleiding van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte op- 
merking, verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad 
art. 9, p. 4) zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der „meeste 
leden", dat het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht 
toe te laten. Van geen van beide zijden werd dit echter nader ge- 
motiveerd. 

Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen 
(art. B derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt 
men daaromtrent opgemerkt': „Het toelaten van beslag zou bij 
de uitvoering tot tal van moeilijkheden leiden. Deze overweging 
schijnt ook bij de wet van 1881 tot eene bepaling als de hier be- 
doelde te hebben geleid." 

Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier 
voor een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan 
wel vrees voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag 
op auteursrecht mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft 
doen opnemen. 

Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De „moeilijk- 
heden", waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel denkbeeldig 
zijn, onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere landen, waar het 
beslag in sommige gevallen wel is toegelaten, is bewezen. Hierop 
kom ik zoo aanstonds nog terug. 

De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, 



283 



zooals de wet van 1881 en het Ontw. B. K. inhouden, is te maken, 
bestaat hierin, dat met de rechten der schuldeischers in 't geheel 
geen rekening wordt gehouden. Betreft het een werk, dat reeds eerder 
door den auteur gepubliceerd en in exploitatie gebracht was, dan 
bestaat er volstrekt geen reden, waarom het uitsluitend recht om 
het verder op dezelfde wijze te esploiteeren niet aan zijn schuld- 
eischers zou mogen worden toegewezen. Nog sterker komt de onbil- 
lijkheid der bepaling uit, als men denkt aan het geval, dat het 
auteursrecht niet meer in handen is van den auteur. In den boedel 
van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld zullen juist de auteursrechten 
dikwijls een belangrijk aandeel vormen van de aanwezige baten en 
het gaat niet aan dat bij faillissement de schuldeischers hierover 
niet zouden kunnen beschikken l ). 

Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die 
gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht 
tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. 
Als algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten 
wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer 
het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek 
gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele 
vragen voor. 

In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden over 
de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk nog niet 
is uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor openbaar- 
making bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript naar 
een uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift aange- 
boden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder 
de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen over 
beslag inhield) ; het Landgericht van Berhjn liet het leggen van 
beslag toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een 
uitgevershuis was toegezonden 2 ). In Frankrijk werd evenzoo beslist 
door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900) ; hier betrof het 



1) Eeeda door verschillende schrijvers werd de bepaling op soortgelijke gronden 
afgekeurd. Men zie: Mr. W. L. P. A. Molestgraaff, De Faillissementswet 
verklaard pp. 243 sqq.; SwAET t. a. p. pp. 122 sqq.; Mr. B. M. de Vos, Rechts- 
geleerd Magazijn 1908 p. 60. 

2) Arrest van 1 Dec. 1892, besproken door Kohlee, D. A. 1894 p. 82. 



284 



kopie van een journalist, die reeds in handen van den drukker was ï). 
Deze beide beslissingen komen mij juist en billijk voor: in beide 
gevallen stond vast, dat de auteur tot publicatie van zijn werk 
wenschte over te gaan en aan zijn voornemen reeds een begin van 
uitvoering had gegeven; in deze omstandigheden ware een beroep 
op zijn persoonlijkheidsrecht, dat door de publicatie zou worden ge- 
krenkt, misplaatst. Met het oog hierop zou het m. i. aanbeveling 
verdienen bij eene wijziging van art. 9 derde lid onzer wet het 
beslag, behalve bij uitgegeven werken, ook toe te laten, indien het 
blijkt, dat de auteur op het oogenblik dat het beslag wordt gelegd, 
zijn werk voor publicatie heeft bestemd. Wat werken van beeldende 
kunst betreft geeft o. a. de Belgische wet (art. 9) eene regeling, die 
navolging verdient: geen beslag kan worden gelegd, zoolang een 
werk niet voor verkoop of publicatie gereed is. 

Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier 
sprake is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. 
Indien deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt 
de vraag niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet 
openbaar zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander 
overdragen. Maar wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne 
erfgenamen, en in 't bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den 
dood des auteurs eene publicatie moeten kunnen beletten, waartoe 
deze bij zijn leven niet heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden 
is deze vraag bevestigend te beantwoorden, op soortgelijken grond als 
hierboven bij de bespreking van het recht op brieven is aangevoerd. 
Op de naastbestaanden van den auteur gaat bij diens overlijden de 
verantwoordelijkheid van hetgeen er van hem uitkomt min of meer 
over; zij hebben er, althans in de eerste jaren na het overlijden, 
voor te waken, dat de naam, dien hij zich bij zijn leven heeft ge- 
maakt, ongeschonden blijft. Doch ook hier bestaat er geen grond, dit 
recht der erfgenamen lang te laten voortduren. De bescherming van 
de persoonlijkheid des overledenen krijgt na verloop van tijd een 
ander karakter ; zij behoeft dan niet meer aan één persoon, of aan 
een kleine groep van personen te worden overgelaten. De zuiver 
persoonlijke elementen, die het oordeel over den nog in leven zijnden 



1) Medegedeeld door A. Darras, D. A. 1900 p, 41. De tekst is te vinden in: 
Gazette des Trïbunaux 14 Febr. 1900. 



285 



schrijver of kunstenaar mee hielpen vormen, doen zich dan niet meer 
gelden; de auteur en zijn werk worden slechts beoordeeld naar de 
beteekenis, die zij als verschijnsel in de beschavingsgeschiedenis 
hebben gehad en er bestaat geen reden voor om hun, die deze be- 
teekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die daarover licht kunnen 
verspreiden, te onthouden. 

De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op 
onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel uitsluit 1 ), 
zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken van den erflater in 
hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. te ver. Een 
termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van Kohier 
voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb genoemd, 
schijnt mij ook voor dit geval meer passend. 

Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie, 
dat beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten : tegenover den 
auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn goedvinden 
zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn bestemd ; tegen- 
over zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht van niet-gepu- 
bliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf) jaren na het 
overlyden zijn verloopen; tegenover zijne overige rechtverkrijgenden 
in alle gevallen. 

Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen 
de verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. 
Heeft een auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt 
daaruit nog niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er 
zijn stukken, wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de 
lezing juist zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht 
komen; andere, die hoewel naar den vorm tooneelstukken, in 't geheel 
niet op eene vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij 
andere werken kan het een groot verschil maken, op welke wijze 
en in welken vorm het publiek er mede in aanraking wordt gebracht ; 
men denke b.v. aan een rede, die op degenen die haar hooren uit- 
spreken grooten indruk maakt, doch later, wanneer men haar 
gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing niet bevredigt.. Daarom moet 
met het oog op de al of niet vatbaarheid voor beslag elke wijze 
van reproductie afzonderlijk worden beschouwd; en moet als beginsel 



1) Art. 10 wet van 1901. 



286 



aangenomen worden, dat het beslag slechts die middelen van exploi- 
tatie mag betreffen, welke de auteur zelf reeds heeft aangewend. 

In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden, dat 
het beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant een onbepaald 
beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of kunstwerk. Naast de 
reeds behandelde bestaan er nog verschillende andere persoonlijkheids- 
rechten van den auteur, die bij de exploitatie van zijn werk door 
anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft geen betoog dat 
deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van het auteurs- 
recht geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in beslagneming 
van het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat het werk met 
wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin aangebracht, 
wordt gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen worden gebruikt, 
die met het karakter of de kunstwaarde van het werk niet in over- 
eenstemming zijn : b.v. opvoering van een tooneelstuk door daartoe 
ontoereikende krachten; reproductie van een werk van beeldende 
kunst in een daarvoor ongeschikt procédé enz. enz. Ook zal de 
nieuwe rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit hebben 
te eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel brengen 
van exemplaren moeten houden aan de — hieronder nog nader te 
bespreken — beginselen betreffende het gebruik van den auteursnaam. 

Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit 
den aard der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, 
en het is wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hier- 
mede rekening wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestes- 
product is nu eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die 
er zoo nauw mee zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen 
met andere vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden 
die hieruit voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen 
hij de absolute onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht 
voorschreef. Met het oog hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog 
een oogenblik stil te staan en enkele opmerkingen te wijden aan 
de wijze, waarop aan deze moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet 
gekomen in verband met de algemeene regeling van het beslag in 
onze wetgeving. 

Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van 
gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of meer 
schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het Wetb. 



287 



v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het faillissement, waarbij op het 
geheele vermogen ten behoeve van alle schuldeischers beslag wordt 
gelegd (geregeld in de Faillissementswet). Beide soorten van beslag 
hebben ten doel uit het vermogen van den schuldenaar de vorderingen 
zijner schuldeischers te verhalen, en bij beide wordt dit doel bereikt 
door eene gedwongen vervreemding der goederen, waarop het beslag 
gericht is. Er bestaat echter verschil in de wijze waarop deze reali- 
seering der goederen tot stand komt. 

Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463 sqq. 
B. Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en 
aan den meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing 
dezer bepaling op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder be- 
denking zijn, daar hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, 
wanneer hem eenmaal het auteursrecht toebehoort, de persoonlijk- 
heidsrechten van den auteur zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden 
aangenomen, dat met het recht ook de daarmede verband houdende 
verplichtingen op den nieuwen verkrijger overgaan, en dat deze in 
geen geval het recht krijgt, om alles met het auteursproduct te doen 
wat hij wil. Neemt men het bestaan van persoonlijkheidsrechten in 
den zin zooals ik het hier heb gedaan aan, dan volgt daaruit, dat 
de auteur tegen eiken inbreuk, door wien ook gepleegd, in rechten 
kan optreden. Theoretisch maakt het dus geen verschil, aan wien 
het auteursrecht wordt toegewezen; in de practijk komt het er echter 
zeer veel op aan. De auteur zal er niet zoo spoedig toe overgaan 
eene actie wegens inbreuk op het persoonlijkheidsrecht in te stellen, 
vooral indien hij, zooals na een beslag of faillissement wel steeds 
het geval zal zijn, in financieele moeilijkheden zit; de uitkomst zal 
dikwijls zeer onzeker zijn en de schadevergoeding, die hem in het 
gunstigste geval ten deel valt, zal toch nooit de gevolgen van den 
inbreuk geheel kunnen te niet doen. Het verdient daarom verre de 
voorkeur, waar dit maar eenigszins mogelijk is, preventief tegen 
dergelijke inbreuken op te treden, en dit zou ook bij de gerechtelijke 
verkoop van het auteursrecht kunnen geschieden, indien het mogelijk 
was, toewiiziging van het auteursrecht te weigeren aan personen, 
in wier handen men het in dit opzicht niet veilig acht. Zoo zal het 
b.v. niet kunnen geschieden, dat een derderangs operette-gezelschap 
het uitsluitend exploitatierecht van een ernstig en bij de uitvoering 
vele eischen stellend muziekdrama krijgt, of een uitgever van prent- 



288 

briefkaarten het reproductierecht van een schilderij of teekeuing, 
wier karakter met zulk eene wijze van verspreiding niet in over- 
eenstemming is. Ook kan hierdoor worden voorkomen, dat het auteurs- 
recht wordt aangekocht met het doel alle verdere exploitatie van 
het werk te verhinderen. 

Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige 
gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de 
uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop 
kan worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde 
gemaakt moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank 
kunnen worden gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het 
daarover niet eens kunnen worden. 

Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering 
op den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en 
den rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende 
vrijheid van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier 
op het spel staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling 
van art. 174 F. W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den 
regel een juist gebruik zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk 
zooveel mogelijk met de wenschen van den faillieten auteur rekening 
zal worden gehouden. 

III Het recht van den auteur 
dat zijn werk in ongeschonden staat wordt 
publiek gemaakt 

Met alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming niet openbaar 
mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, doch ook 
dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten heeft, 
zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet gewijzigd of verminkt aan 
het oordeel van het publiek wordt blootgesteld. Dat ook in dit 
opzicht eene krenking der persoonlijkheid mogelijk is, zal na het 
voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De bescherming tegen onge- 
wenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, indien de auteur, 
na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te hebben gegeven, 
lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, afkortingen of 
toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van aanzien 
verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover hijzelf 



289 



volkomen tevreden is, het licht te doen zien, zou in dat geval veelal 
zonder gevolg blijven : want het publiek vormt natuurlijk zijn oordeel 
naar het werk, niet zooals de auteur het heeft afgeleverd, maar 
zooals de exploitanten het gelieven te publiceeren. 

Het is dan ook een in de laatste iaren vrijwel algemeen aangenomen 
beginsel, dat den auteur het recht toekomt — ook als het uitsluitend 
reproductie-recht in andere handen is of in 't geheel niet bestaat — 
om zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn werk zonder zijne 
toestemming met wijzigingen, afkortingen of toevoegsels aan het 
publiek wordt voorgezet. 

In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de 
erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een 
schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij 
het auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij in 
den handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd x ) ; 
evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd tijdschrift, wiens teeke- 
ningen met onderschriften met veranderingen werden weergegeven 2 ). 

In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea, 
voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt, 
alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde 
„en faisant reproduire sur émail la tête seule de la Vier ge consolatrice 
qu'il a mise en vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son 
droit; qu'il a en effet, isolé la tête de la vierge de 1'ensemble de 
1'oeuvre de Bouguereau; que, par suite de cette séparation, qui ne 
permet plus de comprendre 1'attitude ni 1'expression qu'explique 
d'une manière complete le reste du tableau représentant une mère 
affligée pleurant la mort de son enfant, la pensée de 1'auteur se 
trouve complètement dénaturée, qu'elle devient absolument incom- 
préhensible pour celui qui n'aura sous les yeux que la reproduction 
partielle effectuée sur 1'émail saisi." En verder dat de auteur, ook 
als het reproductierecht niet meer bestaat: „peut exiger que sa 
pensée et son oeuvre qui n'en est que la traduction ne soient pas 
altérées ; qu'elles soient reproduites comme il les a lui-même enfan- 
tées; qu'il a, en dehors de tout avantage matériel auquel il a 



1) Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, Gazette du Palais 3 Febr. 1897 
Annales de la propriétê industrielle 1897 p. 126, D. A. 1897 p. 80. 

2) Trib. civ. de la Seine le ch. 16 Dec. 1899, D. A. 1900 p. 42. 

19 



290 



renoncé, le droit de sauvegarder sa réputation artistique et qu'il est 
fondé a réclamer la réparation du préjudice a lui caüsé par toute 
atteinte qui y est portée . . ." *). 

De Seine-Eechtbank veroordeelde voorts 18 Pebr. 1902 tot betaling 
van vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een tijdschrift- 
artikel, dat zonder voorbehoud van auteursrecht was verschenen en 
derhalve nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had overge- 
nomen, dat de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin 
onjuist en onvolledig waren weergegeven 2 ). Vier jaar later werd 
door hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend vertalingsrecht 
van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, duizend francs 
schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der Pransche 
vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk van 
eigen maaksel aan het werk had toegevoegd 3 ). 

Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval 
betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar 
de auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel 
van een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een beeldhouwer 
had het reproductierecht van een buste vervreemd zonder eenige 
voorwaarde daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de be- 
doeling van den auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder 
zijne toestemming ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit 
laatste voor onrechtmatig 4 ). In een analoog geval, dat zich enkele 
jaren later voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het 
reproductierecht aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen 
was overgedragen, die enkele ervan ook in marmer had laten 
reproduceeren), werd de eisch, voorzoover deze het aangewende 
reproductie-middel betrof, afgewezen, op grond dat de reproductie in 
marmer, waartegen de auteur zich verzette, het origineel volkomen 
zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het origineel vervaardigde 
bronzen beelden als lampen ingericht in den handel werden gebracht, 



1) Trib. de la Seine 4 Mei 1903, D. A. 1903 p. 105, France judiciaire No. 17 
van 9 Mei 1903. 

2) D. A. 1902 p. 136. 

3) Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, D. A. 1907 p. 100, La Loi 
30 Mei 1907. 

4) Trib. de la Seine 3 April 1897 (Le Droit 5 en 6 April 1897) medegedeeld 
door A. Darbas, D. A. 1897 p. 80. 



291 



leverde volgens de Seine-Rechtbank geen inbreuk op het recht des 
auteurs op, omdat degeen aan wien het reproductierecht was over- 
gedragen, als fabrikant van dergelijke artikelen bekend stond en de 
auteur dus geacht kon worden met deze wijze van exploitatie ge- 
noegen te hebben genomen. Doch bovendien was bij de reproductie 
van een dezer beelden eenigszins van het origineel afgeweken en de 
naam, dien de auteur er aan had gegeven („Gloria") was zonder zijne 
toestemming vervangen door een anderen („la Renommee"); op deze 
beide punten werd de auteur ontvankelijk verklaard in zijn eisch 1 ). 

De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven 
van de verschillende vormen, waarin krenking van het hier behan- 
delde recht plaats kan hebben 2 ) en van de wijze, waarop daartegen 
in Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, 
recht wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht be- 
rustende bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen 
rechter zou kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles 
hangt hier weer af van de uitlegging van het woord „onrechtmatige 
daad" in art. 1401 B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, 
om in dezen het voorbeeld te volgen, door de meeste moderne wetten 
op het auteursrecht gegeven, waarin den auteur het bedoelde recht 
uitdrukkelijk wordt toegekend 3 ). 

IV Het recht met betrekking tot den 
auteursnaam 

De vraag, in hoeverre een 'recht bestaat op den naam, is met 
betrekking tot het auteursrecht in verschillende opzichten van belang. 
Ik zal mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht van 
den auteur gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan hunne 
werken te verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder 
zijn naam of onder een anderen naam gepubliceerd wordt. 

1) Trib. de la Seine 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904, D. A. 1905 p. 7; men zie 
ook de bespreking van dit vonnis door A. DAKKAS in D. A. 1904 pp. 135, 136. 

2) Ook tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk maken, door 
nl. stukken uit hunne róllen over te slaan of er woorden en zinnen in te lasschen, 
die er niet in hooren. Cf. hierover: H. Rosmini, D. A. 1891 p. 142. 

3) Men zie b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche wet van 1901 
§§ 9 en 24 en die van 1907 §§ 12 en 21; voorts het Italiaansche Ontwerp 
art. 22 en de loi-type der Association art. 10 lid 2 en 3. 



292 



Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik 
van den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen 
niet zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aan- 
duiding van de herkomst der producten. Niet minder dan voor den 
handelaar en den fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar 
van belang, dat hunne producten niet met die van anderen verwisseld 
kunnen worden; de band tusschen producent en product is bij de 
laatsten in het algemeen nog veel nauwer; dit komt door het per- 
soonlijke, hetwelk het kenmerk van elk kunstwerk is : een kunstenaar 
legt meer van zichzelf in zijn werk, is meer één met zijn werk dan 
b.v. een vervaardiger van naaimachines of een handelaar in wijn. 
En evenals voor producten van de laatstgenoemde soort, — in het 
algemeen: voor alle handelswaren - geldt voor werken van kunst 
en letterkunde, dat het publiek er belang by heeft omtrent hunne 
herkomst juist te worden ingelicht: wie een schilderij valschelijk 
voorziet van den naam Jozef Israëls maakt niet alleen inbreuk op 
het persoonlijkheidsrecht van den schilder, maar maakt zich tevens 
schuldig aan misleiding van het publiek. 

Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden 
van bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende *), 
bescherming van den handelsnaam. De beginselen waarop beide 
berusten, zijn ook grootendeels dezelfde. 

Vooropgesteld moet worden dat een uitsluitend recht op den naam 
in dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde 
ook, zou»kunnen tegengaan, niet alleen onnqodig en ongewenscht, 
maar zelfs onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende 
schrijvers ten aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk 
verkeer en ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aan- 
getoond, en geldt ook voor den auteursnaam 2 ). 

De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager be- 
staat en object van een recht kan zijn ; hij is niets anders dan een 
onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den 
anderen, en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden 3 ). 



1) Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en besproken door 
Prof. MolengbaAFF in Rechtsgeleerd Magazijn 1887 pp. 375 sqq. 

2) Cf. MOLEHGEAATF t. a. p. pp. 382 eqq. 

3) Cf. Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. p. 77. 



293 



Daarom is niet elk gebruik van den naam, maar slechts een zoo- 
danig gebruik, waardoor verwarring mogelijk wordt gemaakt, een 
inbreuk op het persoonlijkheidsrecht. Dit beginsel wordt o. a. ook 
door de Fransche jurisprudentie gevolgd, hoewel daarin steeds wordt 
gesproken van „eigendom op den naam." De Seine-Rechtbank wees 
b v. een eisch af, die strekte om aan twee schrijvers, die onder het 
pseudoniem „J. R. Rosny" artikelen publiceerden, dit te beletten, 
omdat de eischer, Léon de Rosny, het uitsluitend recht op dien naam 
zou hebben. Wel werd erkend „ . . . qu'en principe, une revendication 
de cette nature est légitime, et qu'un tiers ne peut s'approprier le 
nom d'autrui, . . ." doch slechts onder voorwaarde „ . . . que cette 
usurpation aura eu pour résultat de créer une confusion qui serait, 
soit moralement, soit matériellement, préjudiciable au propriétaire 
du nom" Dat mogelijke verwarring in dit geval uitgesloten was, 
werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat de geschriften van Léon de 
Rosny van zuiver wetenschappelijken aard waren, terwijl de artikelen 
welke onder het pseudoniem J. H. Rosny verschenen, een meer 
„litterair" karakter hadden. Dit vonnis werd bekrachtigd door het 
Hof van Appél te Parijs, waarin o. m. wordt overwogen: „que la 
confusion entre .Léon de Rosny" et „J. H. Rosny" ne s'est pas 
produite dans le monde des sciences et des lettres" 3 ). 

In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, 
alleen met dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne 
geschriften wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toege- 
wezen, o. a. op dezen grond ; dat : , ... les demandeurs ont intérêt a 
revendiquer le droit a la propriété exclusive de leur nom, ne füt-ce 
que pour éviter la confusion qui pourrait naitre de la création de 
travaux similaires" 3 ). 

Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisse- 
ling mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toege- 
schreven dat niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat 
wél het zijne is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit 
geschiedt door gebruikmaking van den waren naam van een auteur 
of van den schuilnaam, waaronder hij gewoon is te publiceeren, 

1) Trib. civil de la Seine 1 Aug. 1903, Gazette des Tribunaiix 2 Aug. 1903, 
La Lai 6, 7, 8 Aug. 1903, B. A. 1904 p. 63. 

2) Cour d'Appel de Paris 24 Mei 1905, D. A. 1905 p. 132. 

3) Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, D. A. 1905 pp. 100, 101. 



294 

maakt geen verschil. Het kiezen van een „nom de plume" is eene 
gewoonte, die zoo lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorge- 
drongen, dat daartegen geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin 
eene misleiding van het publiek zien. Trouwens ook in het handels- 
verkeer treft men iets soortgelijks aan: de naam waaronder iemand 
handelt is dikwijls een andere dan die waaronder de persoon bij den 
burgerlijken stand staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het 
een schrijver of kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, 
waaronder hij zijne werken publiceert, dan bestaat er geen reden 
om dien gekozen naam niet geheel op dezelfde wijze te behandelen 
als den gewonen (familie-) naam. Immers de rol, die beide in het 
verkeer vervullen, is volkomen dezelfde; ook de schuilnaam dient 
om de werken van een bepaalden (al of niet bij het publiek onder 
zijn werkelijken naam bekenden) auteur van die van anderen te 
onderscheiden. Hoe de auteur in het dagelijksch leven heet, is hierbij 
onverschillig; het is zooals Kohier het eigenaardig uitdrukt: „der 
Autor kann als unbekanntes X gelten; aber es musz eben dieses X 
als der Trager schriftstellerischer Werke von den übrigen Schrift- 
stellern unterschieden werden; es ist ein Versteckspiel, ein Masken- 
spiel, wobei die eine Maske von allen anderen unterschieden bleiben 
soll und das Eecht hat, unterschieden zu bleiben" l ). 

De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken 
van een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook 
tegen kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of 
onder een anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij 
is het beginsel te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, 
o.a. de Association ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning 
van zijn auteurschap. 

Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten 
in verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers 
en het overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en 
overnemingen zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. 
Ook in Frankrijk, waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplich- 
ting door de jurisprudentie aangenomen 2 ). 

1) Kohlee, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. pp. 79, 80; Cf. ook: 
Av. Henki Eosmeni, Droits des auteurs sur leur pseudanyme, D. A. 1888 pp. 16 sqq. 

2) Cf.: Huakd, D. A. 1899 p. 103, die zich echter zelf tegen deze verplichting 
verklaart. 



295 



In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de 
bron voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen 
uit dag- en weekbladen ; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit 
bij aanhalingen uit andere werken, waarover het eerste lid van het 
artikel handelt, niet eveneens zou behoeven te geschieden. De 
Duitsche wet is in dit opzicht veel beter ; daar wordt het noemen 
van de bron verplichtend gesteld by elk geoorloofd (d.i. niet op het 
auteursrecht inbreuk makend) gebruik, dat van eens anders werk 
wordt gemaakt (§ 25) ; wie tegen dit verbod handelt, maakt zich, 
afgezien natuurlijk van zijne civielrechtelijke aansprakelijkheid, schul- 
dig aan eene overtreding, waarop eene boete van hoogstens honderd 
vijftig mark staat (§ 44). 

Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te ver- 
dienen. 

Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, 
dat men hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend 
recht, dat niet als een uitvloeisel van het auteursrecht is te ver- 
klaren. Het noemen van de bron komt alleen te pas by het over- 
nemen van berichten of opstellen, waarvan het auteursrecht niet 
uitdrukkelijk is voorbehouden, waarop dus geen auteursrecht bestaat. 
Toch kan de auteur eischen, dat zijn naam of die van zijn dagblad 
worde genoemd. Hier wordt dus ook in onze wet het persoonlijk- 
heidsrecht als een zelfstandig recht erkend, dat standhoudt, ook als 
het auteursrecht teniet is gegaan. 

Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft 
op de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de be- 
palingen, die gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen 
op schilderijen en andere werken van beeldende kunst. 

In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of ver- 
valschen van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen 
strekken echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der 
auteurs, doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van 
dergelijke bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het 
stellen van een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, 
behalve inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook 
zijn een miüdel om bedrog te plegen, indien n.1. deze vervalsching, 
wat wel meestal het geval zal zijn, is geschied met het doel het 
schilderij voor een echt stuk van den meester, wiens naam het draagt, 



296 

te laten doorgaan en er op deze wijze den kooper meer voor te laten 
betalen dan het waard is. 

In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. straf- 
baar gesteld : » . . . 1'application méchante ou frauduleuse sur un 
objet d'art, un ouvrage de littérature ou de musique, du nom d'un 
auteur, ou de tout signe distinctif adopté par lui pour désigner son 
oeuvre." Ook is strafbaar het verkoopen, ten verkoop uitstallen, in 
een magazijn in voorraad hebben of binnen België invoeren van 
werken waarvan men weet, dat zij van een valschen naam of een 
valsch merk zijn voorzien (art. 25 3de lid). 

In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (Loi 
sur les fraudes en matière artistique) vrijwel gelijkluidende bepalingen. 

Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen 
zijn gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het 
feit, dat zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog 
aanleiding kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voor- 
namelijk bedoeld eene strafrechtelijke bescherming van de rechten 
der auteurs. Dit blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij 
in de wet op het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet 
betreft, is deze bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; 
men ging zelfs zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit 
in den zin van deze wet kon worden gepleegd, wanneer het auteurs- 
recht een einde had genomen, en op dien grond werd ook de bepaling 
van art. 4 dezer wet verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen 
toepasselijk is op werken, waarop nog auteursrecht bestaat 1 ). Deze 
laatste bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) 
gevolg, dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, 
indien men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet 2 ). 

Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen 
de tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke straf- 
bepalingen moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of 



1) Cf. hierover: A. Daeeas, D. A. 1895 p. 32, die op de verwarring tusschen 
persoonlijkheidsrecht (droit moral) en auteursrecht {droit pécuniaire), welke hier 
in het spel was, de aandacht vestigt. 

2) Dit is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich verplicht zien 
aan dit artikel te geven. Cf.: Daeeas, D. A. 1895 p. 32; Kohler is van eene 
andere opinie D. A. 1896 pp. 12, 13; men zie echter wat de redactie hierbij 
aanteekent, noot 2, p. 13. 



297 



verwisseling van den auteursnaam strafbaar te stellen, voor zoover 
daarin is te zien een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den 
auteur, dan dient in de eerste plaats vast te staan, hoe lang dit 
recht na den dood van den auteur ten behoeve zijner erfgenamen 
voortduurt. De bedoeling van den Franschen wetgever, die in het 
bovengenoemd artikel 4 van de wet van 1895 onhandig tot uitdrukking 
is gekomen, is duidelijk: het recht met betrekking tot den auteurs- 
naam duurt even lang als het auteursrecht. In de Belgische bepaling 
wordt alleen gesproken van vervalschingen enz. met den naam „van 
een auteur". Verstaat men hieronder ieder auteur, dus ook b.v. een 
schrijver of kunstenaar, die tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, 
dan is hiermede tevens gezegd, dat de strafbare handelingen, die in 
het artikel worden omschreven, niet behoeven te zijn gericht tegen 
rechten van bijzondere personen, niemand zal immers willen beweren, 
dat er ten behoeve van bijzondere personen nog een recht kan 
bestaan b.v. ten aanzien van den naam Rembrandt. Indien dus het 
artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op een subjectief recht, dan zal 
het begrip „auteur" hier. enger dienen te worden opgevat en het 
meest rationeele is dan zeker om er onder te verstaan: een auteur, 
die ook overigens van de bescherming der wet kan genieten. Op 
deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom, dat het persoonlijk- 
heidsrecht even lang duurt als het auteursrecht. 

Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, 
wü ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik 
heb het hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden 
te wijzen, die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier 
bedoelde zijn verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is om- 
schreven hoever het recht van den auteur op eerbiediging van den 
auteursnaam gaat en hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner 
erfgenamen standhoudt. Dat de termijnen, welke voor het auteurs- 
recht gelden, in het algemeen voor de persoonlijkheidsrechten te 
lang moeten worden geacht, heb ik hierboven reeds opgemerkt ; ook 
ten aanzien van het recht op eerbiediging van den auteursnaam zou 
het wenschelijk zijn, eene wetsbepaling te hebben, welke een vasten 
termijn van niet te langen duur na het overlijden van den auteur 
voorschreef 1 ). 



1) Cf. ook: Kohleb, D. A. 1896 p. 12. 



298 



Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn het 
bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet straffeloos 
behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen subjectief 
recht van den auteur meer betrokken ; eerbiediging van de persoon- 
lijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te zijn, 
ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is. 

Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel als 
bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het persoon- 
lijkheidsrecht van den auteur ; ook het omgekeerde is mogelijk : dat 
nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder dat 
daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal echter 
wel zeer zelden voorkomen ; het motief bij het wijzigen of weglaten 
van den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn, den onwaren 
naam voor echt te laten doorgaan om op deze wijze voor zich ot 
voor anderen een vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke inbreuk 
op het recht van den auteur ten aanzien van den auteursnaam uit 
een ander motief, b.v. uit lust om den auteur in zijne reputatie te 
schaden, of om zichzelf als auteur van een werk van een ander te 
laten aanmerken, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar daarvoor 
is toch m. i. geene afzonderlijke strafbepaling noodig, vooral indien 
men ten aanzien der bedriegelijke handelingen zulke volledige bepa- 
lingen heeft als de boven besproken Belgische en Fransche. 

Onze strafwet, is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen 
welke hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel 
stelt o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop 
aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in 
voorraad hebben van waren, voorzien van den naam of het merk 
waarop een ander recht heeft. Onder „waren" zijn volgens de M. v. T. *) 
alle roerende goederen begrepen, dus ook boeken, platen, schilde- 
rijen enz. 

Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een 
valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België, strafbaar ge- 
steld ; het kan echter naar gelang van omstandigheden medeplichtigheid 
zijn aan de door de wet strafbaar gestelde handeüngen 2 ). Hoofdzaak 
is, volgens de M. v. T. : „het bedrog, gepleegd door het in den handel 



1) Handel Tweede Kamer 1879-1880, Bijlage 110 No. 3 p. 174. 

2) M. v. T. p. 174. 



299 



brengen en verder verhandelen van met een valsch certificaat van 
oorsprong gemerkte goederen". Hiermede is echter niet in overeen- 
stemming het vereischte, dat een ander op den naam of het merk 
waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. a. w. dat 
een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit het 
geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden 
gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan 
de omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat, 
de bezwaren, waarop reeds is gewezen. 

Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking 
hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar ge- 
steld overtreding van het verbod, vervat in art. 86 tweede zinsnede 
van het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken 
of eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger 
van een kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk 
oogmerk of opzet wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook 
strafbaar, indien de copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval 
kan men m. i. in deze handeling geen inbreuk op het persoonlijk- 
heidsrecht van den auteur zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat 
men vroeg of laat deze copie voor een origineel werk van den schilder 
zal aanzien. Doch juist omdat dit gevaar voor verwisseling bij copieën 
zoo groot is, schijnt mij deze strafbepaling wel gerechtvaardigd. 

V Recht van den afgebeelden persoon 

In het voorgaande was alleen sprake van rechten die den auteur, 
al of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. Van zijn 
kant heeft echter ook de auteur met rechten van andere personen 
rekening te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het auteurs- 
recht in botsing kan komen. 

Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen wordt 
aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne uitdrukkelijke 
of stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. Sommigen 
spreken zelfs in dit verband van een eigendom op de gelaatstrekken, 
van een Recht am eigenen Bilde. Dit schijnt mij, zooals hieronder 
nog zal wórden aangetoond, minder juist toe; wat echter wel kan 
worden toegegeven, is dat er gevallen zijn, waarin de afgebeelde persoon 
het recht moet hebben, de publicatie van zijne beeltenis te verbieden. 



300 

Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt 
men deze meestal in de wet op het auteursrecht ; het nauwe verband 
dat tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide 
toch hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan een 
persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat het recht van 
den auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van bestaan heeft als bij 
andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van den geportretteerde. 

Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit 
voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet 
op het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 
1876) en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 
1876) ging het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege 
over op den besteller. Deze bepalingen werden door Kohier l ) verklaard, 
door den auteur als handelende in naam van den geportretteerde 
voor te stellen, zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen 
gevestigd wordt. Doch zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven 
constructie komen mij verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat 
ik bij het laten maken van mijn portret „dem Maler das Internum 
meiner Person in Gestalt der ihm stundenlang zugekehrten Gesichts- 
züge darbiete", dit geeft m. i. nog geen grond om mij in de rechten 
van den auteur te laten treden, waaronder dan b.v. ook valt het 
genieten van de materieele voordeelen, die de exploitatie zijner schep- 
ping kan opleveren. De rechten van den geportretteerde worden op 
deze wijze onnoodig en onredelijk ten koste van die des auteurs op 
den voorgrond geschoven. Een practisch bezwaar van dit stelsel is 
ook, dat de duur der bescherming niet in overeenstemming is met 
het' doel, waarvoor zij dient. Volgens de bovengenoemde Duitsche 
wetten duurde het auteursrecht voor werken van beeldende kunst 
dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor photographieën vijf 
jaar na het verschijnen of vervaardigen; de reproductie van iemands 
gelaatstrekken naar eene schilderij konden dus zijne erfgenamen nog 
dertig jaren na zijn dood verhinderen, terwijl een photographisch 
portret reeds na vijf jaar straffeloos verveelvoudigd en verspreid kon 
worden. Doch het is duidelijk dat de duur van het hier bedoelde 
recht van den geportretteerde onafhankelijk dient te zijn van de 
wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen. 



1) Kohler, Archiv für bürgerlièhes Becht X p. 277. 



301 



Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht 
van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig 
den geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient 
dit afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking 
als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door 
het beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven. 

In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze 
samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook 
niet meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling 
(artikel 20) dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het 
recht hebben, dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder 
toestemming van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtver- 
krijgenden tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus 
aan den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn 
recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld. 

Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken 
van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit 
beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon 
om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan 
wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen, 
gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner naaste 
verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22, 23 en 24). 
Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het auteurs- 
recht te onderscheiden, recht te doen. 

In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt 
men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is 
herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht 
toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten, ook 
al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen Ook na den dood 
blijft het voor de bloedverwanten bestaan 2 ). 

1) O a.- Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, Droit 1 en 2 Juni 1896, 
Gaxette des Tribunaux. 4 Juni 1896, Gazette du Palais 9 Juni 1896; id. 31 Dec 
1896, Droit en Gazette des Tribunaux 1 Jan. 1897, D. A. 1897 p. 17; 3 Aug 
1899 Loi 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Pari 8 26 Juli 1900, Loi 22 Nov. 1900, 
X», i. 1900 p. 154. Men zie ook: Daeeas, D. A. 1895 pp. 96, 168. Een aantal 
beslissingen van ouderen datum worden meegedeeld door: Eosmeh, D. A. 1893 
pp. 10 sqq. Cf. nog voor een recent geval: Journal des Débats (édition hebdomadaire) 
17 April 1908 p. 738. 

2) Zoo werd reeds door de Seine-Kechtbank beslist 16 Juni 1858 in eene 



302 



Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ont- 
breken op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier 
zou dus art 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze be- 
scherming zou kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwe- 
lijks te worden gezegd, dat zoolang de ruime opvatting van de 
woorden „onrechtmatige daad" en „schade", welke in dit artikel 
gebezigd worden, nog niet algemeen wordt gedeeld, de bedoelde 
bescherming nog op zeer losse schroeven staat. Om die reden ware 
wellicht eene opzettelijke regeling van dit vraagstuk in het tot wet 
te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden. 

Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming 
zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt gedaan, 
waar - behoudens dan enkele uitzonderingen - een uitsluitend 
beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. 
Eene uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen 
hoogleeraar Amar en door Rosmini aangehaald: „ieder mensch heeft 
een vol eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hy het ook op 
zijne beeltenis . . . enz." - komt mij onjuist voor. Evenmin als op 
den naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht 
of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands 
afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men 
m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret 
wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestem- 
ming van den afgebeelden persoon in omloop zijn x ). Slechts dan 
moet men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten, 
wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving, 



destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de beroemde toneel- 
speelster Eachel op haar sterfbed was genomen. Men zie hierover: Rosmini, 
D A 1893 p. 10. Hetzelfde college gaf nog enkele jaren geleden eene beslissing 
in soortgelijken zin, 20 Jan. 1906, D. A. 1907 p. 136. 

1) In eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court Boston 19 
Nov 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen particulieren 
en publieke personen: „Terwijl een privaat persoon beschermd dient te zijn tegen 
elke publicatie van zijn portret, is dit ten aanzien van een publiek persoon niet 
het geval. Men kan aannemen dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar 
of een uitvinder die er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te 
worden, dit recht aan het publiek heeft afgestaan." De grondgedachte dezer 
redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al te absoluut 
gesteld en verklaard. (D. A. 1895 p. 142). 



303 



welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden 
persoon niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt 
Kohier l ) b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje 
met was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaats- 
trekken van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: „wenn 
etwa eine Beleibte Dame als Reklamebild für ein kraftiges Nahrungs- 

mittel verwendet wird" 2 ). 
Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken draagt 

van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de termen 
der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons 
Wetboek van Strafrecht (artt, 261 en 266) beleediging door middel 
van afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telast- 
legging van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel 
van afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de 
wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen, 
werd reeds door enkele schrijvers gewezen 3 ). 

Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het 
in vele gevallen nog op andere w«ze mogelijk zijn de reproductie 
van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft 
vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in 
omloop te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling 
gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf 
zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het 
negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling 
van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren geen 
andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De 
gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin 
moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen 
of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben 
willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor 
de levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer 
de prijs volgens het zoogenaamde „artiesten-tarief" is berekend. 
Eene afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige 
landen aantreft, komt mij echter overbodig voor. 

1) Archiv für civ. Praxis 82 p. 206. 

2) Kunstwerhrecht p. 164. 

3) Men zie hierover in 't bijzonder: J. H. G. COHEN, Beleediging door Can- 
caturen, Proefschr. 1896 pp. 118 sqq. 



304 



Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het auteurs- 
recht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt het door 
sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich kunne 
verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of tooneel- 
stuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen is 
verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters, met 
name in Frankrijk, erkend »); hetgeen zelfs een Fransch schrijver er 
eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken uitslurtend 
naar geguillotineerden te noemen! s ) Eveneens hebben schrijvers er 
zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen uit het particuliere 
leven van bestaande personen in hunne werken te pas te brengen 
of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te leveren, dat 
uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de omgeving 
van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze gevallen 
de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik hier niet 
verder trachten te onderzoeken s ). Nog minder dan de rechten der 
geportretteerden leent zich deze materie voor speciale wettelijke 
regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht hiervoor 
m. i. niet de plaats zijn. 



1) Zoo b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en 13 Nov. 1889. 
Men zie hierover: ROSMINI, D. A. 1891 pp. 41 sqq; men zie ook: D. A. 1907 p. 137. 

2) Cf.: Darras, D. A. 1897 p. 80. 

3) Men zie hierover de beschouwingen van Dakras, D. A. 1897, pp. 1/ en 
80- 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar geciteerde Fransche jurisprudentie; 
en: KoHLER, Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerhches 
Recht V. pp. 83 sqq. 



HOOFDSTUK VII 
INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT 



§ 1 Algemeene opmerkingen 

Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor 
het auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen 
de verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. 
Doch bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze 
moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden 
gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast ; 
ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere vraag 
te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan beroepen. 
Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er strijd 
bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de recht- 
hebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich 
bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt 
gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook 
zij, nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloos- 
heid ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is 
het gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs 
berust op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, 
alleen op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt 
geen ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen. 

"Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan 
het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander 
van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over de 
artt 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare 

20 



306 



geldigheid vaststellen: „Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht 
SSe t tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere terntonale 
Ïens vallen en moet ieder, wie 

£* * ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons pnvaat 
recht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat dunkt 
zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt^ 
straffeloos zijn horloge mogen ontnemen ? Zoodanig vreemdeling zegt 
l^éLrt*»^ *an op eene Nederlandsche 
drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt van ^edgeeto* 
heid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven al teen_ dan 
tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een Nederlandsche 
keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste üusie, gij, 
d e tek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een absoluut ver- 
mogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht, cijfere mij vooi, 
wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij niemand, noch binnen 
noch buiten de landpalen" 1 ). 

Afgezien van het woord „diefstal", dat den „leek op rechtsgebied 
misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen valt er tegen 
deze beschouwing m. L niets in te brengen. De artikelen 2 en 28 
onzer wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten indei- 
daad eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht 
een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving ie genoemd ) 
dat nh voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed 
gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen waar het geldt 
de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden 
Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt 
aangevoerd het Mang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buiten 
landsche werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang 
wordt - ik heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184) 
Tor degenen die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uit- 
gemeten ; bovendien vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de 
Tal die door een groot aantal andere Nederlanders wordt geleden 
tengevolge van het stelsel van „vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd 
^ meen mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd,. 



1) Paleis van Justitie 9 Aug. 1898. 

2) Mr. J. P. Moltzbr, W. v. h. B. no. 7154. 



307 

niet te moeten mengen Stelt men zich op het standpunt, dat ik 
gepoogd heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht 
als integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is 
van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten 
en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder 
eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang 
van sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te 
erkennen, niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten 
leggen belangen geen gewicht in de schaal. 

Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming 
van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat 
vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden, 
daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou 
worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. 
Er zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om 
in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt, 
dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van 
moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door 
Fichte ook reeds zoo ingezien; zn'ne meening over buitenlandschen 
nadruk illustreerde hij met de volgende vergelijking: 

„Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr 
der hollandischen Haringe in seine Staaten zu verbieten : wer könnte 
ihm dies abstreiten? Aber hatte er darum auch wohl das Eecht 
gehabt — da hollandische Haringe sich nun einmal nicht nachdrucken 
lassen — Kaper auszusenden, welche den Hollandern aufpassen und 
ihnen ihre Haringe abnahmen?" 2 ) 

De naam „roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis 
aan bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, 
schijnt in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand 



1) De voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover reeds is 
geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men zie hierover o. a. : Mr. 
L. J. Plemp vaït Dutveland, de Gids 1896 III pp. 385 sqq. en Onze Eeuw 1909 
I pp. 102 sqq.: Herman Robbers, Pro en Contra, serie 1 no. 10; en de Gids 
1908 IV pp. 541 sqq.; J. G. Robbers Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds 
genoemde geschriften van Mr. J. D. Veegens, J. H. Kok en J. Mosmaïts, en 
het, eveneens reeds genoemde, Rapport der Commissie aan de Vereeniging van 
L etterkundigen. 

2) J. G. Fichte, Beweis dér Vhrechtmassigkeit des Bückemacïidrucks t. a. p. p. 238. 



308 

nog tot onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet veront- 
schuldigd, dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dyn 
op het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend 
is en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen 
dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken zijn 
ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel het inter- 
nationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht, dat vrijwel alle 
staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer van eenige beteekenis is. 

Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, 
zou met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor 
onze toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde 
woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld 
„Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen 
vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van onze 
aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet al te zeer be- 
hoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in hetzelfde 
artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht is gevestigd. 

Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze 
aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt, 
wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee in 
getal. 

In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de 
Berner Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. „Het ontzien 
van een anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet 
afhankelijk zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig 
tegen te zeggen, en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing 
van het vraagstuk der internationale auteursbescherming zou zeker 
hierin bestaan, dat in de wetten van alle landen eene bepaling werd 
opgenomen als die van art. 16 van de loi-type der Association : „Deze 
wet is toepasselijk op alle auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit 
zij behooren en waar ook het werk voor het eerst verschenen zij." 
Misschien, dat het eenmaal nog zoover komt en in dat geval zal de 
Berner Conventie overbodig zijn geworden; doch voorloopig blijft er 
één groot bezwaar tegen dit stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk 
maakt, dat zoo weinig staten het tot nog toe hebben willen aan- 
vaarden nl. de belangrijke verschilpunten tusschen de verschillende 



1) Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd (art. 39). 



309 



wetgevingen. Mr. Levy merkt op, dat het gebod: gij zult niet stelen, 
in gansch de beschaafde wereld geldt en in de helft der onbeschaafde 
wereld. Dit moge waar zijn ten opzichte van den eigendom van 
lichamelijke goederen; met betrekking tot auteursrecht is hiermede 
echter te veel gezegd. Het auteursrecht verkeert te dien opzichte 
nog in een toestand, die te vergelijken is met dien van den privaten 
eigendom voor een paar duizend jaar. In de „beschaafde wereld", d.i. 
binnen het gebied der Berner Conventie, vindt de auteur voldoende 
bescherming, zij het dan ook niet overal in volkomen gelijke mate. 
Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog veel te wenschen 
over en treft men nog de zonderlingste opvattingen over het recht 
der auteurs aan. Het is daarom met te verwonderen, dat tot toe- 
treding tot de Berner Conventie alleen die staten worden toegelaten, 
die althans een minimum van bescherming aan hun eigen onderdanen 
verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de onderdanen 
der andere aangesloten rijken te doen genieten. 

Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft 
het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op grond 
van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft voort- 
gebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier niet 
meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren, dat de 
vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit andere 
landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote meerderheid 
der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van het 
auteursrecht wordt beschouwd. Onder de „zonderlinge opvattingen" 
over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook 
in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht, want 
aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur van een 
buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets, evenmin 
trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den Oosten- 
rijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos zijn 
horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te 
laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: 
wij erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt 
u niet meer terug; door de „zelfstandige arbeid", die ik er aan ver- 
richt heb, is het het mijne geworden ? En wat te zeggen van iemand, 
die met een dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben 
te verklaren : in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom 



310 



ben ik tegen het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt ? 

Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het 
punt van uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om 
op het gebied van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking 
van het beginsel, dat het geheele internationale privaatrecht van 
onzen tijd beheerscht en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht 
voor vreemdelingen als voor Nederlanders, is: toetreding tot de 
Berner Conventie. Dat deze weg vroeg of laat zal worden ingeslagen, 
is mijne vaste overtuiging. Nu eene dergelijke krachtige internationale 
organisatie eenmaal bestaat en nu daarmede resultaten zijn bereikt, 
waartoe men langs anderen weg waarschijnlijk nooit had kunnen 
komen, is het voor een klein land als het onze op den duur met 
mogelijk, zich daar verre van te houden. 

De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het ge- 
leerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten 
eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote betee- 
kenis van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat 
zij de vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts 
voor zich en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijk- 
vormigheid der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst 
toen zij zich hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die 
zich in deze materie voordoen, onder de oogen te zien, was ver- 
andering hierin mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen 
op te sporen, die onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het 
auteursrecht ten grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing 
dezer beginselen zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief 
resultaat. Nog is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de 
voorbereiding en later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft 
gesteld, en het zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, 
alvorens in alle aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken 
een gelijk recht bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een 
reden te meer, om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang 
dit niet is geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te 
lande zich in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde 
staten, zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe 
langer hoe moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de 
mogelijkheid, om invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang 
van het internationaal auteursrecht. 



311 



Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na 
de jongste verklaringen der Kegeering voor aanstaande mag worden 
gehouden, mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner 
Conventie te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, 
waarvan de algemeene strekking in de historische inleiding is weer- 
gegeven, kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland 
eenmaal deel uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne 
toch al geringe beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. 
Voorzoover zij nog op een enkel punt toepassing zullen kunnen 
vinden, zal dit bij de bespreking van de desbetreffende bepaling dei- 
Conventie worden vermeld. 

Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te 
gaan, is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop 
onze wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt. 

Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der toe- 
passelijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen 
worden. 

Het eerste systeem, het nationaliteüs-stelsel, neemt als criterium 
aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt 
dus alleen werken van auteurs die tot het Eijk behooren of in het 
Rijk woonachtig zijn. 

Het tweede systeem richt zich' niet naar de subjecten, maar naar 
de objecten van het recht ; het vraagt niet naar de nationaliteit of 
woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen 
la nationalüé de Voeuvre. De „nationaliteit van het werk" kan weer 
op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten 
afhangen van: 

a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen; 

b) de plaats, waar het werk is ontstaan; 

c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is 
op- of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is 
gehouden. 

Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. 
sporen te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881. 

Het beginsel van de „nationaliteit van het werk" geldt in de eerste 
plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is 
alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en 



312 

door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den 
auteur doet dus niet ter zake. _ 
Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is he andere 
stelsel gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, mdien 
7ii afkomstig zijn van in Nederland woonachtige auteurs. 
\ e r a "zfen der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderde 
regeling- deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige 
auteurs afkomstig zyn, door de wet beschermd voor zoo ver zrj m 
Nederland zün gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van he 
slot van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds 
door Mr Veegens gewezen Met dezen schrijver ben ik van oordeel, 
dat de uitdrukking .daaronder begrepen" niet tot de opvatting mag 
leiden dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden 
onder de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, 
wanneer zii aan beide genoemde vereischten voldoen, dus behalve 
afkomstig van een in Nederland woonachtig auteur, bovendien m 
Nederland gehouden zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk 
aan één der beide vereischten voldoet, dus óf afkomstig van een m 
Nederland wonend auteur, óf binnen Nederland gehouden. Uit hetgeen 
Mr Veegens over deze bepalingen opmerkt, meen ik op te maken, 
dat deze schrijver alleen het laatstgenoemd vereischte hier m aan- 
merking wil laten komen. Volgens deze opvatting zou dus b.v. een 
te Londen gehouden voordracht, van iemand die in Nederland woont, 
niet beschermd zijn door onze wet. Naar mijne meening is echter 
de andere, boven gegeven interpretatie juister: is de voordracht m 
het buitenland gehouden, dan wordt zij behandeld als alle andere met 
door den druk gemeen gemaakte werken. Zoo verkrijgt ook de uit- 
drukking „daaronder begrepen" althans eenigen zin. 

Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide boven- 
genoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de plaats 
waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken bestaat 
echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden bestond, de 
op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het uitspreken eener 
voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste op- en of uitvoering 
is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer wet van geene beteekenis 
Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een voordracht, tooneel- of 



1) T.a.p. p- 169. 



313 



muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de plaats waar dit is ge- 
schied beslissend wordt, daar het werk hierdoor gaat behooren tot 
de groep „door den druk gemeen gemaakte werken". 

Er doet zich hier nog eene - ook door Mr. Veegens besproken - 
moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Een 
onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in Nederland woonachtig 
auteur valt niet onder de bescherming onzer wet. Wordt het stuk 
echter in Nederland gedrukt en uitgegeven, dan beschouwt onze wet 
het wel als een Nederlandsch werk. Volgens Mr. Veegens zal nu een 
dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen opvoering be- 
schermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht bij het in 
druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk wordt voor- 
behouden. „Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die 
uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag 
haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet bezit" '). 

Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, 
die een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoerings- 
recht zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk 
behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het 
ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een 
voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uit- 
sluitend vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden 
voorbehouden, en dat de auteur dit in het hier besproken geval met 
vrucht zou kunnen doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden 
betwist. Het voorbehoud schept het opvoeringsrecht niet; door de 
uitgave in Nederland wordt het werk gerangschikt onder de be- 
schermde auteursproducten en daardoor alleen ontstaan alle den 
auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook het opvoeringsrecht; 
het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht, hetwelk in dit geval 
tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan, het voortbestaan 
mogelijk te maken. 

Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop 
in de wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover 
verschil van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van „in 
Nederland of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen 
gemaakte werken". Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de 



1) T.a.p. p. ITO. 



314 



eerste uitgave in Nederland of Nederlandsch-Indiê plaats heeft gehad. 
Is een boek in het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende 
uitgave in Nederland geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd 
zal eene tweede uitgave in het buitenland van een hier verschenen 
werk het auteursrecht niet opheffen. 

De eerste uitgave beslist dus over de „nationaliteit" van het werk 
en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het 
auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet bepaald l ) ; 
eene andere uitlegging zal echter wel door niemand worden voor- 
gestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen den zin van 
den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus) geen 
auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan. 

Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch- 
Indië; waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van „Neder- 
land" heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië 
worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën 
vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied; het 
eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat de 
formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie 
moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie 
te Batavia. 

In Suriname en Curacao bestaat eene afzonderlijke regeling van 
het auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende 
(X. Ben. van 11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en 
dezelfde wet is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo 
nauw als met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche 
■wet wordt in West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan 
Suriname en Curacao gelijk met het buitenland. 

De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der 
wet van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid 
tusschen gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoon- 
gesteld) en niet gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle 
werken van beeldende kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland 
of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, 
dat de wet van 1881 alleen voor niet door den druk gemeen gemaakte 
werken huldigt. 



1) Wél b.v. in de Duitsctae wetten (wet van 1901 §35, wet van 1907 §30). 



315 



Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van 
het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in 
Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn. 

Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de 
Oost-Indische koloniën met het moederland. 

Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het 
duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons 
land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze 
tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men 
deze tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht 
erkend dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. 
J. P. Moltzer x ) opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene 
uitzondering op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; 
want al is de nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht 
volgens onze wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn 
toch van dien aard, dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming 
zijn uitgesloten. Jk heb er reeds op gewezen, dat de loi-type van de 
Association eene regeling geeft, die beter met de thans geldende 
beginselen van internationaal privaatrecht in overeenstemming is 2 ), 
doch dat deze regeling in het stadium van ontwikkeling, waarin het 
auteursrecht thans nog verkeert, weinig kans heeft algemeen te 
worden toegepast. Verreweg de meeste wetgevingen zijn, evenals de 
onze, nog in hare werking beperkt tot een bepaalden, van nationaliteit 
of woonplaats van den auteur of van de plaats van verschijnen van 
het werk afhankelijken kring; en zoolang de volkomen gelijkstelling- 
voor de wet van alle werken, onverschillig waar zij zijn uitgekomen 
of tot welk land de auteur behoort, voorloopig tot de onbereikbare 
idealen blijft behooren, zal men met dit stelsel genoegen moeten 
nemen. Doch afgezien van dit principieele bezwaar, hetwelk trouwens 
door internationale overeenkomsten grootendeels kan worden opge- 



1) W. v. h. E. no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene andere 
opinie (no. 7149). 

2) Reeds in 1853 noemde Blthstschli de volkomen gelijkstelling van vreemde 
auteurs en werken met de nationale .die einfachste und gerechteste Lösung" 
welke aan dit vraagstuk kan worden gegeven. Kritische Ueberschau der deutschen 
Gesetzgebxtng und Rechtswissenschaft I p. 26. 



316 



heven, geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding tot enkele kritische 
opmerkingen, die ik hier wil laten volgen. 

In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat 
voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het 
uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze be- 
paling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél in 
het Ontw. Boekh. (art. 5a) en in de wet van 1817 (art. 6a) voor. In 
laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als eisch gesteld, dat 
de uitgever Nederlander was (art. 66). Men nam de bepaling tenslotte 
nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, dat de uitdrukking 
„door den druk gemeen gemaakt" tot verwarring en onzekerheid aan- 
leiding zou geven. Door er bij te voegen, dat het werk in Nederland 
moet zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat een buitenlandsch 
schrijver of uitgever hier auteursrecht zou kunnen verwerven, alleen 
door een gedeelte der oplage op het titelblad van den naam van een 
Nederlandsen uitgever te voorzien; waardoor immers het werk in 
Nederland zou zijn uitgegeven of „door den druk gemeen gemaakt." *) 
De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kun- 
nen genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het 
komt mij echter voor, dat het „gevaar", dat hier dreigde, vrijwel 
denkbeeldig was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens 
naam op het titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een 
strooman bleek te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om 
in een dergelijk boek een in het buitenland door den druk gemeen 
gemaakt werk te zien; indien men echter met een werk te doen 
heeft, dat, zooals meermalen voorkomt, door de samenwerking van 
verschillende uitgevers werkelijk tegelijk in verschillende landen ver- 
schijnt, zie ik niet in waarom zulk een werk, waarin ook een Neder- 
landsen uitgever zijn aandeel zou hebben genomen en waarvoor hij 
hier op eigen risico adverteerkosten zou hebben gemaakt, hier te 
lande volgens het aangenomen stelsel der wet niet onder de be- 
scherming der wet zou mogen vallen. 

Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de 
vereischten „in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk-gemeen 
gemaakt" en „gedrukt" beide te stellen sloot men onherroepelijk 



1) Cf. het Voorloopig verslag. Handel. Tweede Kamer 1877 — 1878 Bijlage 
25 no. 7 p. 9. 



317 



van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden 
niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men 
stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou 
worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, 
nergens bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd 
kan worden als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, 
springt in het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een 
straf worden aangewend tegen dengeen die zich liever door een 
buitenlandschen dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. 
In deze lijn voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen 
stellen, dat de letters en clichés, waarvan men zich bij het drukken 
bedient, in het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde 
Staten is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zooge- 
naamde manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle 
schrijvers over auteursrecht ten scherpste afgekeurd. 

Wil men dus het stelsel van de „nationaliteit van het werk" voor 
door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient 
deze alleen bepaald te worden door de plaats van verschenen, d. i. 
de plaats waar het boek in den handel wordt gebracht. Waar het 
boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. „Het feit der 
vermenigvuldiging door den druk", schreef Mr. de Ridder reeds zeer 
terecht, „is slechts de gewichtigste der voorbereidende handelingen, 
die tot het „in het licht verschijnen" leiden kunnen l ). 

Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhan- 
kelijk stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als 
criterium genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de 
woonplaats hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit 
hiervoor, dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige 
gevallen Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet be- 
scherming vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland 
verblijf houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteurs- 
recht kunnen hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige 
aansluiting bij de Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet 
aanbeveling verdienen, zooals hieronder nader zal worden uiteengezet. 

Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze 
wet gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouw- 



1) Eenige heschowvingen over kopierecht p. 214. 



318 



baar criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats 
tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit ver- 
andert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet aan 
eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen 
tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne 
nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens 
het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven. 

Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling 
van het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is 
op in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. 
Waar een kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet 
gelukkig) zal dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is 
niet onmogelijk dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer 
dan één land heeft gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, 
waarom een in ons land ontstaan kunstwerk daarom als een Neder- 
landsch werk zou moeten worden beschouwd; de plaats waar de 
kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor in dit opzicht van geene 
beteekenis te zijn. 

Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, 
zijn de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, hout- 
sneden, photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften - 
in één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging - zijn 
in dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen. 

Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie zijn 
bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen zijn te 
rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere betee- 
kenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie is 
openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet 
kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een 
Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar 
tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken, ook in 
de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het boven 
dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst 
reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker 
zal zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan. 



319 



§ 2 De Berner Conventie 

Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de 
laatste herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in 
de plaats gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele 
Acte en de Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Con- 
ventie-bepalingen alle kracht te ontnemen. 

De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het Verbond 
behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te be- 
krachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te treden. 
Zij kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan deel 
blijven uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze 
staten blijft de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. 
Bovendien kunnen alle staten — ook degenen die zich eerst na de 
Berlijnsche conferentie aansluiten — bij de bekrachtiging der nieuwe 
Conventie verklaren, dat zij op bepaalde punten niet door de nieuwe 
maar door de oude bepalingen gebonden wenschen te zijn. Voor de 
nieuw-toetredende staten bestaat dus ook de mogelijkheid om géén 
der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden en uitsluitend krachtens 
de Berner Conventie van 1886 (al dan niet met de wijzigingen die 
zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid te worden van het Ver- 
bond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen, dat eene dergelijke handel- 
wijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in strijd zou zijn met de 
bedoeling van de voorstellers der bepaling in Berlijn : „il faut espérer 
cme les États adhérants n'abuseront pas de ce pouvoir de faire des 
réserves" wordt in het commissie-rapport x ) dienaangaande opgemerkt ; 
eene verwachting, die men zeker niet onredelijk kan noemen. 

Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs 
zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen 
zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie. 

Wij hebben dus te onderscheiden: 

I De Berner Conventie van 9 September 1886, bestaande uit : 

a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen; 

b) een additionneel artikel; 

c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde 
onderwerpen eene nadere regeling inhoudt; 



1) Actes 1908 p. 273. 



320 



II Be Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in 
vier artikelen: 

art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20 der Benier 
Conventie; 

art., 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4); 

artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen ; 

III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging 
geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der Addition- 
neele Acte van Parijs; 

IV De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande 
uit dertig artikelen. 

Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde 
der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken 
ik verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen 
uit de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol, 
Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake 
komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben. 

Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der 
Conventie 1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een 
viertal groepen verdeeld, als volgt: 

a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in 
het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1 ; de werken 
waarop de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, 
volgens hetwelk omvang en duur der bescherming zijn geregeld 
artt. 4, 5, 6 en 7); 

b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht 
art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10; 
op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mecha- 
nische muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14); 

c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie 
voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16); 

d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht 
van iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften 
of kunstwerken te verbieden art. 17 ; overgangsbepalingen art. 18 ; 
de geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de 



Conventie artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het 
Verbond artt. 21 — 24 ; toetreding van nieuwe staten en hunne 
koloniën artt. 25 en 26; bekrachtiging, inwerkingtreding en 
opzegging artt. 27-30). 

a Algemeene regelen 
betreffende het internationaal auteursrecht in het Verbond 

I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 
art. 1; Conv. 1886 art. 1) 

Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd 
is gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen 
als een korte inleiding van hetgeen volgt ; in hoofdtrekken geeft het 
het doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt. 

Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende 
men eene hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige 
Conventie zou geven 1 ). Als voorbeelden werden daarbij verscheidene 
malen genoemd de Post-Unie en het Verbond tot bescherming van 
den industrieelen eigendom. 

Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs ver- 
leent, is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange be- 
raadslaging eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt 
gesproken van de „beschermiag van de werken van letterkunde en 
kunst." De term droits d'auteur werd verworpen, omdat men daar- 
onder in Frankrijk verstaat het recht op tantièmes van een dramatisch 
schrijver bij de vertooning van zijn stuk, en propriété littéraire et 
artistique, de in Frankrijk gebruikelijke benaming voor auteursrecht, 
omdat dit juridisch minder juist werd geacht en tot verkeerde gevolg- 
trekkingen (aanvaarding van de theorie van den letterkundigen 
eigendom) aanleiding zou kunnen geven. Doch er werd uitdrukkelijk 
geconstateerd, dat de gekozen uitdrukking (protection des oeuvres 
littéraires et artistiques) dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire 
et artistique bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht 
en het Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht. 



1) Cf. : Actes 1885 p. 20 



21 



i an waaroü de Conventie van 
II De werken, waarop 

aI tt 4 e„ 6, Slotp, *». 1 en 2; AM. Acte 1896 

art. 2, I) 

0 «iMniVkina werken van letterkunde en kunst", 
De algemeene uitdrukkin* „wei beschermde pro- 

waarmede in het eerste artikel der natuurlijk 
ducten worden aangeduid, zou zonder nadere 0 ^ sch ^J o om _ 
voor zeer verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere 
voor zeer ver g86 t in het vierde artikel gaf, is 

w k en de velerlei bespre- 

alte even volledig; wat m bet eene , land « s o^c 

over eens is geweest, dat zijn: 

!.. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen teim 
ook hierboven heb gebruikt) ; 
2 o de platen en kaarten van wetenschappelijken of techmschen 
3 o de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst; 
4 o'. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen, 
beeldhouwwerk enz.). r nn ventie 
A1 to e cateren ^XZ"^^ 

onvoorwaardelijk toepasselijk was. aanleiding 



323 



bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van kunst- 
nijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels in 
't geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale bescher- 
ming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij geleidelijk 
met de overige beschermde werken gelijkgesteld. 

In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook 
bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere be- 
werkingen alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler 
was weliswaar reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch 
onder de opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. 
Er was hieraan een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, 
afgezien van de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog 
enkele andere bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds 
terugkom. 

De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek 
auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde 
stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn 
vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede 
lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf 
in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier, maar 
onder artikel 14 bespreken. 

Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de 
Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonder- 
heden worden beschouwd. 

In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de 
beschermde producten zijn gerekend, dus: 

Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken 
van beeldende kunst — Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaan- 
gaande de volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 
is overgenomen: 

De uitdrukking «werken van letterkunde en kunst" omvat: boeken, 
brochures en alle andere geschriften; dramatische of dramatisch-muzikale 
werken, muziekstukken met of zonder tekst; teekeningen, schilderijen, 
beeldhouwwerken en gavures; lithographieën, illustraties, landkaarten; 
geographische, topographische, bouwkundige of in het algemeen weten- 
schappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen ; . . . 



324 



Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene 
aanduiding : 

ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of kunst- 
gebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk of van 
eenige andere wijze van reproductie. 
De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding 
heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m.a.w. 
of de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke 
er in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der lands- 
wetten beschermd moeten worden, dan wel of de internationale be- 
scherming voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de 
landswetten onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend 
worden. De eerste meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende 
zijde 1 ), vernomen; er is o. a. voor aan te voeren dat die categorieën 
van werken, waarvan de bescherming niet in het geheele Verbond 
verplichtend was gesteld, nl. photographieën, werken der bouwkunst 
en choregraphische werken, niet in het artikel zijn genoemd, maar 
dat de Conventie daarvoor afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit 
heeft men afgeleid, dat artikel 4 alleen die werken noemt, welke 
beschermd moeten zijn. Andere schrijvers nemen aan, dat dit 
voor het minst het geval is ten aanzien van de met name in het 
artikel genoemde werken ; niet ten aanzien van die werken, welke 
met meer algemeene termen aan het slot van het artikel worden 
aangeduid 2 ). 

Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. 
Zij is niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, 
zooals dat in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen om- 
schreven is. Immers indien men aanneemt, dat alle werken, welke 
in art. 4 worden opgesomd, in het Verbond beschermd moeten zijn, 
ook al zijn zij niet beschermd volgens de wetgeving van het land 
van herkomst of van die van het land, waar de bescherming wordt 
ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen van artikel 2 niet veel 
meer over. In het eerste lid van dit artikel staat uitdrukkelijk voor- 



1) Cf. o.a.: A d'Oeelli, D. A. 1889 p. 2; 1891 p. 15. 

2) Cf.: Rötbxisbebgeb t. a. p. p. 149 en de daar genoemde schrijvers. Men 
zie ook de verklaringen op de Conferentie van 1885 van de afgevaardigden 
Reichaedt, d'Orelli, Renault, Lavollée en Lagerheim, Actes 1885 p. 22. 



325 



geschreven dat ia elk der verbondslanden de bescherming wordt 
genoten „welke de betreffende wetten den inlandschen auteurs nu ver- 
leenen of in het vervolg verleenen zullen". Voor de vervulling dei- 
voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening van den duur 
van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd artikel 
naar „de ivetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig is". 
Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder nog 
zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor 
werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, 
waar men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de bescher- 
mende bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op 
dezen algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze 
dan ook in sommige artikelen der Conventie aan (o.a. wat betreft - 
het uitsluitend vertalingsrecht, geregeld in art. 5) ; doch uit niets 
blijkt, dat ook met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, 
en er bestaat nog des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit 
artikel niet op een bepaald onderdeel der bescherming of op eene 
bepaalde categorie van auteursproducten betrekking heeft, maar in- 
tegendeel op alle werken, die voor bescherming door de Conventie 
in aanmerking komen. Ik meen dus, dat in de opsomming van art. 4 
Conventie 1886 niet anders moet worden gezien dan eene nadere 
omlijning van het, min of meer vage, begrip dat de woorden „werken 
van letterkunde en kunst" in den titel en het eerste artikel der 
Conventie aangeven. Het artikel leert ons, welke de werken zijn 
die — volgens de regelen en onder de voorwaarden, welke de twee 
voorgaande artikelen stellen - in het Verbond beschermd zullen worden. 

Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het 
behoort tot degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf 
nog niet genoeg om het de bescherming der Conventie 1886 deel- 
achtig te doen worden; het moet daarenboven zoowel in het land, 
dat door de Conventie als land van herkomst wordt beschouwd, als 
in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, beschermd zijn. 

Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis 
mist, en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de 
reeds bij de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene 
stellige verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die 
moeilijk kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen 'met 
dit artikel in overeenstemming dienen te 'brengen of te houden. En 



326 



in het algemeen kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook 
steeds heeft bestaan. 

Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de 
Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel van 
niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van artikel 
25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie 1886). Hier 
staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden, „die (op 
hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten, die 
het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken." De toetreding kan 
dus worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de 
hoogte is, welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van 
de in artikel 4 genoemde werken niet beschermd zijn. 

Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin 
zou worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld 
zou moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Neder- 
landsche, die de geheele rubriek „werken van beeldende kunst" 
onbeschermd laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare 
autoriteit op dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van 
Berlijn) o. a : 

So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner 
Union beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei 

sich verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an , 

dass vor dem Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten 
die Landesgesetze auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 
zu bringen seien." 

Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij: 

„Man erachtet es in Holland als selbstverstandlich, dass die dortige 
Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren 
sei, bevor dieses Land in die Union trete. Eine Stellung, wie sie 
Holland in der gewerblichen Union einnimmt, der es angehört, ohne 
Erflndungsschutz zu besitzen, ware in der Literarunion nicht denkbar" 1 ). 

Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons 
land het toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang 
de werken van beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de 
overige werken betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 



1) BöTHLIBBEBGER t. a. p. p. 150. 



327 



der Conventie 1886. De „boeken, brochures en alle andere geschriften" 
van dit artikel zouden alle vallen onder de „geschriften" van artikel 1 
onzer wet. Verder zijn ook in onze wet beschermd: „dramatische of 
dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst" l ). 

Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet 
is verheven, dan zou ook de uitdrukking „werk van beeldende kunst" 
in artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, wat in de Conventie 
wordt aangeduid met de woorden: „teekeningen, schilderijen, beeld- 
houwwerken en gravures" en waarschijnlijk ook de „lithographieën" 
(waaronder ook gerekend moeten worden de chromo-lithographieën) 2 ) 
en „illustraties", die de Conventie daarna nog noemt. Alleen de 
„landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het 
algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische model- 
len" zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken behooren, 
zooals ik in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de werken van 
beeldende kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. B. K. 
(§ 2 p. 4) wordt wel gezegd: „Het spreekt echter van zelf, dat de 
namaak van bouwkundige teekeningen wel in de termen van de wet 
valt; immers bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz." Doch 
dit is eene verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed 
zeggen (al gaat natuurlijk overigens de vergelijking niet op): „een 
huisschilder is een schilder enz." Platte gronden, doorsneden en 
dergelijke moge men teekeningen kunnen noemen, werken van 
beeldende kunst zijn zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen 
bescherming, dan zouden zij nog kunnen behooren tot de „plaat- en 
kaartwerken" van art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen 
uitdrukking onzer wet is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg 
gezegd. Indien men haar, wat te verwachten is, vóór onze toetreding 
tot de Conventie uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. aanbeveling 
verdienen, in de plaats daarvan de - misschien wat omslachtige, 
maar in elk geval duidelijke en volledige - termen der Conventie 
over te nemen, dus: „landkaarten, geographische, topographische, 



1) Over het uitvoeringarecht van muziekstukken, dat in onze wet onbreekt, 
wordt hieronder bij de behandeling van art. 11 der Conventie gesproken. 

2) Dit werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. D. A. 1899 pp. 130 sqq.) maar kan 
toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de besliste uitlating dien- 
aangaande in de motiveering der Duitsche herzieningsvoorstellen, Actes 1908 p. 41. 



328 



bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen 
en plastische modellen". 

Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de 
staten die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken 
werken in hunne wetgeving bescherming veiieenen. In artikel 2 
der Conventie 1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk 
te maken, uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel 
luidt : 

De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der boven- 
genoemde werken te verzekeren. 
Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat 
wel zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in 
het geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog 
mogelijk was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit 
punt met goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het 
Verbond, zou nü een dergelijke staat de Conventie schenden, indien 
niet ten spoedigste in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd 
gebracht. 

Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende 
soorten van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) 
opsommen, slechts als voorbeelden zijn genoemd van „producten op 
letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of 
op andere wijze gepubliceerd kunnen worden." Kan dus een werk 
tot de laatstgenoemde producten gerekend worden, dan geniet het 
ook de bescherming der Conventie, al is het niet onder een van de 
met name genoemde rubrieken onder te brengen. Door eene redactie- 
wijziging heeft men deze bedoeling (die men trouwens van den aan- 
vang af ook met het oude artikel 4 gehad heeft) in het nieuwe 
artikel 2 duidehjker uitgesproken. Van groot practisch belang is dit 
echter niet, want in de eerste plaats blijft er na de vrij volledige 
opsomming niet veel meer over, dat gerekend zou kunnen wórden 
tot de producten op letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, 
die door den druk of op andere wijze gereproduceerd kunnen worden *) 
(behoudens natuurlijk de werken, die hierboven afzonderhjk zijn 



1) Het eenige zou misschien kunnen zijn: mondelinge voordrachten, voorzoover 
deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is dit wel het geval, dan 
behooren zij ongetwijfeld tot de „geschriften", die in het artikel worden genoemd. 



329 



genoemd en die zoo aanstonds besproken zullen worden: photogra- 
phieën, choregraphische werken, werken der bouwkunst en producten 
van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou uit deze min of 
meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare aanduiding m. i. 
moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, nóch voor een staat 
(om zijne wetgeving te veranderen) nóch voor den rechter (om tegen 
de wet van zijn land in de bescherming van een werk te erkennen). 

Photographieën — Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4 
Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, 
omdat zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. 
Daar men echter de internationale bescherming van dit recht, daar 
waar het wél door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk 
wenschte te maken, werd in het Slotprotocol n°. 1 de volgende bepa- 
ling opgenomen: 

Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de verbonds- 
landen, die aan photographieën bet karakter van kunstwerken niet ontzeggen, 
zich verbinden aan deze werken de bepalingen der heden gesloten overeen- 
komst van haar in werking treden af ten goede te doen komen. Zij zijn 
overigens, afgezien van bestaande of nog te sluiten internationale ver- 
dragen, slechts gehouden de genoemde werken te beschermen in die mate 
als hunne wetgeving dit toelaat. 

Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt, om auteurs- 
recht op photographieën in te voeren, daar waar het niet bestaat. 
Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die aan photographieën 
het karakter van kunstwerken niet ontzeggen, worden gedwongen 
dit recht, volgens de bepalingen der Conventie, ook aan de photo- 
grafen van andere Verbondslanden te verleenen, zelfs aan degenen, 
die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit laatste is eene uit- 
zondering op het stelsel der Conventie 1886, volgens hetwelk de 
internationale bescherming slechts aan die werken ten goede komt, 
welke in hun eigen land (d. w. z. het land waar zij het eerst gepu- 
bliceerd zijn of dat, waartoe de auteur behoort) tot de beschermde 
producten worden gerekend. Voor het overige is echter de photo- 
graphie-bescherming aan dezelfde regels gebonden, die de Conventie 
1886 ten aanzien van alle andere werken inhoudt (b.v. wat betreft 
de vervulling der voorwaarden en formaliteiten in het land van 
herkomst en de berekening van den duur van het recht) ; daar er 
niet een speciaal recht ten behoeve der photografen is in het leven 



330 

geroepen, doch slechts de verplichting gestipuleerd om hun „de be- 
palingen der Overeenkomst ... ten goede te doen komen" l ). 

De Additionneele Acte van Parijs (art, 2, 1) bracht in deze bepaling 
van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den 
ouden tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit 
andere Verbondslanden te beschermen, die daaraan „het karakter 
van kunstwerken niet ontzeggen". Volgens deze bepaling was dus 
b.v. Duitschland, waar vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën 
wel beschermd waren, doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken 
van beeldende kunst (dus niet als „kunstwerken"), niet verplicht aan de 
photographieën uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen. 
In Parijs werd nu de bepaling zoodanig gewijzigd, dat de veplichting 
wordt opgelegd aan alle staten die de photographieën beschermen, 
onverschillig of deze al dan niet als kunstwerken worden beschouwd. 

Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën 
op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring 
(onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel, 
dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het 
land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën 
toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze 
uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op, 
om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken. 

Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook 
in de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling 
in, dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met 
toestemming van den rechthebbbende zijn vervaardigd, even lang 
beschermd zijn in het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze 
bepaling strekte dus niet ter bescherming der photographie als 
auteursproduct, maar ter bescherming van het kunstwerk tegen in- 
directe reproductie. Immers het recht, dat de photograaf in het 
bedoelde geval zou kunnen doen gelden, is niet het door hemzelf 
gevestigd auteursrecht, maar dat van den schilder, teekenaar, beeld- 
houwer enz. hetwelk hem door dezen is overgedragen. In dit nummer 
van het Slotprotocol, waar het auteursrecht van den photograaf was 
geregeld, was de bepaling daarom niet op hare plaats. Bovendien 



1) Men zie hierover: EöTHLISBEEGEE fcjup. pp. 150 en 169; D- A. 1895 p. 91 
en 1899 pp. 1 en 65. 



331 

was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet bestond zou het 
verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke photographie 
tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk nl. op het 
recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want men 
is het er algemeen over eens, dat eene reproductie — van een 
schilderij b.v. - ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, 
wanneer zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar ge- 
maakt is met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie. 

De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat 
aldus luidt: 

De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en op 
werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende Landen 
zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren. 

De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol n°. 1 tweede lid en 
Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weg- 
gelaten. 

Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der 
photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht zijn 
zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid van 
artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar opge- 
somde „werken van kunst en letterkunde" willen noemen, omdat men 
de vraag, of de photographieën al dan met tot de kunstwerken ge- 
rekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat 
wordt vrijgelaten de photographieën te qualiflceeren zooals hij wil, 
mits hij ze maar beschermt. 

De invoering van de verplichte bescherming der photographieën 
hield de vervulling in van een der „wenschen" welke op de Con- 
ferentie van Parijs waren uitgesproken, nl. : „dat in alle Verbonds- 
landen de wet bescherming moge verleenen aan photographieën en 
aan werken, die met een soortgelijk procédé zijn verkregen." i) Doch 
het tweede deel van dezen wensch : „dat de duur dezer bescherming 
minstens vijftien jaren moge bedragen", heeft men op de Berlijnsche 
Conferentie niet kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het nut 
inzag van een uniformen termijn, heeft men zich toch genoodzaakt 
gezien de beslissing over den duur der bescherming aan de wet van 



1) Actes 1896 p. 145. 



332 



elk land over te laten. De desbetreffende bepaling vindt men in 
artikel 7 derde lid Conventie 1908; ik laat haar daarom hier verder 
onbesproken. 

De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat 
stelt ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in 
het kort aldus worden samengevat. 

Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie 
1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende staat 
krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te beschermen. 
Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet, óf in het 
tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten invoeren; 
deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de photographieën 
uit alle andere Verbondslanden gelden. 

Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan 
is de eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. 
Acte van Parijs (art. 2, I B eerste üd). Men neemt dan niet de ver- 
plichting op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk 
in te voeren, doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal 
evenals in het vorige geval die bescherming ook voor de photogra- 
phieën uit de andere Verbondslanden gelden. 

Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de 
wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die 
wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de 
internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar 
de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunst- 
werken worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit 
het geval is of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te 
voeren, zou het bij toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, 
de oude bepaling van het Berner Slotprotocol boven die van de Add. 
Acte te verkiezen. Doch wat zou men hiermede bereiken? Dat men 
in dat land de eigen photografen zou kunnen beschermen, zonder die 
uit de andere Verbondslanden van die bescherming te laten genieten, 
terwijl omgekeerd in die andere landen de eigen photografen wél 
beschermd zouden zijn. Een systeem dus van niets geven en alles 
ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou schamen te aanvaarden. 
Dit zou met recht een misbruik maken genoemd kunnen worden 
van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908 aan de staten 
die wenschen toe te treden, laat! 



333 



Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan 
de Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke 
de Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats 
te geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën 
van alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in 
de wet uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd 
(Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; 
in Duitschland, Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteurs- 
recht daarover speciale bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco 
en Spanje worden zij in de wet met name onder de kunstwerken 
genoemd); terwijl b.v. in Frankrijk, Italië en België, ondanks het 
ontbreken van uitdrukkelijke wetsbepalingen, door de jurisprudentie 
een auteursrecht op photographieën wordt erkend Hoogstwaar- 
schijnlijk zullen dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken 
van het Verbond, het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen 
van de Berlijner Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er tegen 
heeft verklaard) 2 ) ; voor een nieuw toetredenden staat, wiens onder- 
danen dus in de geheele Unie de photographie-bescherming zullen 
kunnen inroepen, brengt deze omstandigheid m. i. wel eenigszins de 
moreele verplichting mee om, zoo dit eenigszins mogelijk schijnt, die 
bescherming ook bij zich in te voeren. 

Choregraphische werken — Ten aanzien der choregraphische werken 
bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten aan- 
zien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in de 
opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol n°. 2 
waren de Verbondslanden „wier wetgeving onder de dramatisch- 
muzikale werken ook de choregraphische werken begrijpt" gehouden 
ze van „de voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeen- 
komst" te laten genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouw- 



1) Men zie voor Frankrijk: Potjillet t. a.p. pp. 91 sqq. en D. A. 1889 p. 54; 
Darras ibid. 1894 p. 88, 1895 p. 47; voor België: P. Wattwermasts, D. A. 
1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p. 24 en o.a. eene beslissing van het 
Tribunal civil van Brussel van 3 Febr. 1904, D. A. 1905 p. 61; voor Italië: 
Rosmini, D. A. 1889 pp. 19 en 30, 1891 p. 114. 

2) Het Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: „On est tombé assez 
facilement d'accord que les photographies devaient être protégées dans tous les 
pays de 1'Union". Actes 1908 p. 235. 



334 



burgzaal eene groote plaats innemen, deed telkens moeite eene 
algemeene bescherming in het geheele Verbond voor deze werken 
te verkrijgen; doch zoowel te Bern l ) als te Parijs 2 ) stuitten deze 
pogingen op bezwaren af van de andere mogendheden. Het begrip 
„choregraphisch werk" stond nog te weinig vast en er bestond niet 
eene gevestigde opinie over de grenzen, waarbinnen de bescherming 
van deze soort werken diende te worden gehouden. Men bleef dus, 
tot aan de herziening van Berlijn, bij de bovengenoemde bepaling 
van het Berner Slotprotocol, dat de verplichting tot internationale 
bescherming alleen oplegt aan de landen, waar deze werken reeds 
beschermd zijn, terwijl nog in een tweede lid aan de rechters, die 
deze bepaling zouden hebben toe te passen, de meest mogelijke 
vrijheid bij hunne uitlegging werd verzekerd. 

Op de Conferentie van Berhjn kwam Italië weer met het oude 
voorstel : choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder 
de beschermde producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de 
bepalingen der Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te 
verklaren, doch alleen op diegenen, „waarvan de dramatische actie 
schriftelijk was vastgelegd"; de balletten en pantomimes, die dezen 
tastbaren vorm ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering 
wegens hun al te vluchtig bestaan niet voor bescherming in aan- 
merking 3 ). 

Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe 
bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel 
2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle 
landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde 
staten was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voor- 
waarde in overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd 
aangevuld, dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere 
vorm van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal 
zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de 
„dramatisch-rnuzikale werken" en de „muziekstukken" prijken dus 
nu in het nieuwe artikel de „choregraphische werken en pantomimes, 
waarvan de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd." 



1) Actes 1885 p. 43. 

2) Actes 1896 pp. 114 en 166. 

3) Men zie: Actes 1908 pp. 50, 51. 



. H 335 

Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet 
de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal 
hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. 
In plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1 
j° lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol n°. 2 
ten aanzien van dien staat van kracht blijven. 

Werken der bouwkunst — In een vorig hoofdstuk is reeds uiteen- 
gezet (p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op 
werken der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit 
recht en dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste 
behoeft hier niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken 
met het recht op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van 
den vorm, waarin zij zijn openbaar gemaakt. 

De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst 
op de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond 
ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in 
de Add. Acte art. 2, I, A. : 

In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend niet 
alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige werken 
zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van de Berner 
Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte. 

Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de 
photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus 
om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen 
dan alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de 
inlandsche auteurs bestond. 

Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende 
Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men er 
toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den alge- 
meenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden) toe- 
passelijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen verzette zijn 
de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde auteurs- 
producten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves gemaakt i ). 

Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht 



1) Men zie het verslag van Renault, Actes 1908 p. 232. 



336 



bestaat, terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescher- 
ming uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie 
óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk ver- 
klaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt. 

Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst — Deze werken 
bieden voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog 
groote moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers 
als in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar, 
om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die 
werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere 
kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke 
werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn, 
die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer 
verschillend gedacht. 

Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van 
Bern, nóch op de herzienings- conferentie van Parijs, er in geslaagd 
is, eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. 
In de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, 
en wel in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt: 

De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres Wart 
appliqué a Vindustrié) zijn beschermd voor zoover de inlandsche wetgeving 
van elk land dit toelaat. 
Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk, 
Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling met 
de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten slotte 
moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die alleen 
dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der kunst- 
nijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche wet- 
geving overlaat. 

Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder 
de oude Conventie, die deze werken in 't geheel niet noemde, waren 
zij niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 
Conventie 1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toe- 
passelijk is: „ ... ten slotte („enfin") elk product op letterkundig, 
wetenschappelijk of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door 
middel van den druk of van eenige andere wijze van reproductie". 

Het woord „enfin" waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik 



gemeend te moeten vertalen door „ten slotte" en niet door „kortom", 
zooals door anderen is gedaan. Oorspronkelijk stond in den Franschen 
tekst: „et en général"; dit is veranderd in „enfin" uitsluitend terwille 
der welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het 
voorafgaande woord, de uitdrukking „en général" tweemaal kort 
achtereen in dezelfde zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens 
vast, dat met het Fransche woord „enfin" niet is bedoeld de opsomming, 
die eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het daaropvolgende slechts 
eene resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. Het Fransche synoniem 
is, zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is verklaard 1 ), niet 
„en somme" maai- „en outre". 

Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus 
weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor 
photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken 
elders in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er 
niet veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist 
de werken der kunstnijverheid. 

Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken 
nog niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste 
plaats is over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle 
twijfel uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan 
over den invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet 
worden toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een 
werk in het land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten 
behooren, wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar 
geldende bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien 
der hier bedoelde werken niet het geval; dan was dus de inter- 
nationale bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam 
ook voor, dat zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in 
het ééne land als kunstwerken, en in het andere land als objecten 
van industrieelen eigendom werden beschermd. Men stond dan voor 
de moeilijke vraag, of een dergelijk werk al dan niet als een „kunst- 
werk" in den zin der Conventie was te beschouwen. Hierbij deed 
zich dan nog eene bijzondere moeilijkheid voor in verband met de 
. te vervullen voorwaarden en formaliteiten, die in verscheidene landen 
voor industrie-producten wél, doch voor kunstwerken niet werden 



1) Men zie: D. A. 1895 p. 92. 

22 



338 



geëischt. Had nien eenmaal in zijn eigen land de formaliteiten voor 
de industrieele bescherming vervuld, dan was dit soms oorzaak dat 
in een ander land, waar hetzelfde werk alleen als kunstwerk beschermd 
was, de bescherming werd geweigerd 1 ). 

Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid 
in het Verbond — al was zij door de Conventie niet geheel uitge- 
sloten — toch van twn'felachtigen aard is geweest; met volkomen 
zekerheid viel er in de meeste gevallen niet op te rekenen. 

Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering 
gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 
in werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens 
de inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken, 
waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de 
rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu 
ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele 
Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; 
voor de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te 
weten, waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden 
gerekend en waar niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en 
de uitlegging, die er aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. 
Dat dit — vooral waar het hier eene materie betreft waarover nog 
zooveel verschil van inzicht bestaat — niet altijd even gemakkelijk 
zal vallen, springt in het oog. 



Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken — Het tweede lid van 
artikel 2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd: 

Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten 
van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen, bewerkingen 
(adaptcctions), muziek-arrangementen en andere reproducties in veranderden 
vorm (reproductions transformées) van een geschrift of kunstwerk, alsmede 
verzamelingen van verschillende werken. 

Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie 
beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen, 



1) In dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch album met 
schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover: Eöthlisbeegek 
t. a. p. p. 154; Dakras, D. A. 1898 p. 43. Cf. over een soortgelijke vraag: 
D. A. 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq. 



339 



dat de bedoelde rechten «ook onder de oude Conventie bestonden, kan 
de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van vol- 
ledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd. 

De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel geregeld, 
doch , het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig uitgevallen. 
Het luidt als volgt: 

Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken beschermd. 
Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie ervan in de Verbonds- 
landen betreft, de bescherming, vastgesteld in de artikelen 2 en 3. 

Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid tot 
vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen verzetten, dat 
hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald wordt. 

Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel — wat 
zoo dikwijls geschiedt — niet scherp genoeg van elkander heeft 
weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur 
van het oorspronkehjk werk en het recht van den vertaler op zijne 
vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven (nl. terstond 
na de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht in art. 5) wijst 
dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf. 

Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites), 
waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in 
strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkehjken 
auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is opgemerkt 
(pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne vertaling 
te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening van dat 
recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van het 
werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van 
elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het 
woordje „licite" af te keuren; het bracht ook practische bezwaren 
bij de toepassing. Tot de „geoorloofde" vertalingen behooren natuurlijk 
ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend 
vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver 
geene toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de 
Conventie 1886 is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen 
noodzakelijk dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, 
waarin de auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het 
ééne land „geoorloofd" was (omdat daar de termijn voor het vertalings- 
recht was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht 



340 



nog voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd 
had moeten worden, „ongeoorloofd". Was zulke eene vertaling nu in 
het Verbond beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt 
er hier weinig op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der prac- 
tische bezwaren van het besproken artikel de aandacht te vestigen 1 ). 

Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door 
uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler 
alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde 
opvoering, voor 't geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en 
uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9; hier 
wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een 
tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van 
het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den 
vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie. 

Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de Con- 
ferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te laten 
vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval, waarop 
de bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen voordoen, 
wanneer — wat deze Regeering eveneens voorstelde — het uitsluitend 
vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou zijn gelijkgesteld. 
Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een werk wél 
auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond 2 ). Doch ook al was 
deze laatste wijziging in de nieuwe Conventie niet tot stand gekomen, 
bestond er alle reden om de bepaling te doen verdwijnen. Het spreekt 
vanzelf dat een vertaler geen recht heeft, zich tegen het uitgeven 
van andere vertalingen te verzetten, daar het object van zijn recht 
is : de door hemzelf gemaakte vertaling. Het recht om zich tegen de 
uitgave van andere vertalingen te verzetten (dus: het uitsluitend 
vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen den auteur van het oorspron- 
kelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een vertaler hebben over- 
gedragen ; maar met dit geval behoefde de Conventie zich niet in te 
laten, en allerminst in een artikel dat het recht van den vertaler op 
zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde dooreenhaspeling 
van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake was. 



1) De vraag werd o. a. besproken op het Congres der Association te Neuchatel 
(Aug. 1907); men zie: D. A. 1907 pp. 115, 116. 

2) Actes 1908 p. 44. 



341 



Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn 
een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In 
de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de 
plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie 
beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, 
wat üoodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: „onver- 
minderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk", 
hetgeen evengoed had kunnen wegbhjven. Verkeerde gevolgtrekkingen 
zijn uit deze woorden echter niet te maken, en daarom kan men er 
vrede mede hebben. 

Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele 
Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 j° lid 3 Conventie 19081 Onze 
wet, die, zeer juist, „vertalers ten opzichte van hunne vertaling" 
met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. 
Op dit punt bestaan dus niet de minste moeihjkheden met het oog 
op het toetreden van ons land tot de Conventie. 

Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewer- 
kingen en verzamelwerken. 

Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken aer toonkunst 
(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van 
roman tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. 
een ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling toe- 
passelijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen 
beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden 
arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van 
het origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteen- 
gezet, een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de 
bewerker op auteursrecht aanspraak kunnen maken. 

De bepaling laat echter — wat trouwens in deze materie niet anders 
kan — eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en 
jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal in 
het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De in- 
landsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere — min of meer 
van elkaar afwijkende - bepalingen bevatten, die voorzoover zij met 
het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit 
andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden. 

Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich 
(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich 



342 



te beschermen. Eene uitdrukkelijke wetsbepaling is hiervoor niet 
noodig, mits er eenige waarborg zij, dat die bescherming in voor- 
komende gevallen werkelijk zal worden verleend. Of dit in ons land 
bij de bestaande wetgeving het geval is, mag worden betwijfeld. De 
wet zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich zoover mij 
bekend, nog nooit duidelijk hierover uitgesproken 1 ). Wil derhalve 
ons land de verplichting, welke de bepaling oplegt, getrouw nakomen, 
dan zal eene uitdrukkelijke vermelding van de genoemde werken in 
onze wet (waartegen waarschijnlijk niemand eenig bezwaar zal hebben) 
gewenscht zijn. 

Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. 
in artikel 4 eene bepaling, die — eenmaal tot wet verheven — vol- 
komen aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een 
werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene 
andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, 
wordt daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht 
wordt door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het 
overige auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik 
reeds pogen aan te toonen (p. 228) ; met de bepalingen der Conventie 
is dit echter, zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd. 

Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog: 
verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault 
wordt hierover o. a. opgemerkt: „Ce que 1'on veut protéger, c'est le 
travail qui a consisté a réunir divers oeuvres suivant un plandéter- 
miné, d'après un mode de groupement plus ou moins ingénieux" 2 ). 
Wat hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor de 
verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een 
auteurs-product. Aan den rechter, voorgelicht door de wetenschap, 
blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval is, en men 
kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde maatstaf 
zal worden gebruikt. 

Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken „ge- 
vormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders" (art. 2, a). 
Geen bescherming wordt dus verleend voor verzamelingen van ver- 



1) Men zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende erkenning 
van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam. 

2) Actes 1908 p. 232. 



343 



schillende werken van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter 
van „verzamelingen van verschillende werken"; met opzet zijn de 
woorden „van verschillende auteurs" die in het Duitsche voorstel, 
waaraan de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, omdat 
men ook verzamelingen van werken, die van een en denzelfden 
auteur afkomstig zijn, onder de bepaling wilde begrijpen 1 ). Op dit - 
trouwens niet zeer belangrijke — punt stemt onze wet dus niet 
geheel overeen met de Conventie. 

ffi Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 
artt. 4, 5 en 6; Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 
1896 art. 1, I en II; Verklaring 1896 1° en 2°) 

De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele 
.systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust. 

Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke 
werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten van 
werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee voor- 
gaande artikelen genoemd ; doch dit beteekent niet, dat alle geschriften, 
muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit de geheele 
wereld in het Verbond beschermd zn'n. De Conventie trekt zich alleen 
het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats van ver- 
schijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een van de 
Verbondslanden thuis behooren. 

De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft 
den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken 
ten deel valt, dus: waar men de bepalingen heeft te zoeken die in 
de internationale betrekkingen moeten worden toegepast. 

Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepassehjk is 
van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). 
Dit beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te 
dwingen het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche 
recht toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen 
regel bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een 



1) Men zie het rapport van Renault, Actes 1908 p. 232. 



344 



auteur, om in een ander land rechten van wijder strekking te ge- 
nieten dan die hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. 
Om dit zooveel mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opge- 
nomen, dat naast de lex fori op sommige punten ook eene andere 
wet zou meetellen en wel de wet van het land waaruit het werk 
afkomstig is. Bh' de herziening van Berlijn is de invloed die aan 
deze laatste wet door de Conventie 1886 was toegekend weliswaar 
weer eenigermate ingekort, doch niet geheel weggenomen. Ook volgens 
de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve met de wet van zijn 
eigen land rekening houden met die van het land, waaruit het werk 
afkomstig is. 

Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd 
worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende op- 
zichten van belang is. Het „land van herkomst" (pays d'origine) 
moet, wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toe- 
getreden staten; en bovendien is zijne wetgeving van invoed op de 
mate van bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden 
geniet. 

Het is daarom noodig, dat het begrip „land van herkomst" nauw- 
keurig vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 
3 en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde 
en niet-geplubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van 
herkomst dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel 
dus van de nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe 
de auteur behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis 
van deze beide uitdrukkingen: „tot een land van het Verbond be- 
hoorend auteur" en „gepubliceerde werken" dient eerst het een en 
ander te worden gezegd. 

1 „Toi een Verbondsland behoorend auteur" — Deze uitdrukking 
(auteur ressortissant d Vun des pays de V Union) werd gekozen door 
de Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de 
woorden „sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de 
verschillende wetgevingen gebruikte termen 1 ). Zoowel de Commissie 
van 1884 als die van 1885 2 ) verklaarden uitdrukkelijk, dat de uit- 



1) Actes 1884 p. 41. 

2) Actes 1885 p. 42. 



345 



drukking „ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt 
(Conventie 1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 
lid 1, art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme „appartenant" 
(C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als: „qui 
ont l'indigénat". 

Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen dui- 
delijke verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat 
men wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. 
De band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het 
onderdaanschap *). Bh' Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de 
termen : staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt 2 ); 
de Fransche spreken ook van: nationaux' 6 ). Dat men zich aan eene 
definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk, daar elke 
staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe behooren en 
welke daarvan de gevolgen zijn. 

De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot 
criterium, en niet, zooals de Neder landsche wet, de woonplaats; op 
de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze aansluiting 
zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. De wil er 
hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de Conventie 
zal zijn aangesloten, onder de „tot den Nederlandschen staat behoo- 
rende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen de 
„Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268), 
maar daarenboven zij, die sommige schrijvers „onderdanen" noemen, 
hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de „vreemde- 
delingen" behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele 
inlandsche en daarmede geüjkgestelde bevolking van Nederlandsch- 
Indië *). In een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend 
wetsontwerp wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen 
bevolking van Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend 5 ). Indien dit 
ontwerp vóór onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal 



1) Cf. voor het gebruik van de woorden nationaliteit en onderdaanschap als 
twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip: A. van de Sande Bakhuyzen, 
Nederlandsen onderdaanschap, Proefschr. Leiden 1900 pp. 7 sqq. 

2) Men zie b. v. : Köthlisbexger t. a. p, p. 83 ; Kohlek, Urhéberrecht p, 403. 

3) O. a. : d'Orelli, D. A. 1889 p, 2. 

4) Cf.: van de Sande Bakhtjyzen t. a. p. pp. 22 sqq. 

5) Handel. Tweede Kamer 1908—1909 Bijlage 266. 



346 



men het woord „ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen 
vertalen met „Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: 
allen, die naar ons recht niet tot de vreemdelingen behooren. 

2 Publiceeren — Over de beteekenis van het woord „publier" in 
de Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen 
werd de uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaar- 
making onder verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, 
maar b.v. ook door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. 
Deze ruime opvatting van het woord vond eenigen steun in eene 
opmerking van den afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 
1884 naar aanleiding van het woord éditeur in art. 3, waaronder 
deze afgevaardigde meende te moeten verstaan niet alleen een 
uitgever in den gewonen zin van het woord, maar ook b.v. een 
schouwburg-ondernemer 1 ). Hoewel deze opvatting niet werd weer- 
sproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in 1884 algemeen 
werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de Conferentie 
van Parijs : „On tenait avant tout a aboutir, c'est pourquoi aucune 
voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation" 2 ) ; en deze 
zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking van artikel 2 
opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie eene 
mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk niet 
erkent 3 ). Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking „publier" 
in de Conventie de beteekenis had van „in druk verschijnen" en dat 
daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling 4 ). 

In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben 
geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de 
Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld, 
waarin de 'wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip „publication" 
nauwkeuriger vast te stellen 5 ). In aansluiting hiermede werd in de 
Verklaring (sub 2°) de interpretatie opgenomen, die hierboven is 
weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Con- 
ventie 1908 (art. 4 laatste lid). 

1) Actes 18S4 p. 44. 

2) Actes 1896 p. 113. 

3) Actes 1885 p. 21. 

4) Anders: d'Obelli, D. A. 18S9 p. 2. 

5) Actes 1896 pp. 189 en 191. 



347 



Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat 
in druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: 
een „door den druk gemeen gemaakt" werk ; tot de niet gepubliceerde 
(door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel- 
en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge 
voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang zij 
niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn gebracht. 
Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie in den 
zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van plannen 
en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke ver- 
melding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw 
geene publicatie uitmaakt. 

Wat als „land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is 
na bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is 
het het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort; 
voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats 
gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen, 
die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene 
als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermings- 
termijn heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de 
behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk 
nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en 
buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin 
de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd; 
de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming 
daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor 
in de Conventie 1908 ; er bestaat echter geen reden om aan te nemen, 
dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist. 

Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdruk- 
kelijk gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken, 
alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op 
het auteursrecht uitgaat 2 ). 

Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden 
samengevat. 

De Conventie is toepasselijk op : 1° De niet door den druk gemeen 



1) Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 92; D. A. 1902 p. 54. 



348 



gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het 
Verbond behooren, en 

2° De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van 
welke nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een 
van de landen van het Verbond heeft plaats gehad. 

Buiten de bescherming der Conventie vallen dus : de niet door den 
druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der 
landen van het Verbond behooren en de door den druk gemeen ge- 
maakte werken, waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft 
plaats gehad. 

De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de 
Conventie van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen 
in het volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, 
die de wet aldaar verleent; 

in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende 
wetten voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inacht- 
neming van enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst ; 
en bovendien de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven 
(zooals b.v. het vertalingsrecht). 

In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel 
vóór als na de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter 
noodig enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan 
tevens gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn ge- 
wijzigd is. 

Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezig- 
houden, is: de invloed van de wet van het land van herkomst van 
een werk op de bescherming, die dat werk in de overige Verbonds- 
landen geniet. 

Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 
1° geen bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, 
wanneer niet in het land van herkomst de voorwaarden en formali- 
teiten, die de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2° dat de duur 
van het auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet 
van het land van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 
art. 2 tweede lid). 

Over de beteekenis van de woorden „voorwaarden en formaliteiten" 
(condüions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. 



349 



Met „conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. 
het voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige 
gevallen door de wetten wordt geëischt; „formalités" zijn de 
formeele voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of ver- 
klaringen 1 ). 

Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming 
in de andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden 
en formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen 
in het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en for- 
maliteiten mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na 
is men het steeds over deze uitlegging der bepaling eens geweest; 
van den aanvang af heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs 
vrij te stellen van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten 
in alle Verbondslanden, hetgeen in de practyk immers slechts door 
zeer weinigen zou worden gedaan. De afgevaardigde Beichardt noemde 
dit zelfs op de Conferentie van Parijs: „le point de départ et le but 
principal de la Convention de Berne" 2 ). 

Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt 
onmogelijk te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1°) 
nog eens uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land 
van herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde 
voorwaarden en formaliteiten. 

Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land 
van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor 
de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2 
Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren („ne peut excéder") 
dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of 
door deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt 
opgelegd, geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land 
van herkomst heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wet- 
geving, indien deze ook voor vreemde werken een langeren termijn 
van bescherming stelt dan die van het land van herkomst, mocht 
worden toegepast. Het lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting 
is de juiste. Het, meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie 



1) Men zie de verklaring van Dr. Meykr dienaangaande op de Conferentie 
van 1884, Actes p. 43. 

2) Actes 1896 ,p. 111. 



350 



is altijd geweest, dat zij slechts een minimum van bescherming 
waarborgt; het staat den Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door 
hunne inlandsche wetgeving, hetzij door afzonderlijke tractaten, deze 
bescherming verder uit te breiden. Dit was ook de algemeene opinie 
op de Conferentie van Parijs, van welker juistheid men toen zoozeer 
overtuigd was, dat het opnemen van eene uitdrukkelijke verklaring 
in dezen zin in de Déclaration, waartoe de Zwitsersche delegatie een 
voorstel had gedaan, onnoodig werd geacht 1 ). 

De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming, d. w. z. 
de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt, kan 
niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst 
verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land 
van herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent 
dertig jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteurs- 
recht vijftig jaar na den dood des auteurs bhjft bestaan) toch maar 
dertig jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving 
ook buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar. 

De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen 
mede, dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet 
beschermd is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming 
(krachtens de Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het 
geval, wanneer het ontbreken van bescherming in het land van 
herkomst een gevolg is van het niet vervullen der aldaar gevorderde 
voorwaarden en formaliteiten (dat alsdan in de andere landen geen 
bescherming kan worden verleend is volgens de besproken bepaling 
niet twijfelachtig) maar ook indien men met een werk te doen heeft, 
dat in het land van herkomst absoluut van de bescherming is uit- 
gesloten, omdat het volgens de daar geldende wet niet tot de 
beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste wordt niet algemeen 
aangenomen ; toch schijnt het mij niet mogelijk eene andere oplossing 
aan de vraag te geven. De bescherming mag in de andere Verbonds- 
landen niet langer duren dan in het land van herkomst: dit sluit 
m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land geen bescherming wordt 
verleend, deze ook in de andere landen moet ontbreken. De tegenover- 
gestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge gevolgtrekking moeten 



1) Men zie het Commissie-rapport, Actes 1896 p. 161; het Zwitsersche voorstel 
is te vinden ibid. p. 112. 



351 



voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met een korten be- 
schermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.), in de 
landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien het in 
het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd is. 
In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming- 
genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn 
van het land van herkomst zou moeten gerekend worden. 

Een vereischte voor de toepassehjkheid der Conventie 1886 is dus, 
dat er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. 
Indien de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft 
hij voor het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te 
passen, behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de 
Conventie zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitge- 
sloten, dat een auteur in een ander land rechten van wijder strekking- 
geniet dan die de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang 
der bescherming betreft (dus : de verschillende den auteur toekomende 
bevoegdheden) en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van 
het recht ten dienst staan behoeft geene vergelijking te worden 
gemaakt tusschen de wetten van het land van herkomst en van dat, 
waar de bescherming wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uit- 
sluitend de bepalingen van de laatstgenoemde wet van toepassing. 

De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel eene 
gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4 Con- 
ventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van 
art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt: 

Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid van het 
artüel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit onderworpen; dit 
genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan van bescherming 
in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden, behoudens de 
bepalingen dezer Overeenkomst, de uitgebreidheid der bescherming alsmede 
de middelen, welke den auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, 
uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming 
wordt ingeroepen. 

Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op 
dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn 
was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en 
strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbonds- 
landen niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land 



352 



van herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld, 
en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar 
wensen hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescher- 
ming betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. 
Volkomen onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst 
heeft dus de Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het 
nieuwe artikel, zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat 
het ontbreken van bescherming — om welke reden dan ook — in 
het land van herkomst geen beletsel is voor de bescherming in de 
andere landen. 

De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onder- 
worpen, nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de 
bescherming wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van „for- 
maliteiten", niet, zooals vroeger van „ voorwaarden en formaliteiten"; 
doch in het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat 
men met „formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 
noemde: „conditions et formalités" »). Welke reden men had om de 
oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt 
niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord 
„condition" misschien wat al te ruim mocht worden opgevat. Op de 
mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting 
harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend 
worden de „innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht 
zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te 
zijn verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend 
recht om een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te 
doen uitkomen, had de Duitsche Regeering in plaats van «voorwaarden 
en formaliteiten" willen lezen „formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" 
(conditions extrinsèques) 2 ). Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan 
b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere 
verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exem- 
plaren van het werk. 

Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds — en ook op de 
Conferentie van Berlijn - eens geweest ; de moeilijkheid lag slechts 
in het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen 



1) Actes 1908 p. 237. 

2) Actes 1908 p. 39. 



353 



spreekt van „formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de 
„uiterlijke voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, 
begrepen. Voor een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig 
kans. Dat men zich in het land van herkomst aan geen enkele 
voorwaarde of formaliteit meer heeft te storen om in de overige 
landen beschermd te zijn, is aan geen twijfel onderhevig, daar immers 
het bestaan van bescherming aldaar niet eens meer wordt geëischt. 
En van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in de andere 
landen was men — zooals hierboven is medegedeeld — reeds krachtens 
de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de Conventie 1908 hierin verandering 
zou hebben gebracht en dus eene belemmering voor de bescherming 
zou hebben ingevoerd, die vroeger niet bestond, zal wel niemand, 
die zich van de beteekenis en het doel der Berlijnsche herziening 
eenigermate op de hoogte heeft gesteld, durven beweren. 

Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de 
Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond 
een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel 
é, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten, die 
in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is 
alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden 
behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve 
in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets 
ten .aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden 
behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk; 
en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet 
tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land 
van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende 
bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke 
beide artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen 
te worden. 

Artikel 5 is als volgt geredigeerd : 

Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne werken 
voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland, hebben in 
laatstgenoemd land dezelfde rechten ak de inlandache auteurs. 

Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. 
Men achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen 
land van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het 
onnoodig, dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde. 

23 



De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der 
bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de 
motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke 
de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde 
stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, 
dat aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om 
zoo te zeggen genationaliseerd zou zijn 1 ). Met deze overweging 
hebben alle Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissie- 
verslag 2 ), kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering 
werd, nadat de redactie e enigszins was gewijzigd, in de nieuwe 
Conventie opgenomen. 

Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op het 
oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat is, 
waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet met 
de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor zijne 
onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land zelf 
heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel der 
Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene be- 
paling in de Conventie, die de toepassehjkheid der inlandsche wet 
op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden 
geacht, daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het 
Verbond, door de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. 
In ons land is dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél 
het geval; reden waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie 
terugkom. 

De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er 
wordt eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde 
rechten als voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen 
vrijstelling dus van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze 
van de inlandsche auteurs eischt; evenmin toekenning van de 
bijzondere rechten, die in de Conventie zelve omschreven zijn. 

De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het 
Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen 
dan in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen 



1) Actes 1908 p. 39. 

2) Actes 1908 p. 241. 



355 



ziin uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886, 
met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling 
(Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den 
auteur maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge 
bepaling was vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, 
die nog niet tot het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemak- 
kelijk wilde maken, daar hierdoor het belang, dat die landen erbij 
zouden hebben om alsnog toe te treden, aanzienlijk zou verminderen ; 
de werken dezer auteurs zouden wel in het Verbond beschermd zijn, 
maar niet zij, doch de uitgevers, die dan toch in elk geval binnen 
het Verbond gedomicilieerd zouden zijn, zouden van die beschermmg 

mogen genieten 1 ). 

De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde, 
is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij de 
uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen het 
Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever het 
auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit recht 
kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had meester 
gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den auteur 
had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met de 
allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag 
liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling 
alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming 
had verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever 
overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de 
auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden 
kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht 
dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur, 
kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den 
uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het 
auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl hij 
de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch 
ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht 
direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke 
hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat 
hij, om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld 



1) Actes 1884 pp. 29, 43. 



356 



contract met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te 
sluiten. In elk geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever 
hiertoe bereid was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan 
hem, den auteur, het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. 
Doch hoe dit ook moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling 
in geen enkel opzicht. 

Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder 
uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden »). 
Hieraan was het zeker voor een goed deel te danken, dat er aldaar 
niemand meer werd gevonden, die de bepaling in bescherming nam ; 
de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, strekten alle, 
om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan de auteurs 
te verleenen 2 ). In dezen zin werd ook besloten. De Add. Acte 1896 
bracht nu de volgende lezing van het oude art. 3: 

Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren, maar 
die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst in een van 
deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren, genieten voor deze 
werken de door de Benier Overeenkomst en de tegenwoordige Addition- 
neele Acte toegekende bescherming. 

De Berlynsche Conferentie heeft hierin geene principieele veran- 
deringen gebracht. Alleen werd - evenals ten aanzien van de tot 
het Verbond behoorende auteurs was geschied — onderscheid gemaakt 
tusschen de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus 
het land waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal 
gepubliceerd heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling 
werd als volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908): 

De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die 
hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren, genieten, 
in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs, en in de overige 
Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige Overeenkomst verleent- 
De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner 
werken binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, 
die tot een der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze 
hebben zij in het land van herkomst „ dezelfde rechten als de inlandsche 
auteurs" — eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toe- 
lichting meer behoeft — en in de overige Verbondslanden „de rechten, 

1) Actes 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen in D. A. 1896 pp. 36 sqq. 

2) Cf. het rapport der Commissie Actes 1896 p. 164. 



357 



welke de tegenwoordige Overeenkomst verleent", hetgeen dus insluit : 
behandeling in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling 
van eventueel voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 
lid 1 en 2) benevens het genot van de rechten, welke de Conventie 
zelve omschrijft. 

Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen 
na te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting 
van ons land bij 'het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen 
tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en 
van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit 
kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit 
theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om 
een of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, 
zooals zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis, 
die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat de 
bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt 
van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden 
en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven 
te worden. 

Indien — wat te hopen is — de formaliteiten, die onze wet nu 
nog eischt, vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, 
zal tegen aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel 
door niemand bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, 
dan bestaat er evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 
1886 boven het gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede 
toch niet zou kunnen verhinderen, dat hier te lande bescherming 
zou moeten worden verleend aan werken waarvoor geen formaliteiten 
zijn vervuld (de werken nl. uit de Verbondslanden, waar de wet ze 
niet eischt, welke landen verreweg dé meerderheid vormen); terwijl 
voor de auteurs van uit Nederland herkomstige werken het gevolg 
zou zijn, dat zij bij verzuim van de door onze wet gestelde voor- 
waarden en formaliteiten niet alleen hier, maar ook in het geheele 
Verbond, bescherming zouden moeten missen. 

Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft 
gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking reeds 
gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en verduidelij- 
king van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze door 



358 



nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze nog 
even opsommen: 

1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding 
gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst van 
het werk en die in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, 
art. 6); terwijl de Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al 
of niet beschermd zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3). 

2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere 
Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan 
worden gemaakt, ook : „de rechten welke uitdrukkelijk door de tegen- 
woordige Overeenkomst worden toegekend" (art. 4 lid 1). Dit is uit- 
sluitend terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 
1886 konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij 
niet in art. 2 genoemd. 

3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van „auteurs of hunne recht- 
verkrijgenden" is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen in de 
hier besproken artikelen) veranderd in „auteurs". De toevoeging „of 
hunne rechtverkrijgenden" werd overbodig geacht, daar immers "de 
vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist 
wordt 

4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het 
Verbond en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de 
Conventie 1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het 
land van het Verbond alleen als land van herkomst geldt. 

Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden 
bestaan, om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog 
minder kan dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die deAdd. 
Acte 1896 in de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescher- 
ming der buiten het Verbond staande auteurs, welke bescherming 
de oude Conventie (art. 3) aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, 
hetgeen hierover reeds is gezegd, geene toelichting meer. 

Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding 
tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 
1908 zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke ge- 
volgen dit zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en 
dat van het Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet 



1) Cf. het rapport van Ebfatjlt op de Conferentie van Berlijn Actes 1908 p. 236. 



359 



onderscheid maakt tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet 
door den druk gemeen gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres 
non publiées), kunnen deze twee categorieën ook bij dit onderzoek 
afzonderlijk worden beschouwd. 

1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken — Artikel 27 van 
de W. A. B. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den 
druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in 
Nederlandsch-Indiê woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling 
bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie in 
zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op 
alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die 
tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Der- 
halve zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in 
Nederland de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Bijk 
woonachtig zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, 
die tot de Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen 
de niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche 
onderdanen, die in een ander land (onverschillig of dit een Verbonds- 
land is of niet) woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als 
criterium neemt, beschermt deze werken niet en de Conventie laat 
het, zooals wij boven gezien hebben, geheel aan den inlandschen 
wetgever over, de bescherming van de onderdanen in hun eigen land 
te regelen. Zoo zou b.v. in het gestelde geval het niet door den druk 
gemeen gemaakte werk van een in Duitschland woonachtig Neder- 
lander hier te lande niet beschermd zijn, terwijl datzelfde werk overal 
in het Verbond als een uit Nederland herkomstig werk (art. 4 lid 3) 
.wél bescherming zou vinden. Daarentegen zou het werk ook in 
Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland wonende auteur 
niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval niet Nederland, 
maar Duitschland het „land van herkomst" zou wezen en dus hier 
te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou zijn. Men 
ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer wet bij aan- 
sluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou leiden en dat 
het dus beter ware daarbij — of in de plaats daarvan — het natio- 
naliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om andere, 
reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient. 
De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. B. nog inhoudt ten 



360 

aanzien der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is 
indien de voordracht in Nederland of Nederlandsch-Indië is ge- 
houden) ») kan hier buiten beschouwing blijven. Waar eene voordracht 
gehouden is, is op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van 
geen invloed. Is een Nederlander de auteur, dan is de voordracht 
volgens de Conventie eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het 
land van herkomst), al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl 
eene in Nederland gehouden voordracht van een Engelschman of 
Franschman volgens de Conventie resp. Engeland of Frankrijk als 
land van herkomst heeft. 

Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den tfeder- 
landschen rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid 
worden gemaakt tusschen twee gevallen: 

a) Nederland is volgens de Conventie het „land van herkomst". 
De Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Neder- 
land zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op 
de Nederlandsche wet. 

b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot „land 
van herkomst". In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 
der Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op : 

1° alle rechten, die onze wet toekent, en 

2« de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent 
(vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij 
in het oog worden gehouden, dat wat de sub ïo genoemde rechten 
betreft, de duur daarvan niet langer kan zn'n dan die, welke in het 
land van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden 
hierover zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der 
Conventie, worden medegedeeld. 

2 Boor den druk gemeen gemaakte werken — Deze werken vinden 
volgens onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, 
indien zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door 
den druk gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, 
gesteld dat men haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de 
Conventie zou hebben, goed in te zien, is het weer noodig van 
elkander te onderscheiden het geval dat Nederland het land van 



1) Cf. hierboven p. 312. 



361 



herkomst van het werk is volgens de Conventie en dat, waarin het 
werk een ander Verbondsland tot land van herkomst heeft. 

Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen 
gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit Neder- 
land herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere Ver- 
bondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland 
zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen 
Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven 
dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt 
is, wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op 
de Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde be- 
paling van art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Neder- 
land beschermd te zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen 
gemaakt, maar ook gedrukt moeten worden; bovendien zullen de 
formaliteiten, die de wet eischt (inzending van twee exemplaren van 
het werk bij het Departement van Justitie benevens van eene ver- 
klaring van den drukker, dat het werk op zjjne in het Rijk geves- 
tigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10) vervuld moeten worden. 

De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben 
op de bescherming in het land van herkomst van door den druk 
gemeen gemaakte werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende 
auteurs. Zoowel de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden 
behooren (art. 5) als die, welke tot geen der landen van het Verbond 
behooren (art. 6) genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor 
de eerste maal door den druk wordt gemeen gemaakt, „dezelfde 
rechten als de inlandsche auteurs." Men ziet, dat deze bepaling in 
het gestelde geval ten aanzien van ons land geene uitwerking zou 
hebben. Wat de Conventie eischt is niet meer dan: gelijke behan- 
deling van vreemdelingen en eigen onderdanen; en deze gelijkheid 
bestaat reeds volgens onze wet, daar zij ten aanzien der door den 
druk gemeen gemaakte werken geen onderscheid maakt tusschen 
Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve zouden ook de vreemde 
auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven, aan de bovenge- 
noemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet gebonden blijven. 

Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het 
Verbond door den druk gemeen zyn gemaakt, en waarvan dus een 
der andere Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet 
alleen de volle bescherming genieten (d.w.z. de rechten die onze 



362 



wet toekent en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie ver- 
leende rechten), maar ook alhier van alle voorwaarden en forma- 
liteiten vrijgesteld zijn (art. 4 lid 2, art. 6). 

Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de 
eisch, dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte in- 
zending bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij 
de Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor 
de, toch al twijfelachtige 1 ), reden van bestaan dezer bepalingen 
nog aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit zouden 
hier beschermd zijn alle werken, die in een der andere Verbonds- 
landen zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in Neder- 
land zelf laten verschijnen, zouden - voor de bescherming in 
Nederland — zich de vervulling der formaliteiten hebben te ge- 
troosten. En wat het vereischte betreft, dat het werk in Nederland 
moet zijn gedrukt, dit zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld 
dat er tegen het laten drukken van een werk in Nederland eenig 
bezwaar bestaat en men toch op bescherming van het werk in ons 
land prijsstelt, dan zal de aangewezen weg zh'n, ook de uitgave in 
het buitenland (mits binnen het Verbond) te doen plaats hebben. 
Een boek, dat b.v. in Duitschland is gedrukt, zou, indien het bij een 
Nederlandschen uitgever uitkwam, in Nederland niet beschermd zijn; 
wél echter, indien het ook in Duitschland werd uitgegeven. Uitgave 
in Duitschland in plaats van in Nederland zou bovendien nog het 
voordeel opleveren, dat de bescherming - ook die in Nederland - 
van geene formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl ook de uitge- 
breidheid der bescherming in Nederland erdoor zou winnen, daar 
het werk dan als „uit een ander Verbondsland herkomstig", ook de 
uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. 
Reeds nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, 
zijn er Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vader- 
land, maar in een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor 
de bescherming in het Verbond te krijgen. "Wat velen waar- 
schijnlijk nog hiervan weerhoudt, is dat zij daardoor de bescherming 
in Nederland zelf verbeuren. Dit laatste zal echter, wanneer ons 
land bij het Verbond zal zijn aangesloten, niet meer het geval zijn; 
integendeel: hun werk zal, zooals wij gezien hebben, als buiten- 



1) Cf. boven pp. 264 sqq. 



363 



landsch werk, d.w. z. uit een ander Verbondsland afkomstig, in 
Nederland nog beter beschermd zijn dan indien het in Nederland 
was uitgegeven. 

"Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft, 
deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de in 
Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de 
bescherming overal, verleend wordt onafhankelijk van die in het 
land van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit 
opzicht geen verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een 
ander Verbondsland als land van herkomst heeft. Toch zou men 
zich hierin vergissen. Indien ons land op het punt van het ver- 
talingsrecht zich houdt aan de oude regeling van de Conventie 1886, 
dan zal het gevolg zijn, dat een uit Nederland herkomstig werk in 
alle andere Verbondslanden slechts tien jaar tegen vertalingen is 
beschermd, terwijl een werk, afkomstig uit een land dat de Conventie 
1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard, zoolang het auteursrecht duurt 
tegen vertalingen beschermd is. En behalve deze zullen er, zooals 
hieronder zal blijken, nog meer redenen kunnen zijn, waarom de 
auteurs ons land niet als het meest gewenschte „land van herkomst" 
van hunne werken zullen beschouwen. 

Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met 
het bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat 
indien ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de 
bovengenoemde bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende 
opzichten beter beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, 
dan indien zij ze wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu 
voor velen een reden zal zijn, om zich den last te getroosten een 
uitgever in een der andere Verbondslanden te zoeken, wil ik in het 
midden laten; de kans bestaat in ieder geval dat dit zal geschieden 
en ik meen dat men deze kans reeds aanmerkelijk zou veiToinderen, 
door de hinderlijke formaliteit van inzending van twee exemplaren 
van elk werk en de voorwaarde, dat een in Nederland uitgegeven 
werk ook alhier gedrukt moet zijn, te laten vervallen. Voor hand- 
having van de laatste bepaling bestaat des te minder reden, daar 
met zekerheid kan worden aangenomen, dat er na onze aansluiting 
tot de Conventie niet één werk meer in Nederland om zal worden 
gedrukt. 



364 



Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. R. K. in 
verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het 
bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 
1881, met " het door de Conventie gevolgde systeem in overeen- 
stemming. Er wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en 
niet door den druk gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toe- 
passelijk op: 

a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige 
auteurs (hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten 
aanzien der analoge bepaling in W. A. R.); 

b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. 
Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn : 

a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, 
die tot een der Verbondslanden behooren; 

b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst 
door den druk zijn gemeen gemaakt. 

Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn: 

c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in 
Nederland door den druk gemeen lieten maken. 

De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn 
zonder eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der 
onder c genoemde auteurs. 

Het zh'n ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven tot 
bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene beschrij- 
ving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk dertig dagen 
nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of wel 
openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe van 
tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is 
(pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid 
dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel 
voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van 
hare handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toe- 
treding tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij 
in het land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan 
in te zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. 
In alle andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Neder- 
landsch werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk 
van een Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna 



van hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt 
gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt 
werk met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve 
weer de bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige 
voorwaarde of formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman 
echter, die precies hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in 
Nederland beschermd zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben 
met een niet door den druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk 
als land van herkomst. Doch stellen wij nu, dat deze Franschman 
zü'n werk niet in Berlijn, maar in Amsterdam door den druk gemeen 
maakt, dan zou hij daardoor de bescherming in Nederland wederom 
verhezen. Immers dan zou Nederland het land van herkomst zijn 
geworden en de Fransche auteur zou krachtens art. 5 der Conventie 
slechts aanspraak kunnen maken in Nederland op dezelfde behan- 
deling die de Nederlandsche auteurs er genieten, hetgeen in dit geval 
zou beteekenen: van alle bescherming verstoken te zijn. Uitgave in 
het land zelf zou dus hier tengevolge hebben verlies van het auteurs- 
recht, terwijl in het eerstgenoemde geval door de uitgave in het 
buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan! 

De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is 
de volgende. 

De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding 
tot het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of 
van het Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) 
te wijzigen of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van 
het Verbond met bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 
en 27 W. A. R. en 7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden 
echter door die der Conventie gedeeltehjk buiten werking worden 
gesteld (nl. ten aanzien van alle werken, die uit een der andere 
Verbondslanden herkomstig zijn) terwijl zy, voorzoover zij nog toe- 
passing zouden kunnen vinden, aan de bescherming hier te lande 
onredelijke en onnoodige belemmeringen in den weg zouden leggen, 
waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs en uitgevers de 
slachtoffers zouden worden. 

Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende 
wijzigingen in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens 
in alle opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen : 



366 



rrr — - .twe; op r - 

•• ™wj zondanig dat zij tenminste toepasselijk is op . 

z °:, 8 :"dor^ ^ ^ ^te «, . 

zjn gemeen gemaakt, onversehillig waar W 
sou ook vanzelf vervallen <le formalite.t, welke art IC i tweedM d 
w a E voorschrlift, nl. de inzending van eene door den druklrer 
Ie— verklariig, dat het werk op z«ne inketEPg— 
drukkerij is gedrukt. 

IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; 
Conv. 1886 art, 2 lid 2) 

De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 
18?6 ï al besproken (pp. 349 s,o,). Zij vormt een van de punten 
walp de bepalingen van de wet van het land van ^ herkomt van 
Ten werk van invloed zijn bij de toemeting van rechten opdat™* 
in dl andere landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken 
tusschen de wet van zijn eigen land en die van het land van her- 
komst d wit die den kortsten beschermingstermijn heeft moet 
Mj de' berekening van den duur van het auteursrecht door hem 

"BÏl^che Conferentie stelde Duitschland voor, de bescher 
min g voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar geldende 
w t geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het land van 
lerkomst Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een amende- 
In TnUend^ strekkende om wat den duur van het auteursrecht 
Stl !én termijn vast te stellen, die in het geheele Verbond zou 
ge den Bfl de toe ichting van dit amendement werd opgemerkt, dat 
het Duiteche voorstel, indien het ongewijzigd werd aangenomen 
el onbSkheid in het leven zou roepen. De auteurs van een land 
21 Zl korten beschermingstermijn zouden in andere landen ™ 
den langeren duur der bescherming gemeten en dus aldaar nog 



367 

beschermd zijn, wanneer het auteursrecht in hun eigen land reeds 
een einde had genomen, terwijl daartegenover in het eerstgenoemde 
land de vreemde auteurs zich met de bescherming van korten duur 
tevreden zouden moeten stellen. Dit zou - zoo meende de Fransche 
delegatie - voor sommige landen eene aanleiding kunnen zijn om 
in hunne wetgeving een auteursrecht van korten duur in te voeren 
of te bestendigen, daar dit immers van hun nationaal standpunt 
alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren 1 ). 

De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen 
het Duitsche en het Fransche voorstel. 

In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond 
aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste 
lid van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt: 

De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst 
wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren na zijn dood. 
Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het 
tweede lid van het artikel luidt: 

Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen 
van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden 
door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen en zal 
hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet mogen overschrijden. 
De contracterende Landen zijn bijgevolg slechts gehouden de bepaling 
van het vorige lid toe te passen voor zoover zij met hun inlandsen recht 
in overeenstemming is. 
De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van 
vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet, 
slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het 
auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van 
deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie 
worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij 
de bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeit te worden voor- 
behouden. Het eerste lid van artikel 7 is — zooals ik reeds opmerkte 
- niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, dat de 
Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den 
dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet 
de verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming 



1) Actes 1908 p. 200. 



368 

te brengen. De Engelsche Regeering beeft zich zelfs op de Berlijnsche 
Conferentie, bij monde van den gedelegeerde Askwith, hare volle 
vrijheid van handelen op dit punt uitdrukkelijk voorbehouden 4 ). 

Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het 
geheele eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te 
houden en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat 
de bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu 
men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen 
worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst 
der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den 
dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu 
de ofhcieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een 
staat niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich 
naar een door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de 
meeste staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan. 

Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden 
hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor 
enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn 
van drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan 
het recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen 2 ), zijn met 
het uitgesproken beginsel niet in strijd. Verder is de algemeene 
regel van het eerste lid van artikel 7 niet toepasselijk op : photogra- 
phieën en daarmede gelijksoortige werken, nagelaten werken en 
anonieme of pseudonieme werken. De duur van het recht op deze 
werken zal geregeld worden door de wet van het land, waar de 
bescherming wordt ingeroepen, doch zal niet langer kunnen zijn dan 
die, welke de wet van het land van herkomst vaststelt (art. 7 lid 3). 

Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de 
Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven 
(p. 350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur 
der bescherming dien van het land van herkomst „niet kan over- 
treffen" (ne peut excéder) geldt ook voor het nieuwe artikel 7 der 
Conventie 1908. Er is niet mede bedoeld een absoluut verbod om langer 
bescherming te verleenen; doch het is slechts de tijdsgrens, welke 
de Conventie aan de bescherming, die volgens hare bepalingen wordt 



1) Actes 1908 pp. 214, 215. 

2) Cf. wat hierover m het Cornmiasie-rapport wordt opgemerkt, Actes 1908 p. 244. 



verleend, stelt. Op rechten, die buiten de Conventie om kunnen 
worden ingeroepen, is de bepaling dus niet toepasselijk *). 

De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt : de 
berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de be- 
scherming in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een 
werk in het land van herkomst in het geheel niet beschermd is — 
hetgeen trouwens ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 
1908 wel niet dikwijls meer zal voorkomen — dan kan dit niet 
meer, zooals onder de oude Conventie, een reden zijn om er ook in 
de andere landen bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke 
bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de 
andere landen „onafhankelijk is van het bestaan van bescherming 
in het land van herkomst van het werk" laat in dit opzicht geen 
ruimte voor eenigen twijfel over. 

By de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld 
naar aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in 
ernstige overweging worden genomen, ook in onze wet den termb'n 
van vijftig jaar na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat 
hiertoe, zooals uit het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch 
schijnt het mij ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel 
van onze wet, waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt 
genomen voor de berekening van den duur Yan het auteursrecht 
moge boven dat van de Conventie eenige voordeelen hebben, daar 
staan ontegenzeggelijk ook nadeelen tegenover. Het pro en contra 
van beide stelsels is in een vorig hoofdstuk reeds besproken 
-(pp. 257 sqq.), en de slotsom was, dat er in abstracto geen over- 
wegende reden bestaat om aan het een boven het ander de voorkeur 
te geven. Nu de Conventie echter tusschen de twee systemen eene 
keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel die reeds aangesloten 
waren als die zich later aansluiten, zich ter bevordering van de 
eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat trouwens ons 
land, door het stelsel van onze wet prijs te geven, een groot offer 
zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal integendeel, 
wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit zuiver 
nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van onze 



1) Men vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908. 

24 



370 

■wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van 
ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood 
des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze 
aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van 
het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter be- 
schermd zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer 
een reden kunnen zyn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken 
niet hier, maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven 
waardoor zij aan deze werken een beter „land van herkomst" zouden 
kunnen bezorgen. 

b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen 

I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; 
Conv. 1886 art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III) 

Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uit- 
sluitend vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft 
niet meer gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner Con- 
ventie was men hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: 
„la disposition capitale et essentielle du projet" l ) en later, op de 
Conferentie van Parijs: „la question internationale par excellence" *t, 
en dat dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan o. a. blijken uit de 
lange beraadslagingen, zoowel te Bern als te Parijs en Berly'n over 
deze kwestie gehouden. 

In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht 
met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5) ; evenzoo in art. 
7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter 
subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: „indien van 
dit recht binnen een termyn van tien jaar wordt gebruik gemaakt." 

Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake 
bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde 
vraagpunten. Een dezer vragen luidde: 

„Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan 
die van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, 



1) Actes 1885 p. 28. 

2) Actes 1896 p. 168. 



371 



moet dan die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden 
vastgesteld?" 

De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van 
een vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor 
Zweden en Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond 
onmogelijk zou maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op 
voorwaarde van eenstemmigheid van alle staten op dit punt 1 ). 

Uit het rapport -der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel 
van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren 
geformuleerd : 

1°. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme 
termijn van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aan- 
genomen, te beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautori- 
seerde vertaling, en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na 
de uitgave van het oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximum- 
termijn derhalve van dertien jaar na de uitgave van het oorspronke- 
lijke werk. 

2°. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig 
voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het 
oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal, 
waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die 
uitgave verschijnt. 

3°. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van 
vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken. 

Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie 
onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der 
Commissie aangenomen, waarin de berekening van den duur van 
het vertalingsrecht uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien 
jaar na de uitgave der vertaling, mits deze binnen drie jaar na het 
oorspronkelijk werk het licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche 
voorstel deze voorwaarde voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de 
verdediging van haar voorstel verklaarde de Commissie eenstemmig 
te zijn in haar oordeel, dat „la tendance de 1'époque est a 1'assimi- 
lation de la durée du droit exclusif de traduction a celle du droit 
sur 1'oeuvre originale" «), doch dat de voorgestelde redactie alleen 



1) Actes 1884 pp. 31, 32. 

2) Actes 1884 p. 49. 



372 



gekozen was, om de toetreding van sommige staten, wier wetgeving 
nog niet zoover gevorderd was, mogelijk te maken. 

In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van 
Fransche zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aan- 
gedrongen, terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid 
werd verklanrd om met den toenmaligen stand hunner wetgeving 
meer te verleenen dan een vertalingsrecht van tien jaar *), 

Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de 
Conventie vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche 
wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en Ita- 
liaanscbe afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door den 
auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen, 
weg te laten, óf — indien men hiertoe niet kon besluiten — in elk 
geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest 
verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te 
verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen 
kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou 
volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden 
gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie 
te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel 
werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel 
werd verworpen (met zes tegen vyf stemmen), niet omdat men het 
met het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de 
aanneming hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet 
tot de Conventie zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens 
deze verwerping niet van overwegend practisch belang, daar er alle 
reden bestond te verwachten, dat vóór de verstrijking van den tien- 
jarigen termijn de Conventie reeds in den gewenschten zin zou zijn 
gewijzigd. 

Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voor- 
gesteld, in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien 
jaren na de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al 
of niet binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen. 

Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Con- 
ventie 1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De 
termijn van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer 



1) Actes 1885 pp. 26 sqq. 



373 

als een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede 
tevreden, omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meèr was te 
bereiken, en in de stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie 
van tijd was, het juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. 
Dat hierover alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel 
uit den wensch, zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken: 

„II y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers 
1'assimilation complete du droit de traduction au droit de reproduc- 
tion en général" *). 

Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Con- 
ferentie van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken 
zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van 
t assimUation compléte". Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog 
niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van 
Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling 
in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van 
het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde ver- 
taling verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen. 

Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten 
wat zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde ver- 
klaringen 2 ). Zelfs werd, om het den toekomstigen herzieners der 
Conventie gemakkelijk te maken, de redactie van de nieuwe bepaling 
zoodanig gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte beginsel 
p (volkomen gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) zonder 
meer is vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de beperkende 
voorwaarde inhoudt, welke men later hoopte te zien verdwijnen. 
„Nos suceesseurs n'auront qu'a supprimer tout ce qui suit cette 
phrase", merkte Renault in zijn rapport daarbij op 3 ) 

En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer de 
opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van zyne 
in 1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang 
gekoesterden wensch constateeren 4 ). Het voorstel was uitgegaan van 
Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het Berner 

1) Actes 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de rede van den 
Franschen gedelegeerde Lavoixée op de Conferentie van 1885, Actes pp. 62, 63. 

2) Actes 1896 p. 133. 

3) Actes 1896 p. 169. 

4) Actes 1908 p. 246. 



374 



Bureau de werkzaamheden der Conferentie had voorbereid. Het nieuwe 
artikel (art. 8 Conventie 1908) luidt nu als volgt: 

De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van niet- 
gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor de eerste 
maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in de overige Ver- 
bondalanden, tijdens den vollen duur van het recht op het oorspronkelijke 
werk, het uitsluitend recht hunne werken te vertalen of tot de vertaling 
toestemming te verleenen. 

Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie 
van Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een 
voorstel ingediend dat er lynrecht mede in strijd was, nl. om het 
uitsluitend vertalingsrecht — doch alleen in de betrekkingen tusschen 
Japan en de overige Yerbondslanden — geheel te doen vervallen. 
Als argument voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, 
dat de Japansche taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de 
Europeesche talen, dat daarom het vertalen in en uit het Japansch 
hoogst moeilijk is en zelden voorkomt, en dat het belang zoowel van 
Japan zelf als van de andere beschaafde staten meebracht, dat aan 
dit toch al gebrekkig letterkundig ruilverkeer zoo min mogelijk 
hinderpalen in den weg werden gelegd. Tot deze hinderpalen meende 
de Japansche delegatie nu ook het uitsluitend vertalingsrecht te 
moeten rekenen 1 ). 

B>t was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel 
niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke 
termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, dat van 
aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk wordt 
te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat niet van een van 
de grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. Bovendien 
werd opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend vertalingsrecht 
in Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had geleerd van 
hetgeen de Japansche delegatie vreesde. Nergens worden ernstige 
vertalers door onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; zij 
komen er juist eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer 
zij de zekerheid hebben, tegen andere vertalingen beschermd te 
zullen zijn 2 ;. 



1) Men zie de toelichting van het voorstel: Actes 1908 pp. 201 sqq. 

2) Actes 1908 pp. 247 en 248. 



375 



Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich 
bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds toege- 
treden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er - tenzij het geheel 
uit de Unie wil treden - geen andere weg voor dit land over, 
dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien 
van het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het 
overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goed- 
keuring van den -auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 
1908 werd bh' de behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door 
den Japanschen gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring 
in dien zin afgelegd. Eenzelfde verklaring werd daar ook namens 
Spanje gedaan Deze twee staten zullen dus bij de bekrachtiging 
der Conventie 1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich houden aan 
de bepaling van art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de Add. Acte 
van Parijs. 

Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de 
twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben be- 
krachtigd en die dus in de internationale betrekkingen nog slechts 
een vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het ongewijzigde 
art. 5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908 onvoor- 
waardelijk zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede plotse- 
ling in de voorste rij zullen komen te staan 2 ). 

Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitslui- 
tend vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteurs- 
recht, dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het 
juiste werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. 
De Conventie 1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien 
jaar; de Add. Acte maakte den duur gelijk aan dien van het overige 
auteursrecht, doch onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene 
geautoriseerde vertaling verscheen ; totdat eindelijk de Conventie 1908 
ook deze beperking wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen 
omvang invoerde. 



1) Actes 1908 p. 2Ï5. 

2) Men zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde Klatjs Hoel, 
Actes 1908 pp. 213 en 214 en die vau den Zweedschen gedelegeerde Graaf Taube 
ibid. p. 218. 



376 



Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die 
zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over 
deze keus — speciaal in verband met de toetredirig van ons land — 
zal zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch 
echter eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der 
genoemde Conventie bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk 
niet — of tenminste niet terstond bij de aansluiting — het nieuwe 
art. 8 onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen 
van 1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan. 

Het vertalingsrecht — en dit geldt voor alle drie de regelingen — 
behoort tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd 
zijn; of zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling 
met de rechten die op de landswetten berusten, noemt: „droits 
spécialement accordés par la présente Convention". De bedoelde 
bepalingen houden dus — zooals het door sommige schrijvers is 
uitgedrukt — dwingend materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht 
geldt in het geheele Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie 
zelve daarvoor gesteld heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke 
de inlandsche wetten op dit punt mochten bevatten. Deze wetten 
zijn slechts toepasselijk, voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie 
valt op te maken. Art. 8 Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het ver- 
talingsrecht evenlang duurt als „het recht op het oorspronkelijke 
werk"; middellijk is dus ook de inlandsche wet van het betreffende 
land van invloed, daar deze den duur van het recht op het oorspron- 
kelijke werk bepaalt of althans meehelpt bepalen. De bijzondere 
bepalingen, die de landswetten op het vertalingsrecht mochten bevatten, 
worden echter door de Conventie geheel terzijde gesteld. Dit sluit 
natuurlijk ook in, dat eventueel door deze wetten voorgeschreven 
bijzondere voorwaarden of formaliteiten voor het vertalingsrecht niet 
in acht behoeven te worden genomen *). 



1) Men zie hierover de zeer duidelijke uitleggiDg in het Rapport van Een ad lt 
aan de Conferentie van Parijs, Actes 1896 pp. 168 sqq. De Rechtbank van 
Brussel (10 Jan. 1903) wees ten onrechte een eisch af, op grond dat aan de 
voorwaarden voor het vertalingsrecht, die de wet van het land van herkomst 
(in dit geval Duitschland) eischte, niet was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar 
in dit vonnis verwezen werd, was bovendien toen al niet meer van kracht en ver- 
vangen door die van 19 Juni 1901, welke in 't geheel geen voorwaarden of 
formaliteiten voorschrijft. {D. A. 1904 pp. 56 sqq.) 



377 



Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts 
een minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare be- 
palingen nooit - de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien 
zij niet bestond, zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of ge- 
deeltelijk te doen vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in 
de Conventie 1908 (art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, 
is hierboven, bij de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 
lid 2 Conventie 1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch 
belang ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der 
Add. Acte, daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 
1908, het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen. 

De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel 
getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat 
aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren 
duur der inlandsche wetten alleen dan ondanks de voor de auteurs 
minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen, 
indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De grond 
van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie in geen 
enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan, in slechter 
conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden zijn. Indien 
de wet van een land — zooals b.v. in Luxemburg het geval is — 
op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is en waar 
het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken uit de 
andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover zij meer 
bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter van dit 
land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de Conventie 
moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de 
Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland 
tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 
te bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, 
dan zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nü 
onbeschermd zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken 
slechts tien jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalings- 
recht met het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen 
zou het uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des 
auteurs, dat nü krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de 
Nederlandsche auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij 
het Verbond niet worden opgeheven of verkort. 



378 



oude a r!\ n p r 616 ° pmerki ^ ei1 te die uitsluitend het 

oude art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken 

Het artikel - zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de 
wijziging die er te Parijs in is gebracht - begint aldus: 

JSH t ° t .. een J dm landen van het VerboDd behoorende auteurs of hunn 6 

:^^^r in de aDdere Ma «2 is 

Alleen dus de werken van „tot een der landen van het Verbond 
beboerende auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet oÏÏ 

Lvrwer * ° P ^ het 

gegeven werken van vreemde auteurs, die genoemd worden in art 

6 Conventie 1908 en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikei 

worden eenvoudig „de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde 

de bf, V JZ,g W ° rdt ' h ° Udt iD ' dat deauteurs van deze werken 
; leend " ^ ™ de Additionneele Acte 

verieend zullen genieten. Hieronder is dus ook het uitsluitend ver 

X; TZ ^ 6 C ° nVemie 1908 iS «* duid *r - 
toegek nd" De ITT' T d00r de te ^—^ Conventie worden 
n fïn het * Z T f™"* ^ in de °»*" ^en, 

f* * T In ^ h6rk0mSt W0rden in geroe P en (cf. art. 4 lid 1 
artt. 5 en 6 Conventie 1908). ' 

recÏt 'van Ir 0 ** *" ^ ^ duUr van het ""taling- 

TJ , W^gde art. 5 Conventie 1886, als de zoogenaamde 
„Benut uvgsfnsr van de Add. Acte) wordt berekend naar het thdTtip 
der uugave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van onuitgegeven 

evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De redactie 

z. s irff ; r k f iaat geen ruimte over »- 

no? kZen', , i artlkel in *" ° Ude gedaante betreft zou men 
vertalin" en J f "T "f* ^ 06 gelling in duur van 
vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is vooropgesteld 

felTZ ZOUT 0 '/" ^ * 
den kbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van de 

ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen gld voor 

^erstelling, dat het artikel in het geheel niet Z o^ S e g eZ 



1) Men zie ook het rapport van Kexatjlt, Actes 1896 p. 170. 



379 



werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven 
werken een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand 
dat voor de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalings- 
rechts duurt, zoolang het werk overigens van de bescherming der 
Conventie geniet. 

In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886 
waarin de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aange- 
bracht, worden nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de 
berekening van den termijn, welke geene nadere verklaring behoeven 
Alleen kan het zijn nut hebben, te wijzen op de betekenis welke 
men heeft willen hechten aan de woorden „aflevering" (livraisov) en 
„verslagen of tijdschriften" (bulletins ou cahiers). Onder livraison" 
verstond de Commissie van 1885, die het artikel geredigeerd heeft- 
„une partie d'un ouvrage paraissant par fascicules successifs qui ne 
forme pas en elle même une publication séparée, mais est si indis- 
solublement liée au reste de 1'ouvrage, soit par la pagination, soit 
par son ensemble typographique, que le défaut d'une seule livraison 
rendrait 1'ensemble de 1'ouvrage incomplet et défectueux" i) Het 
Nederlandsche woord „aflevering" geeft hier m.i. het juiste aequi- 
valent; men spreekt hier echter ook van afleveringen van een tijd- 
schnft: deze zullen niet onder de „livraisons" maar onder de cahiers 
ou bulletins" vallen. 

Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de meer 
nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende interpretatie. 
Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken van 
auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven 
werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats 
gehad; terwijl voorts - in overeenstemming met de bepalingen van 
art. 4 lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1903 - onderscheid wordt 
gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst en die 
m de overige Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de 
auteurs krachtens het artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht 
der Conventie. Daar het artikel geen Mjzonderen termijn voor het 
vertalmgsrecht stelt, konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van 
art. 5 Conventie 1886 geheel vervallen. 



1) Actes 1885 p. 44. 



380 



Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalings- 
recht der Conventie ia verband met eene toekomstige aansluiting 
van ons land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders 
van onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt ; indien 
dit slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een 
nog korteren duur dan tien jaar (art 5 Conventie 1886) aan kon 
gegeven worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar 
tegen het toetreden van ons land maken. 

Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd, 
dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten eerlang 
tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht zullen 
overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de interna- 
tionale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de 
erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van 
eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. 
Alleen de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou 
hieraan kunnen doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche 
voorstel aldaar vond, bewijst wel dat er aan een teruggang op den 
afgelegden weg niet valt te denken. 

Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond 
blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886, een 
vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat toe- 
treding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de 
tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de 
Berlijnsche Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, 
die nog geen deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering 
eener volledige internationale auteursbescherming nog eenigszins 
huiverig zijn. Men heeft dezen landen — en hierbij had men vooral 
Rusland en Nederland op het oog — het toetreden tot het Verbond 
gemakkelijk willen maken, door hen niet te dwingen terstond alle 
bepalingen te aanvaarden, waartoe nu eerst de landen, die van den 
aanvang af lid van het Verbond zijn geweest, na een tijdperk van 
geleidelijke ontwikkeling, waren gekomen. Ook aan de landen, die 
zich tot nu toe buiten de internationale auteursrechts-regeling hadden 
gehouden, wilde men de gelegenheid geven denzelfden geleidelijken 
weg te volgen en dezelfde ervaringen op te doen, niet twijfelende, 
of ook zij zouden, wanneer eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, 
de noodzakelijkheid inzien om in dezelfde richting verder te gaan. 



381 



Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedele- 
geerde Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche 
Conferentie is afgelegd 1 ), mag men aannemen, dat het in het voor- 
nemen onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met 
een vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie 
1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook 
onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier 
nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat, 
slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding verêischte 
goedkeuring verleenen. 

Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond 
in dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden 
weg. Wij zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van 
internationaal auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij 
bijna alle andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat 
het niet goed is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, 
evenals de andere landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met 
een vertalingsrecht van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. 
Later — wellicht nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn — 
zou men dan tot invoering van den langeren termijn kunnen overgaan. 

Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van 
te groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur 
toch eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht 
van even langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, 
dan bestaat er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen 
verschuiven. Want, ook afgezien van alle overwegingen van principieel- 
juridischen aard, zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het 
nieuwe artikel 8 Conventie 1908 verre de voorkeur verdienen boven 
het zich vastklampen aan de oude bepaling der Conventie 1886. Wat 
toch zou het "gevolg zijn van dit laatste ? Niet alleen, dat de werken 
uit de andere landen in ons land slechts tien jaar tegen vertalingen 
beschermd zouden zijn, maar ook dat voor alle Nederlandsche werken 
in het geheele Verbond diezelfde korte termijn zou gelden. De Neder- 
landsche werken (d.w.z. de in Nederland uitgegeven werken en de 
onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs) zouden dus overal 
aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken uit andere 



1) Actes 1908 p. 217. 



382 



landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde, gevolg 
hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland (en 
dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden, 
hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België 
of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe 
kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals 
wij hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie 
niet meer het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland 
zelf ophield. 

Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor 
pleiten om bfl onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908 on- 
voorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande den 
nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar ,om 
mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als 
een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu, 
dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou 
kunnen hebben. 

Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van 
de Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het 
overige auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a j° art. 16, 1°); voor 
uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de 
belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave en 
dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze ztj 
voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij 
(art. 56). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt, 
geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op 
in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook 
geen beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. 
Er zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne bin- 
nenlandsche wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie 
voor het vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 
Juni 1901; Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. 
Acte toetrad en eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming 
hiermede wijzigde; Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en 
Zwitserland met een „Benützungsfrist'* van vflf jaar, hoewel beide 
staten de Additionneele Acte hebben bekrachtigd). 
Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is uit- 



383 



eengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche 
wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar 
de Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom 
ook niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen *). 
Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de inlandsche 
■wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming zij. 
Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond 
toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen, die 
krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale 
betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar 
(ongewijzigd art. 5 Conventie 1886) ; óf een vertalingsrecht van even 
langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene 
geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd 
door Add. Acte 1896) ; óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van 
het vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908). 

II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; 
Conv. 1886 art. 7; Add. Acte 1896 art. 1, IV) 

De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepa- 
lingen voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepu- 
bliceerde stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale 
verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen 
en ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. 
Het van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot 
de internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche 
bij de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden 
gezien. 

Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den 
Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voor- 
kwam, werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 
en 1885 aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zege- 
vierde een Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk 
ontleeningen aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijge- 
laten,' behalve wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig 



1) Niet geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door Mr. L. J. Plemp 
van DurvELANP, Onze Eeuw 1909 I pp. 123 en 124. 



384 



onderwerp van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou 
kuDnen worden voorbehouden van andere opstellen van eenigen 
omvang (articles de quelque étendue), onder welke laatste echter niet 
zouden worden gerekend die over de politiek *). 

In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen 
verworpen te hebben, met een- nieuw voorstel, dat behoudens eene 
kleine redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Con- 
ventie is opgenomen. 

Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit dag- 
bladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van eiken 
aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft verboden. 
Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour) en 
gemengde berichten (faüs divers) is zelfs het stellen van een verbod 
uitgesloten ; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming van 
auteur of uitgever worden overgenomen. 

Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeu- 
ring; het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder 
dan vijf verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. 
afkomstig van : Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco 
De Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene 
redactie, waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was 
rekening gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts nood- 
gedrongen neerlegden »). 

Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen : 

a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd 
zn'n; 

b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen 
worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren, 
dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is over- 
nemen in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan 
mag het artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding 
van de bron; 

c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten, 
waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden. 



1) Meu zie hierover: Actes 1884 pp. 31 en 52 sqq. 
2} Actes 1896 pp. 115, 116. 
3) Actes 1896 pp. 136 sqq. 



385 



Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid 
over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom 
verschillende wijzigingsvoorstellen, nl. van: Duitschland, België 
Engeland en Italië »). Ook duurde het lang, voordat men in den 
boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had, tot een- 
stemmigheid was gekomen 2 ). Het resultaat was in 't kort het volgende. 

In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene 
regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften 
(„feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige, 
wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp 
ervan is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd 
mag worden. 

Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van 
tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen 
feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie 
niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd. 

Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is 
op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvou- 
dige persinformaties dragen. 

De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie 
achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men 
de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden ge- 
vonden, een oogenblik afzonderlijk beschouwt. 

Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen 
op het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting : 
het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander 
overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren 
van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk 
op het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei 
aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van 
werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden? - 
en ten tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk 
geval worden uitgestrekt? 

1) De tekst dezer voorstellen is te vinden: Actes 1908 pp. 287 sqq. De toe- 
lichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en die van het Belgische 
pp. 203 sqq. 

2) Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 249 sqq. 



386 



Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, 
dat de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door 
berichten en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en 
waarvan dus de reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht 
kan uitmaken. Deze werken zouden dus in eene regeling, die alleen 
het auteursrecht betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. 
Zeer juist is, wat hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde 
de Borchgrave in het midden bracht: „Le régime spécial adopté 
pour les nouvelles du jour et les faits divers pourrait échapper a 
toute critique sérieuse. On ne concoit pas de droit d'auteur la oü 
il n'y a ni oeuvre littéraire, ni création de 1'esprit dans le sens élevé 
du mot. Si donc il y a lieu de protéger les informations et les faits 
divers contre les emprunts peu scrupuleux de certains journaux, c'est 
dans une loi spéciale, et non pas dans une loi relative au droit 
d'auteur, qu'il faut réaliser cette protection. Elle échappe a 1'objet 
propre de notre matière" 4 ). 

Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot uitdruk- 
king gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat „de bescherming 
der Conventie" niet van toepassing is op nieuwtjes en gemengde 
berichten, die het karakter van eenvoudige pers-informaties dragen. 
Er is op de Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, eene 
bepaling op te nemen tegen het overnemen van telegraphische be- 
richten uit dagbladen 2 ). Doch men heeft ingezien, dat men daar- 
mede buiten het gebied van het auteursrecht zou treden. Daarom is 
ook de bovengenoemde redactie gekozen van art. 9 laatste lid, waarin 
duidelijk staat uitgedrukt, dat de Conventie zich met de bedoelde 
berichten in het geheel niet inlaat en zich over het al of niet recht- 
matige van het overnemen ervan niet uitspreekt 3 ). Dit is juister 
dan hetgeen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 op dit punt 
bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten (en ook op politieke 
artikelen, waarover straks) het verbod van nadruk, dat de auteur of 
uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon stellen, niet toe- 



1) Actes 1896 p. 137. 

2) Men zie het Duitsche voorstel, Actes 1908 pp. 44, 45 en het Belgische 
amendement daarop ibid. pp. 206, 207. 

3) Cf. hierover het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 251, 252 en de verklaring 
van de Borchgeave op de vergadering van 13 Nov. 1908, Actes 1908 p. 215. 



387 



passelijk was (art. 7 laatste lid). Hieruit zou de verkeerde gevolg- 
trekking kunnen worden gemaakt, dat het krachtens de Conventie 
in alle gevallen vrijstond, berichten uit dagbladen zonder toestem- 
ming van schrijver of uitgever over te nemen, ook indien daarin b.v. 
een daad van deloyale concurrentie was te zien. In hoofdzaak echter 
komen de bepalingen van art. 7 laatste lid Conventie 1886 en Add. 
Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op hetzelfde neer 
hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde berichten in geen 
geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook verder buiten 
beschouwing blijven. 

Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van 
journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen noodig zijn. 

Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt 
tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en de 
Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in 
het algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in 
tijdschriften en dagbladen zijn verschenen, terwy'1 de Conventie 1908 
uitsluitend daartoe rekent wat in dagbladen is verschenen. Ten 
aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn, 
dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting, 
waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich 
rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling 
der journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van 
een publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagblad- 
schrijver, het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk 
in andere bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant 
bestaat ook voor een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de 
directie van een dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél 
zal gevoelen, om stukken uit andere bladen over te nemen. 

De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe 
bepaling der Conventie 1908 'reeds vrij aanmerkelijk vernauwd. 

Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk 
na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden 
gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn, 
geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie 
1886 en der Add. Acte op. stukken in tijdschriften en dagbladen, die 
der Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan. 

Wij hebben dan te onderscheiden: 



388 



1) feuilleton-romans en novellen, 

2) artikelen over de politiek, 

3) alle andere artikelen. 

De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886 niet 
genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de journalistieke 
bijdragen gerekend kunnen worden wordt veelal aangenomen, dat 
zij niet onder de bepalingen van het artikel vielen en dat dus ook 
vóór de herziening van Parijs de romans en novellen geen voorbehoud 
behoefden om niet te worden nagedrukt. Zonder twijfel is dit ook te 
Bern de bedoeling geweest van degenen, die het artikel hebben ge- 
redigeerd; hetgeen ook hieruit zou zijn af te leiden, dat eene op de 
Conferentie van 1886 door de Fransche gedelegeerden voorgestelde, 
doch later weer ingetrokken „Verklaring", waarin deze interpretatie 
uitdrukkelijk was uitgesproken, door degenen die er het woord over 
voerden voor overbodig werd gehouden, daar zij geen wy'zigmg, maar 
slechts eene uitlegging der bepaling bracht 2 ). 

Intusschen heeft men het te Parys noodig geacht eene uitdrukke- 
lijke bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook 
daar van oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en 
geene wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; ,...il 
n'y a pas vraiment innovation ; la disposition est seulement explicative", 
merkte Renault dienaangaande in het Commissie-rapport op 3 ). 

Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat 
feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren, 
waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten 
(art. 9 lid 2). 

Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de 
meeste gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Com- 
missie-rapport van 1896 worden de novellen („nouveUes") omschreven 
als: „de petits romans, de petits contes, des oeuvres de fantasie 
concentrées souvent dans un seul article de journal ou de revue" *). 



1) Men zie hierover o.a.: La reproduetion des romans feuilletons dansles 
joumaux, D. A. 1893 pp. 13 sqq., en: Du droit de reproduetion en matière de 
journaux et de publications pénodiques, D. A. 1896 pp. 8 sqq. 

2) Actes 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie Eöthlisbergek t. a. p. p. 203. 

3) Actes 1896 p. 171. 

4) Actes 1896 p. 171. 



389 



De Engelsche vertaling is „works of fiction" en de Duitsche „Novel- 
len". Hier is dus ook ons woord , novellen" op zijne plaats. De 
rapporteur van 1908 verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven 
omschrijving, dat de Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook 
worden daar als tot deze soort werken behoorende genoemd: „de 
petits dialogues, de petits récits historiques, etc." 1 ). 

Onder artikelen, over de politiek (articles de discussion polüique), die 
afzonderlijk worden genoemd in art. 7 laatste lid Conventie 1886 en 
Add. Acte 1896, heeft men alleen die geschriften te verstaan, welke 
de politiek van den dag betreffen; niet bijvoorbeeld opstellen over 
staatkundige of sociaal-economische vraagstukken. In dezen zin heeft 
men zich op de Conferentie van Bern van 1885 in overeenstemming 
met een wensch der Duitsche delegatie uitdrukkelijk uitgesproken 3 ). 

Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de nieuwtjes en 
gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle gevallen, 
ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden had, vrij- 
gelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist ten aan- 
zien van artikelen over de politiek het overnemen uit buitenlandsche 
bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs onvermijdelijk is. Op 
de Conferentie van Berlijn heeft men echter ingezien, dat het niet 
aangaat, geschriften, die overigens aan alle eischen die men aan een 
auteursproduct kan stellen, voldoen, om die reden onvoorwaardelijk 
van alle bescherming uit te sluiten. Daarom heeft de Conventie 1908 
de onderscheiding tusschen de politieke en niet-politieke artikelen 
laten vallen. 

De, hierboven in de derde plaats genoemde, „alle andere artikelen", 
waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen gelden, zijn dus 
volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle stukken in 
tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en gemengde 
berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de politiek, 
en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, uitge- 
zonderd: .nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van 
eenvoudige pers-informaties dragen", feuilleton-romans en novellen. 



1) Actes 1908 p. 251. 

2) Actes 1885 p. 46. 



390 



Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn 
nog voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de 
bepalingen voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch 
dit voorstel, dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, 
werd later weer ingetrokken *). 

Wij komen nu tot de tweede vraag, nl. : waarin bestaat de vrij- 
heid, die voor de genoemde werken wordt verleend? 

In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen 
van deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit uitdruk- 
kelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin stemmen de 
regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen), dat het 
auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den recht- 
hebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven 
te zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door 
het stellen van een verbod. 

Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen, 
ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzi- 
gingen of verduidelijkingen hebben gebracht. 

In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet worden 
onder het overnemen of „reproduceeren" van een artikel in dit ver- 
hand. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt het reprodu- 
ceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de uitdrukkelijke 
vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de Conventie 1886 
en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar er geen 
grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het 
auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid 
van reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt 
voor iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. 
De Conventie 1908 is op dit punt duidelh'k en beslist: het overnemen 
is alleen toegestaan aan andere dagbladen (art 9 lid 2). De oude 
bepaling (Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid 1) 
liet het overnemen toe „in de andere Verbondslanden" ; vrij alge- 
meen wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het 
overnemen in andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel 
in geen geval toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm 



1) Men zie het Commissie rapport Actes 1908 p. 251. 



391 



te publiceeren. Zoowel op de Berner Conferentie van 1885 als op de 
Parijzer Conferentie van 1896 was men het over deze uitlegging der 
bepaling eens 1 ), en op grond hiervan kon van de redactie-wijziging, 
die in Berlijn werd aangebracht, in het Commissie-rapport worden 
gezegd: „C'est une précision, et non une innovation" 2 ). 

Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is 
die betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe 
werd voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Con- 
ventie opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de 
naam van het blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de 
naam van den auteur, indien het stuk onderteekend was, moet 
worden vermeld 3 ). Volgens deze bepaling der Add. Acte was het 
echter niet geheel duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de 
overtreding van het voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt ge- 
schonden, is volgens de theorie, die ik in de voorgaande hoofd- 
stukken heb ontwikkeld, geen auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. 
Strikt genomen kwam de Conventie daarom met deze bepaling buiten 
de grenzen, die zij zich gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen 
gesproken van „de bescherming van het auteursrecht op werken van 
letterkunde en kunst" ; daaronder behoort niet het recht op eerbiedi- 
ging van den auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het 
overnemen van stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is 
toegestaan, „mits de bron wordt genoemd", kan men aannemen dat 
het overnemen van dergelijke stukken zonder aan de gestelde voor- 
waarde te voldoen, als inbreuk op het auteursrecht moet worden 
aangemerkt. Uit doctrinair oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling 
de bedenking te maken, dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht 
niet goed onderscheidt. 

Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift 
betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdruk- 
kelijk bij, dat de sanctie ' op het niet nakomen dezer verplichting 
bepaald wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt 
ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 lid 2). 



1) Men zie: Actes 1885 p. 46 en Actes 1896 p. 171. 

2) Actes 1908 p. 254. 

3) Actes 1896 p. 171. 



392 



De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der 
besproken regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is 
nog het minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. 
Het volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken. 





Van alle bescherming 
uitgesloten: 


Voorwaardelijk beschermd 
d. w. z. mits door uitgever 
of schrijver een verbod van 
iiauruK is gesieiu. . 


Onvoorwaard euj k 
beschermd: 


Conventie 1886 
art. 7 


artikelen over de poli- 
tiek, nieuwtjes en ge- 
mengde berichten. 


dagblad- en tijdschrift- 
artikelen. 


(feuilleton-romans 
en novellen) 1). 


Add. Acte 1896 
art. 1, IV 


ld. 


id. behalve feuilleton-romans 
en novellen. 
De bron moet worden ge- 
noemd. 


feuilleton-romans 
en novellen. 


Conventie 1908 
art. 9 


nieuwtjes en gemengde 
berichten, die het ka- 
raktervan eenvoudige 
pers-informatie dra- 
gen. 


dagblad-artikelen, behalve 
feuilleton-romans en novellen. 
De bron moet worden ge- 
noemd. 


id. 

benevens alle arti- 
kelen in tijd- 
schriften. 


W. A. R. 
art. 7 lid 2 


2 ) 


berichten en opstellen uit dag- 
en weekbladen. 
De bron moet worden ge- 
noemd. 













De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral 
met den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding 
van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien 
in onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. "Wij hebben hier 
uit den aard der zaak uitsluitend met door den druk gemeen gemaakte 
werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit 
„door den druk gemeen maken" in Nederland of Nederlandsch-Indië 
is geschied. De besproken bepalingen der Conventie daarentegen zijn, 
in overeenstemming met de regeling van art. 4 Conventie 1908, alleen 
toepasselijk op het overnemen van stukken uit dagbladen, die in 



1) Zij werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388. 

2) Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige nieuwsberichten. 
Cf. boven pp. 173 sqq. 



393 

andere Verbondslanden verschijnen. De zaak zou dus voor den Neder- 
landschen rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buiten- 
landsch (d. w. z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden 
te beoordeelen zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een 
hier te lande (of in Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede 
lid van onze wet. Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou 
hierbij derhalve niet te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit 
de auteur behoort, zou geheel buiten beschouwing kunnen blijven, 
daar zoowel volgens de Conventie als volgens onze wet uitsluitend 
de plaats van het door den druk gemeen maken (in dit geval dus: 
de plaats waar het blad verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid 
beslist. 

'Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze toe- 
treding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in 
overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar 
dit niet strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik 
echter, dat ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder 
bezwaar van dien regel kan worden afgeweken. Indien de regeling 
der Conventie niet volkomen strookt met de toestanden en gebruiken 
van de Nederlandsche pers — eene vraag waarop ik hier niet verder 
wil ingaan - dan bestaat er m. i. niet de minste reden om die 
regeling, welke natuurlijk ten aanzien der internationale persverhou- 
dingen moet worden aanvaard, ook nog in onze wet onveranderd 
over te nemen. Het recht dient zich aan de bestaande verhoudingen 
en toestanden aan te passen, en deze verhoudingen en toestanden 
zijn allicht niet dezelfde tusschen de Nederlandsche persorganen 
onderling dan tusschen de Nederlandsche en de buitenlandsche. Ver- 
schilpunten tusschen onze wet en de Conventie behoeven - zooals 
wij gezien hebben - geen aanleiding te geven tot verwarring. Wél 
zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, indien bij eene herziening 
van onze wet ook in het stelsel van art. 27 wijziging werd gebracht; 
indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard op alle werken van 
Nederlanders, ook die welke in het buitenland in druk uitkomen. In 
dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een Fransch blad een 
artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens de Conventie als 
krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en de rechter zou 
tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene vergelijking 
moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen te kunnen 



394 



toepassen. Doch deze moeilijkheden zouden gemakkelijk zijn te voor- 
komen, door de bijzondere bepalingen voor dagbladen en tijdschriften 
- in de wet uitsluitend toepasselijk te verklaren op het overnemen van 
stukken uit de binnen het Rijk verschijnende bladen. 

Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht 
de Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij onze 
aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk 
worde aanvaard In de eerste plaats kan hiervoor worden aangevoerd, 
dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der Conventie 1886 
en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste bepalingen laten, 
om artikelen over de politiek over te nemen zelfs tegen den uit- 
drukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de beginselen 
van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk van 
feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de Con- 
ventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896. 

Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient het 
nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat hoogst- 
waarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, 
het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen. 

Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking 
zal zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele 
Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw 
toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat 
dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen 
beweren. 

Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe 
bepaling, volgens welke de sanctie op het niet nakomen der ver- 
plichting, de bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet 
van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 
art. 9 lid 3). Eene bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze 
wet. Er staat daar (art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk 
gemeen maken van berichten enz. vrijstaat „mits de bron genoemd 
worde", doch de wet laat zich niet uit over de gevolgen van de 
overtreding van dit verbod. Het ware wellicht wenschelijk om — 
zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd heb — op dit punt de Duitsche 
wet tot voorbeeld te nemen, die het niet noemen van de bron, waar 
dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit (eene overtreding met 
maximum boete van 150 Mark) verklaart. 



395 

III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; 
Conv. 1886 art. 8) 

Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van Duitschland 
een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen opsomde, 
waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in het 
belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het 
volgend jaar van verschillende zijde bestrijding 1 ) en werd tenslotte 
in de Commissie met zeven tegen vijf stemmen verworpen 2 ). Toen 
de poging, om op dit punt eene eenvormige regeling voor het geheele 
Verbond tot stand te brengen, hiermede was mislukt, stelde de 
Commissie van 1885 in de plaats van het afgestemde artikel de 
volgende bepaling voor, die werd aangenomen en sindsdien ongewijzigd 
is blijven bestaan art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908): 

Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- of kunstwerken 
in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk karakter dragende 
uitgaven of in bloemlezingen, blijven de bepalingen van de wetgeving der 
Verbondslanden en van de tusschen dezen bestaande of nog te sluiten 
bijzondere overeenkomsten gehandhaafd. 

Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die 
bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke 
meer bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel 
Conventie 1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt 
de bepaling nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan 
wetten en bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, 
zoodat ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan 
voorwaarden verbinden, door de Conventie niet buiten werking 
worden gesteld. 

Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen ; alleen wordt 
in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen „ter aankondiging 
of beoordeeling" uit andere werken vrijgelaten. Dit is dus feitelijk 
iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie betrekking heeft. 
Bij de bespreking van de bepaling te Bern werd echter ook de 
vrijheid van citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden van 



1) Actes 1885 pp. 29, 30. 

2) Actes 1885 p. 47. 



396 



alle landen werd de verklaring afgelegd, dat deze vrijheid door hunne 
wetgeving binnen zekere grenzen wordt erkend »). Aan deze ver- 
klaringen werd in het rapport van 1908 nog eens nadrukkelijk 
herinnerd Het mag dus als vaststaande worden aangenomen, dat 
deze vrijheid door de Conventie in geenen deele wordt beperkt en 
dat de desbetreffende bepalingen der landswetten ook tegenover werken 
uit andere Verbondslanden van kracht blijven. 

Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke 
onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft, 
gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toe- 
treding tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien 
uit werken van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen. 

Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toe- 
gepast artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1 860 
tusschen Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt: 

De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van chrestomathieën 
samengesteld uit fragmenten of uittreksels van Fransche schrijvers, zal' 
veroorloofd zijn, mits die verzamelingen inzonderheid bestemd zijn voor 
het onderwijs, en uitlegkundige aanteekeningen of vertalingen in de Neder- 
landsche taal bevatten. 

Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talryk 
zijn 3;, en voor het onderwijs niet alleen van het Fransch, maar ook 
b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen worden 
geacht, zou het wellicht met het oog op eene toekomstige toetreding 
van ons land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen van 
de vrijheid die artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten 
en afzonderlijke tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan 
volgens de thans bestaande bepalingen zou geschieden. Door b v 
eene bepaling, in den zin van de bovengenoemde uit ons tractraat 
met Frankrijk, in onze wet op te nemen, zouden wij volkomen 
binnen de grenzen blijven, welke art. 10 der Conventie stelt Deze 
bepaling zou dus toepasselijk zijn op alle bloemlezingen, die in 



1) Acte» 1885 p. 47. 

2) Acte* 1908 p. 254. 

3) In een ingezonden stuk van den heer A. de Jager in het Nieuwsblad 
voor den Boekhandel 1898 no. 100 worden een zestigtal titels van dergelijke 
uitgaven genoemd, die door den schrijver worden aangeduid als: „eenige, die 
mij het eerst voor de hand kwamen". 



397 



Nederland zouden worden verspreid, waarin werken van auteurs uit 
andere Verbondslanden zouden zijn opgenomen. Het behoeft geen 
betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie zijne tegenwoordige gedaante 
blijft behouden, eene oplossing langs dezen weg (nl. door eene 
bepaling in de binnenlandsche wet op te nemen, die voor alle Verbonds- 
auteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger is, dan door met 
eiken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst te. sluiten. 

Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier 
nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor 
schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Con- 
ventie, althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel 
eens door tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het 
Vaderland van 17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: 
„Bij toetreding tot de Berner-Conventie — wij herhalen het — zal 
het mogelijk zijn het bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken 
nl. waarin stukken van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) „te 
weren. Dit schijnt de bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, 
dat de Conventie zegt": (volgt de tekst van het artikel). „Maar 
't spreekt van zelf, dat het geheel van de interpretatie van de uit- 
drukking „op geoorloofde wijze" en van „te sluiten overeenkomsten" 
afhangt, hoever de hier welwillend verleende bevoegdheid gaat. 
Wee den dwerg, die te contracteeren heeft met den reus P' ») 

Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen 
een dwerg en een reus, behoeft hier, zooals uit mnne uiteenzetting 
volgt, in 't geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene 
bepaling in de wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling 
zal de Nederlandsche rechter hebben te beslissen, wat al of niet 
geoorloofd is. Natuurlijk moet de wet blijven binnen de grenzen die 
door art. 10 der Conventie worden gesteld (eene bepaling b.v. die 
het overnemen van geschriften in alle mogelijke verzamelingen vrij 
liet, zou tegenover auteurs van andere Verbondslanden niet mogen 
worden toegepast); doch deze grenzen zijn ruim genoeg. De wet- 



1) Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver van het 
bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel overgenomen. 
M Z h °PS enomen iD: Nederland en de Berner Conventie door 

hoff 1898 ENS ' met bijkgen ' 2de ^rmeerderde druk, Groningen, P. Noord- 



398 



gevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten bepalingen in den 
bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid van ontleeningen 
nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling van ons 
tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers 
gerust zijn. 

IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; 
Conv. 1886 art. 9) 

Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en 
uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene 
afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie 
1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel reeds 
in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand gekomen 
en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar werden 
deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan, in 
art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht. 

Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tus- 
schen het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale 
werken en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten 
werden de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk 
verklaard; het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, 
indien zij in druk waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk 
zijn voorbehouden, eene voorwaarde die voor de tooneel- en drama- 
tisch-muzikale werken niet gold. 

Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziek- 
werken was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder 
die van Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in 
Parijs, ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België 
werd ondersteund 1 ), niet weggenomen. De Parijsche Conferentie 
bracht het niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: „dat 
de wetgevingen der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen 
binnen welke de volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aan- 
vaarden, dat uitgegeven werken der toonkunst beschermd moeten 
zijn tegen ongeoorloofde uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen 
zij tot het stellen van een voorbehoud" 2 ). Met die door de wetgevingen 



1) Actes 1896 p. 172. 

2) Actes 1896 p. 229. 



899 

i 

der Verbondslanden vast te stellen grenzen had men voornamelijk 
eene regeling op het oog van die gevallen, waarin een onvoorwaar- 
delijk verbod van uitvoering zonder toestemming des auteurs niet 
algemeen gewenscht schijnt, zooals b.v. bij volksfeesten, weldadig- 
heidsconcerten, uitvoeringen door dilettanten, en dergelijke. 

Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeen- 
komstig den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen 
door Zweden en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig be- 
zwaar gemaakt, dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd 
opgegeven J ). De wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat 
vroeger zich tegen een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had 
verzet, doch dat inmiddels in zijne wetgeving eenige beperkingen 
als de bovenbedoelde had kunnen opnemen (wet v. 19 Juni 1901 
art. 27) waardoor de vroegere bezwaren hun grond hadden verloren. 

Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van 
muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneel- 
stukken en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het 
van de oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog 
enkele andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig 
beteekenis, zooals hieronder zal blijken. 

In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uit- 
voering door de bepaling der Conventie verzekerd ? Bij de beantwooding 
dezer vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschil- 
punten van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die 
van 1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: „de bepalingen van 
art. 2" hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men 
hiervan gemaakt: „de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". 
Dit maakt in wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide 
artikelen is deze, dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond 
erkend moet worden, volgens de algemeene regelen, die de Conventie 
voor de internationale bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 
en artt. 4, 5, 6 en 7 Conventie 1908). De regeling is dus niet 
dezelfde als die van het uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste 
wordt — zooals wij gezien hebben — direct door de Conventie ver- 
leend, onafhankelijk van de landswetten ; het uit- en opvoeringsrecht 
daarentegen — al wordt het afzonderlijk genoemd — is niet in de 



1) Actes 1908 p. 256. 



400 



Conventie zelve gecodificeerd, maar valt onder de bepalingen, die de 
Conventie over de bescherming in het algemeen inhoudt. Na hetgeen 
over deze bepalingen (nL die van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds 
is gezegd, behoeft de beteekenis hiervan niet nader te worden toe- 
gelicht. Het komt in hoofdzaak hierop neer, dat in elk Verbondsland 
het op- en uitvoeringsrecht, dat de wet aldaar verleent, kan worden 
ingeroepen voor de werken die uit een der andere Verbondslanden 
afkomstig zijn, met vrijstelling van eventueel voorgeschreven voor- 
waarden of formaliteiten. Wat den duur van het op- en uitvoerings- 
recht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid 2 Conventie 1908 „den 
duur, vastgesteld in het land van herkomst niet mogen overschrijden". 
Hierbij dient echter te worden aangeteekend, dat met den „duur" in 
het land van herkomst wordt bedoeld de duur van het auteursrecht 
in het algemeen, de zoogenaamde „hoofdtermijn", en dat dus niet in 
aanmerking komt de bijzondere termijn van korteren duur, die de 
wet van het land van herkomst voor het op- of uitvoeringsrecht 
mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land verleent een 
auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, doch slechts 
een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal het opvoerings- 
recht van uit dat land afkomstige werken in de andere landen van 
het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten termijn ; 
doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig jaar na den 
dood des auteurs *). 

Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie 
1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan 
de boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen 
van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. 
Hier valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe 
bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang het 
vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen ongeoor- 
loofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het uit- 
sluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld) 
omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908 
hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het 
recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld 
(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien 



1) Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. Eöthlisberger t. a. p. p. 222. 



401 

van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het 
evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke loerk. Het ver- 
schil is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie 
ten opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan. 

Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne 
lijn gesteld met het „door den druk gemeen maken"; indien het in 
dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de artt. 
4—7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering eener 
vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8. 

Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. 
Op onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat 
op- en uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs 
(art. 15, 1°); op door den druk gemeen gemaakte werken echter 
slechts gedurende tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur 
uitdrukkelijk wordt voorbehouden (art. 15, 2° j° art. 12). 

Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet. 

Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen 
zijn om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot 
het Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht 
van muziekwerken tot „de rechten, die het onderwerp dezer 
Overeenkomst uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen 
van de tot op heden toegetreden staten; en al wegen de belangen 
hier niet zoo zwaar als die b.v. bij het auteursrecht op werken van 
beeldende kunst zijn betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral 
ten aanzien van een land als het onze, waar veel muziek van 
buitenlandsche componisten ten gehoore wordt gebracht. De moge- 
lijkheid is dus geenszins uitgesloten, dat de Verbondsstaten op grond 
van art. 25 als een van de voorwaarden om te mogen toetreden, 
zouden stellen, dat het bedoelde recht in de wet worde erkend. 

Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben, 
toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn, 
dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen 
uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming 
nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou 
worden verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook 
van onze zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus 
vóór onze toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van 

• 26 



402 



muziekwerken in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen dat 
men daarbij niet te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht 
dus verschoond zal blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals 
hier nog ten aanzien van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. 
In het bijzonder is het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal 
worden gemaakt tegen de erkenning van een uitvoeringsrecht, dat 
met bij de uitgave van het muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur- 
te voorbehouden. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal bij de bekrach- 
tiging der Conventie 1908 art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard 
kunnen worden, maar zullen wij ons moeten houden aan art. 9 
Conventie 1886. 

Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzi- 
kale werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet 
maar in tijdsduur staat het toch - tenminste voor de door den druk 
gemeen gemaakte werken - verre bij dat van alle wetgevingen der 
Verbondslanden ten achter. Slechts twee landen hebben voor het 
opvoeringsrecht een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig Jaar na 

Jol rfl a ? tem ' S U geW « Zigd d00r de wet ™n 29 April 
904) en Italië (tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art 

10; volgens het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het 

overige au eursrecht, vyftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet 

dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. I n alle andere 

Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen 

maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt 

zou onze kortere termijn, zoo deze b ö onze aansluiting gehandhaafd 

TeSZT ! nV Oe ? ebben ° P dUUr Van het opvoeringsrecht van 
Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens 
onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van den 
angeren beschermingstermnn voor het opvoeringsrecht inhet buiten- 
^nd kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud, dat art. 12 

1 V^T h \ Een iD Ned6rland uit ^ k0 ^ tooneelstuk zou in 
a le Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit niet 
bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden. 

zeTvoÏl ? *° U ™ Wken 00 andere Verbondslanden 

geen voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoe- 

moe n wT "T* ™ *"* Werkan *-r Nederlandse* recht 
moeten worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave be- 
dragen). In dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige 



403 



bepalingen op het opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, 
door onze toetreding tot de Conventie meer ontvangen dan geven. 
Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat dit allerminst een reden 
mag zijn, om de gebrekkige bescherming tegen opvoeringen in onze 
wet maar te laten, zooals zij is. 

Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde 
taal (waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend 
recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij 
gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 
1908, de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht 
van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen over 
opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten toe- 
passing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen van 
Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere 
landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve 
uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der 
Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen. 

V Bewerkings recht (Conv. 1908 art. 12 ; 
Conv. 1886 art. 10; Verklaring van Parijs 3°) 

De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk 
van het bewerkingsrecht, doet zich natuurrijk vooral bij het samen- 
stellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij met wets- 
bepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet worden 
gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het op de 
Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit 
vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886, 
dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten gewijzigd 
is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet minder dan 
vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad *). 

Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de 
min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het 
werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt, 
stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk 
op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de 



1) Men zie: Actes 1885 pp. 48 sqq. 



404 



bedoelde practijkeu niet met één woord waren aan te duiden en in 
het bijzonder het Pransche woord adaptation (dat eigenlek beteekent : 
„pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere 
smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding zou 
geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij 
„omwerkingen" (adaptations) en „muziek-arrangementen" slechts als 
voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing 
in veranderden vorm uit te sluiten. 

Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoo- 
genaamde „dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) 
onder de bepaling van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring 
werd deze vraag bevestigend beantwoord (3°); op de Conferentie van 
Berlijn heeft men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den 
tekst van het artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt: 

Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige Overeenkomst 
van toepassing is, behooren in het bijzonder de indirecte, niet toegestane 
toeëigeningen van een werk van letterkunde of kunst, die met verschillende 
namen worden aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; ver- 
vorming van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd, 
enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een dergelijk 
werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen, toevoegsels of 
afkortingen, die tot het wezen van het werk niets afdoen, zonder overigens 
het karakter te hebben van een nieuw, oorspronkelijk werk. 

In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van 
dezen inhoud: 

Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der verschillende 
Verbondslanden casu quo rekening houden met de bijzondere bepalingen 
hunner respectieve wetten. 

Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te 
schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette 
Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel zonder 
bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het artikel 
is naar mijne meening door het weglaten van het laatste lid niet 
eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met de bijzondere 
bepalingen van de wet van hun land rekening moeten houden bn' 
de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten punten 
zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig uit- 



1) Actes 1896 pp. 172, 173. 



405 



spreekt 1 ). Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht blijft 
de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook 
in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie, die 
aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: „de auteurs hebben het recht 
enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht, maar: 
„Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige Overeen- 
komst van toepassing is, behooren . . enz." De Conventie schept hier dus 
geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen, arrangementen 
enz. buiten de ' landswetten om ; doch het artikel geeft, evenals het 
vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang der be- 
scherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de verschillende 
landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating van het 
tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12 Conventie 
1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op dit stuk 
geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling mede 
te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn land, 
tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het artikel 
in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren 2 ). 

In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde 
niet voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, 
over de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt, 
ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten, 
ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen eene 
uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met de bepalingen 
der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een uitsluitend be- 
werkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan; het auteursrecht 
van onze wet zou alleen betrekking hebben op het reproduceeren 
in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over deze uitlegging, 
die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de redenen opgegeven, 
waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189 sqq.). Het gaat 
hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid ; met terzijdestelling 
van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan, te herinneren, dat 



1) Men zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van Duitschland, 
Spanje en -Italië over het bewerkingsrecht van de auteurs van geschriften en 
muziekwerken pp. 187, 188, 210. 

2) Cf. het Commissie-verslag Actes 1908 p. 258. 



406 



deze opvatting bestaat en ook door den rechter bij voorkomende 
gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht *). in verband 
met het vorige zal het duidelijk zn'n, dat dit na onze toetreding tot 
de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven. Door 
aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land zich verbinden, 
aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen 
tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen van 
muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en dicht- 
stukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan kan 
het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene 
dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het 
lid worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, 
eene uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de boven- 
genoemde interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die 
art 2 Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld. 

VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 
1908 art. 13; Conv. 1886 Slotpr. n°. 3) 

In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884—1886) 
had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den 
graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht 
der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog 
maar hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland 
veel worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, 
die slechts een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore 
brengen en die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst 
bescheiden rol vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling 
verklaren, die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd 
gewijd. In het verslag der handelingen van geen der drie Conferenties 
is er iets over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, 
die erover in de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding 
had ontmoet. De bepaling, te vinden in het Slotprotocol (n°. 3) luidt 
als volgt: 



1) Tot nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over deze vraag 
uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq. 



407 



Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van instru- 
menten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken weer te geven, 
die tot de beschermde producten behooren, niet wordt beschouwd als nadruk 
van muziekwerken. 

Bh" deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven, 
wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling, 
welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk 
te bespreken. 

Over de uitlegging, die aan Slotprotocol n°. 3 Conventie 1886 moet 
worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt 
aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en draai- 
orgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij het vast- 
stellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vryheid van reproductie, 
die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de later in exploitatie 
gebrachte instrumenten als pianola, pianista, phonograaf, grammophoon, 
herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél inbreuk op het 
auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij, die deze 
interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van Numa Droz 
beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties, die zich op 
eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in 1889 in dezen 
zin uitliet 1 ). 

Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter 
der Conferenties, „presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij 
toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische 
muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge 
waar zyn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de 
techniek zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en 
dat men slechts het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit 



1) Evenzoo: Rosmini, D. A. 1890 pp. 93 sqq.; hoofdartikel in hetzelfde tijd- 
schrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts verscheidene rechterlijke beslissingen o. a. in 
Duitschland : Reichsgericht 31 Jan. 1891 : de bepaling slaat alleen op draaiorgels, 
speeldoozen en andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal muziekstukken 
spelen en ten tijde van het tot stand komen der Conventie algemeen bekend 
waren, D. A. 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden zin: Reichsgericht 24 Febr. 1899, 
J). A. 1901 p. 5; Sfichsisches Oberlandsgericht 29 Oct. 1894. In België werd 
uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk is op phonograaf-rolien door: 
Tribunal de Ir» instance te Brussel 13 Juli 1904, D. A. 1904 pp. 93 sqq.; 
Tribunal de paix Brussel 10 Aug. 1903, D. A. 1903 pp. 103 sqq. Men zie 
hieronder de beslissingen in tegengestelden zin. 



408 



neemt niet weg, dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig 
is geredigeerd, dat er van een te maken onderscheid tusschen de 
eene en de andere soort instrumenten niets is te bespeuren. In Parys 
heeft men bovendien in 1896 gelegenheid gehad de vrijheid van 
reproductie in te trekken voor de inmiddels op de markt gebrachte 
nieuwe instrumenten door wijziging van de betreffende bepaling. 
Een Fransch voorstel van deze strekking werd aldaar echter verworpen. 
Ik meen dus dat er geen reden is om de bepaling niet woordelijk 
uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op alle .instrumenten, dienende 
om langs mechanischen weg muziekstukken weer te geven" r ). 

Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze geen 
muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken reproduceeren. 
Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis van het Trib. 
de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden over 
phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk Madame 
Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen : „ . . . que les 
termes employés (nl. die van Slotprotocol n«. 3 Conventie 1886) 
marquent 1'intention formelle de favoriser uniquement des Instruments 
de musique qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition 
aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires." 

De bepaling spreekt overigens alleen van het „vervaardigen en 
verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen 
van muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of 
dit, naar omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken 
moet dus in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden 
uitgemaakt 2 ). 

Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parus 
in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te 
herzien, die echter op niets uitliep 3). Intusschen breidde zich de 
handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's, 
elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van 



1) Dit is ook de meening van Eöthlisbkrger, die overigens de bepaling sterk 
afkeurde en ervan zeider „dura les sed les" r. a. p. p. 246. Rechterlijke beslissingen 
m dezen zin: Landgericht Leipzig 31 Dec. 1891 (symphonion) en 10 Maart 1890 
(phenix); Landgericht Gera 23 Mei 1890 (elariophone), D. A. 1890 pp. 119 aqq., 
1895 pp. 59 sqq.; Cour d'Appel Brussel 29 Dec. 1905, D. A. 1906 p. 46. 

2) Zoo deed ook terecht : Tribunal de paix van Laeken 5 Juli 1906, D. A. 1907 p. 7. 

3) Men zie hierover: Artes 1896 pp. 46, 47, 199, 200. 



409 



muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten 
reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den 
gewonen notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers 
steeds luider begonnen te klagen over de vryheid, die door de Con- 
ventie aan de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder 
toestemming te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te be- 
talen, van alle muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende 
zijden werd er op aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen 1 j, 
of haar te vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer 
gewijzigde toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was. 

Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner 
Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook 
geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen 
(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland) 
bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens was, dat de tot 
dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische muziek-instrumenten 
voor de rechten der auteurs behoorde te wijken; alleen het voorstel 
van Zwitserland strekte, om de bepaling van n°. 3 Slotprotocol 1886 
ongewijzigd in stand te houden. Wegens de bijzondere moeilijkheden, 
die het vraagstuk opleverde, werd het onderzoek opgedragen aan 
eene sub-commissie, die bij het door haar overgeleverd rapport een 
nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte, nadat er nog eenige 
wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13 Conventie 1908 is 
voortgekomen. 

De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der 
componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen, 
zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken 
spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel 
van die instrumenten (lid 1) ; aan dit recht zullen echter de inlandsche 
wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde 
lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene 
bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten, 
waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd. 

Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. 



1) Zoo o. a. door de Association op hare congressen van Monaco 1897, Vevey 
1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het internationale uitgevers-consrres 
te Milaan 1906. Cf. Tableau des Voeux etc. 1896—1907 pp. 14, 15. 



410 



Zij houdt - en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland 
het terstond eens geweest - de erkenning in van het recht der 
componisten op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen 
n°. 3 Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, 
dat dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der be- 
doelde instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uit- 
voering noemt. 

De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de 
meeste staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in 
toepassing hebben willen brengen. Behalve met de belangen der 
auteurs, had men ook met die der fabrikanten van muziek-instru- 
menten en phonografen rekening te houden. Gewapend met het hun 
verleende recht zouden de auteurs te hooge prijzen kunnen vragen 
voor het gebruikmaken hunner werken, waardoor deze nieuwe tak 
van industrie ernstig getroffen zou kunnen worden. Ook bestond de 
vrees, dat zich monopolies zouden vormen ten bate van enkele groot- 
industriëlen met veel kapitaal, zoodat er voor de ondernemingen op 
kleinere schaal geen kans zou bestaan om over nog beschermde 
muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan deze 
bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling 
opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had 
laten gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn 
aan ieder derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke - 
ingeval van strijd door de inlandsche wet vast te stellen - ver- 
goeding *). Het bleek echter dat vele staten tegen de invoering van 
dit systeem bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel 
van Engeland, het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke 
staat noodig mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over 
te laten. Zoo kwam men tot de bepaling van het tweede lid van 
artikel 13. Elke Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen 
vast te stellen, waardoor het auteursrecht der componisten, dat in 
het eerste lid van art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voor- 
waarden wordt gebonden of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden. 

Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in 
strijd te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter 
uit het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid 



1) Men zie het Duitsche voorstel met de toelichting Actes 1908 pp. 51, 52. 



411 



heeft voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabri- 
kanten van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor 
de auteurs zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziek- 
werken gebruik te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men 
het noodig geacht nog uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen 
en voorwaarden, die een staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in 
dat land zelf van kracht zullen zijn. Andere staten, die het auteurs- 
recht der componisten minder beperkingen in den weg zullen leggen, 
zullen dus krachtens deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den 
invoer te verbieden van instrumenten, platen of rollen, die op hun 
grondgebied slechts onder voor de fabrikanten minder gunstige voor- 
waarden vervaardigd hadden mogen worden 1 ). 

Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden 
erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren 
(cf. wat boven over de uitlegging van n°. 3 Slotprotocol 1886 is 
gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een 
bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel 
bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste 
lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden 
der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor 
mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid 3). 
De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen 
gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren 
van die muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds 
op die wn'ze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. 
Overigens zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen 
regelen; de beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 
mogen worden vastgesteld kunnen — zooals nog uitdrukkelijk in 
het Commissie-rapport wordt opgemerkt — ook de regeling van de 
terugwerkende kracht van dit artikel betreffen 2 ). 

Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid 
van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene 
Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten, 
rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde 
voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van 



1) Men zie hierover het verslag der Commissie Actes 1908 pp. 260, 261. 
2} Actes 1908 p. 262. 



412 



den componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië 
heeft men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan 
art. 13 toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen 
in de landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag 
zal kunnen gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede 
lid een regel van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in stru'd 
met het auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was 
deze laatste bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door 
de Commissie, die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte 
echter voor den aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder 
op gesteld schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen 

De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13 
Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig 
toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; 
door eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van n°.3 Slot- 
protocol 1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Con- 
ventie in strijd komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht 
beschermd zijn, moet dus worden erkend ; er mogen echter uitzonde- 
ringen (voorwaarden en beperkingen) op worden gemaakt. "Wordt 
dit verzuimd, dan moet de bescherming onvoorwaardelijk en in haar 
vollen omvang verleend worden, tenzij natuurlijk men zich aan de 
oude bepaling van n°. 3 Slotprotocol 1886 wil houden, die geenerlei 
verplichting oplegt. 

- Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet bekend. 
Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der compo- 
nisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het auteurs- 
recht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen 
meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt 
tegen eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toe- 
treding tot de Conventie. 

Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. 
Mijne meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen 
heb ik reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het 
hier te lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, 



1) Men zie het Commissie-rapport, Act es 1908 p. 262. 



413 



slechts voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige 
wet op het auteursrecht ten grondslag hebben gelegen. 

Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het 
gebied van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij 
bekend tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aan- 
vaarden van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou 
men hierdoor bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier 
onder gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere 
landen, waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziek- 
stukken betaald zou moeten worden ; doch het zou moeilijk zijn voor 
deze artikelen een afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten 
die deel uitmaken van het Verbond zullen tenminste hoogstwaar- 
schijnlijk alle hunne grenzen ervoor gesloten houden. 

VH Kinematograaf (Conv. 1908 a r t. 14) 

De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Con- 
ventie 1908 ; het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinemato- 
graphischè voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden 
zijn gaan behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat 
nóch op de Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie 
over dit reproductie-middel is gesproken. 

De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste 
plaats betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van 
andermans werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij be- 
trekking op de bescherming, die voor werken wordt verleend, welke 
met behulp van den kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 
en 3). Een vierde lid van het artikel houdt nog de bepaling in, dat 
wat omtrent den kinematograaf is vastgesteld ook geldt voor elk 
procédé van soortgelijken aard. Deze bepaling ziet voornamelijk 
op uitvindingen, die de toekomst misschien nog kan brengen; in 
de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog wel geen prac- 
tische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder buiten 
beschouwing te kunnen laten. 

Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om 
werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit ver- 
valt weer in twee onderdeelen, nl. 1° het recht van reproductie 
door den kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de 
vervaardiging van kinematographische beelden; en 2» het recht van 



414 



openbare opvoering met den kinematograaf dus: de vertooning der 
beelden. Beide rechten worden in het eerste lid van het artikel ver- 
leend aan de auteurs van „letterkundige, wetenschappelijke of kunst- 
werken". Het zijn dus niet alleen tooneelstukken, opera's, balletten 
enz. waarvan de exploitatie op deze wijze den auteur uitsluitend 
wordt voorbehouden, doch ook de schrijver van een roman b.v. zal 
kunnen verbieden, dat tafereelen uit zijn werk op de kinematograaf- 
filrns worden gebracht en daarmede vertoond worden. Dit zou — 
ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in het Commissie-verslag 
genoemd x ) — reeds volgen uit het zoogenaamde dramatiseerings- 
recht, dat den schrijvers van romans, novellen en gedichten in art. 
12 Conventie wordt toegekend. 

Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van weten- 
schappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft kunnen 
denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt in het 
verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan 
eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling 
te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet 
bedoeld is den chirurg te beschermen als „auteur" van de doorhem 
verrichte operatie tegen de kinematographische reproductie van het 
tafereel, dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, 
zooals reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft 
derhalve m. i. niets anders over dan de woorden „wetenschappelijke 
werken" in art. 14 als niet geschreven te beschouwen. 

Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die 
door middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds 
opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar 
in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is, 
opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belang- 
hebbenden gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf 
betrekking heeft in een artikel bijeen te vinden ; vandaar deze afwij- 
king van den systematischen weg. 

De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in 
art, 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1° de kinematographische 
voortbrengselen („productions cinématographiques") voorzoover „de 
auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der 



1) Actes 1908 p. 264. 



415 



voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk 
karakter zal hebben verleend"; en 2° „de reproductie door middel 
van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of 
kunst-werk". 

"Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te 
rekenen zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.), 
geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit 
een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor 
kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder 
bereik van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de 
auteur een oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet 
hebben verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op 
alle „werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is. 

Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld, 
is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch 
de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk 
Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende 
tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben 
gediend, ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een 
ander. Met betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het ver- 
vaardigen der kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die 
naar gelang van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan 
den anderen kant is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, 
nl. de bewerking, welke de roman moest ondergaan om in beeld te 
worden gebracht. Deze bewerking nu, die men als eene bijzondere 
soort van „dramatiseering" kan beschouwen, wordt door de besproken 
bepaling onder de beschermde auteursproducten gerangschikt; zij is, 
„onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijke 
werk ... als een oorspronkelijk werk beschermd." Wij hebben hier 
dus met eene bepaling te doen, analoog aan die van het tweede 
lid van art. 2; wat hier erkend wordt is het recht van den bewerker 
op zijne bewerking. 

Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze 
bepaling verleende reent niet bestaat in de kinematographische 
afbeeldingen zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. 
getrokken, d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar 



1) Actes 1908 p. 266. 



416 



gemaakte, „stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking „repro- 
ductie door middel van den kinematograaf" zou misschien het 
tegendeel kunnen doen denken en schijnt mij daarom ook minder 
gelukkig gekozen. Ik meen echter, dat er hier van een recht op de 
kinematographische afbeelding geen sprake kan zijn; daarvoor was 
hier geene bijzondere bepaling noodig, daar dit onder de bepalingen 
over het recht op photographieën valt. Het verschil tusschen het 
recht op de afbeelding en dat op het afgebeelde komt vooral hierin 
uit, dat het tweede betrekking heeft op meer exploitatie-middelen. 
Het hier behandelde recht omvat dus niet alleen de reproductie door 
middel van kinematograaf of photographie, maar ook b.v. de opvoering 
in een schouwburg, zelfs door andere acteurs dan die bij de oor- 
spronkelijke vertooning hebben meegewerkt. 

Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de 
inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting 
op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het 
omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te 
verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene 
regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. 
Aan de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande 
artikel, de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht 
te verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen, 
die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen vinden.' 
Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den kine- 
matograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer 
korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de 
auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere 
landen aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. 
Verder blijven natuurujk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige 
vaststelling van het begrip „openbare uitvoering door middel van den 
kinem